Insulinesoorten en toediening oefenvragen

Deze oefenvragen helpen studenten in de verpleegkunde om kennis op te doen over verschillende insulinesoorten en hun toediening.

LynxTess0·32 flashcards·32 vragen
hbonursingpharmacology
0
Ken ik
1 / 32
0
Aan het leren
Voorkant

Wat is langwerkende insuline?

Tik om om te draaien
Achterkant

Langwerkende insuline heeft een langdurig effect, tot 24 uur. Voorbeelden: Glargine, Detemir.

Tik om om te draaien
Ken ik
Aan het leren

Quiz(32 vragen)

Vraag 1 van 32

1. Wat is de juiste toedieningsmethode bij acute hyperglykemie?

Termen in deze set(32)

Insulinesoorten(16)

Wat is langwerkende insuline?

Langwerkende insuline heeft een langdurig effect, tot 24 uur. Voorbeelden: Glargine, Detemir.

Wat is het effect van kortwerkende insuline?

Kortwerkende insuline werkt snel, vaak binnen 30 minuten. Het effect houdt 3-6 uur aan.

Vul in: NPH insuline is _____.

een intermediair werkende insuline, met een piek na 4-12 uur.

Vergelijk NPH en Glargine insuline.

NPH: piekwerking, Glargine: constant. NPH duurt 10-16 uur, Glargine tot 24 uur.

Wat is de rol van insuline analogieën?

Insuline analogieën zijn gemodificeerde insulines. Ze hebben een verbeterde opname en werking.

Waarvoor gebruik je ultrakortwerkende insuline?

Ultrakortwerkende insuline wordt gebruikt voor snelle bloedsuikercorrectie, zoals bij maaltijden.

Waar bestaat insuline uit?

Insuline is een peptidehormoon, gemaakt van 51 aminozuren, gevormd in de pancreas.

Waarbij kan insuline therapie noodzakelijk zijn?

Bij type 1 diabetes en geavanceerde type 2 diabetes wanneer orale medicatie niet voldoende is.

Wat is de piekwerking van kortwerkende insuline?

Piek na 1-3 uur, effect tot 6 uur. Ideaal voor maaltijden.

Waar komt de term 'basale insuline' vandaan?

Basale insuline verwijst naar de constante, laagdrempelige insulinebehoefte voor dagelijkse functie.

Wat is het belangrijkste kenmerk van Glulisine?

Glulisine is een ultrakortwerkende insuline met een zeer snelle opname.

True or False: Insuline is altijd injecteerbaar.

True - Insuline wordt meestal subcutaan geïnjecteerd, niet oraal ingenomen.

Wat is de functie van intermediaire insuline?

Intermediaire insuline biedt langdurige werking, vaak gebruikt voor 24-uurs controle.

Wat is de belangrijkste bijwerking van insuline?

Hypoglycemie, wat leidt tot klachten zoals zweten, trillen en in ernstige gevallen bewusteloosheid.

Wat is het effect van insuline op de bloedsuikerspiegel?

Insuline verlaagt de bloedsuikerspiegel door glucoseopname in cellen te bevorderen.

Wat is het belangrijkste kenmerk van snelwerkende insuline?

Snelwerkende insuline heeft een snelle opname in de bloedbaan, met een piekwerking binnen 1-3 uur na injectie. - Gebruik bij maaltijden - Verlaagd snel de bloedglucose - Voorbeelden: Aspart, Lispro

Toedieningsmethoden(16)

Wat is de meest voorkomende toedieningsmethode voor insuline?

Subcutane injectie. Dit is de belangrijkste manier om insuline bij diabetespatiënten toe te dienen.

Noem twee voordelen van subcutane insuline-toediening.

- Gemakkelijk zelf toe te dienen. - Directe absorptie in de bloedbaan.

Wat is een mogelijke bijwerking van insuline toediening?

Hypoglykemie. Dit kan optreden bij een te hoge dosis insuline.

Vul de lege plek in: Insuline kan ook _______ worden toegediend.

Intraveneus. Dit wordt gebruikt in acute situaties.

Wat is het effect van onjuiste injectieplaats bij insuline?

Vertraagde absorptie. Dit kan de glucosespiegel negatief beïnvloeden.

Valse of waar: Insuline kan intramusculair worden toegediend.

Waar. Dit is echter minder gebruikelijk dan subcutaan.

Vergelijk subcutane en intraveneuze insuline-toediening.

- Subcutaan: langzame afgifte. - Intraveneus: directe afgifte.

Noem een voor- en een nadeel van insulinepomp.

Voordeel: continue toediening. Nadeel: hogere kosten.

Wat zijn de aanbevolen injectieplaatsen voor insuline?

Bovenarm, buik, dij. Rotatie is belangrijk om lipodystrofie te voorkomen.

Wat is lipodystrofie?

Vetweefselverandering op injectieplaatsen, kan insulineabsorptie beïnvloeden.

Wat is de rol van een insulinepen?

Gemakkelijkere en nauwkeurigere toediening van insuline.

Vul in: Bijwerkingen van insuline kunnen _______ zijn.

Allergische reacties, gewichtstoename.

Wat moet je controleren na insuline-toediening?

Bloedglucosewaarden. Dit helpt bij het monitoren van effectiviteit.

Waarom is het belangrijk om insuline niet te schudden?

Het kan luchtbellen veroorzaken, wat de dosis kan beïnvloeden.

Wat te doen bij hypoglykemie na insuline-toediening?

Snelwerkende koolhydraten geven, zoals frisdrank of glucose-tabletten.

Wat is de aanbevolen temperatuur voor insuline-opslag?

Koel, tussen 2°C en 8°C. Vermijd bevriezing.

Vragen in deze set(32)

1. Wat is de juiste toedieningsmethode bij acute hyperglykemie?

A.Intraveneus
B.Subcutaan
C.Intra-arterieel
D.Intramusculair

2. Wat is het belangrijkste kenmerk van kortwerkende insuline?

A.Snelwerkende effectiviteit
B.Langdurige werking
C.Geen piekwerking
D.Gebruik bij slapeloosheid

3. Welke van de volgende plaatsen is het meest geschikt voor subcutane insuline-injectie?

A.Achterkant van de hand
B.Buik
C.Voorkant van het been
D.Hoofdhuid

4. Welke insuline heeft de meeste kans op hypoglycemie?

A.Langwerkende insuline
B.Ultrakortwerkende insuline
C.Intermediaire insuline
D.Snelwerkende insuline

5. Wat is een voordeel van insulinepomptherapie?

A.Minder frequentie van injecties
B.Minder kosten
C.Geen bijwerkingen
D.Geen insuline nodig

6. Wat is de piekwerking van NPH insuline?

A.0-30 minuten
B.1-3 uur
C.4-12 uur
D.18-24 uur

7. Welke bijwerking is het meest waarschijnlijk na insuline-toediening?

A.Hypoglykemie
B.Hyperglykemie
C.Hypertensie
D.Bloedarmoede

8. Welk type insuline wordt vaak gebruikt voor de basisbehoefte?

A.Snelwerkende insuline
B.Ultrakortwerkende insuline
C.Langwerkende insuline
D.NPH insuline

9. Wat kan er gebeuren als insuline onjuist wordt geïnjecteerd?

A.Verhoogde bijwerkingen
B.Vertraagde absorptie
C.Snellere werking
D.Geen effect

10. Welke insuline is het meest geschikt voor gebruik bij maaltijden?

A.Langwerkende insuline
B.Ultrakortwerkende insuline
C.NPH insuline
D.Basale insuline

11. Welk van de volgende is GEEN aanbevolen injectieplaats voor insuline?

A.Bovenarm
B.Dij
C.Buik
D.Knieholte

12. Wat is de functie van snelwerkende insuline?

A.Langdurige bloedsuikercontrole
B.Snel verlagen van bloedsuiker
C.Bevorderen van insulineproductie
D.Vertragen van glucoseopname

13. Wat is de invloed van het schudden van insuline voor gebruik?

A.Verhoogt de effectiviteit
B.Geeft luchtbellen
C.Beïnvloedt de inwerkingstijd
D.Geen invloed

14. Wat is een kenmerk van insuline analogieën?

A.Ze zijn minder effectief
B.Ze zijn gemodificeerd voor betere opname
C.Ze hebben altijd een langdurige werking
D.Ze kunnen alleen oraal worden ingenomen

15. Wat is een typische reactie bij een allergische reactie op insuline?

A.Verhoogde bloedglucose
B.Huiduitslag
C.Verhoogde dorst
D.Gewichtsverlies

16. Welke insuline heeft de kortste werkingsduur?

A.Langwerkende insuline
B.NPH insuline
C.Snelwerkende insuline
D.Ultrakortwerkende insuline

17. Welke insuline toedieningsmethode biedt de snelste werking?

A.Subcutaan
B.Intraveneus
C.Intramusculair
D.Intra-arterieel

18. Wat is de primaire bijwerking van insuline?

A.Hyperglycemie
B.Hypoglycemie
C.Misselijkheid
D.Hoofdpijn

19. Wat moet je doen na insuline-toediening?

A.Voldoende water drinken
B.Bloedglucosewaarden controleren
C.Vervangen van naald
D.Insuline terugkoelen

20. Wat is de belangrijkste reden voor het gebruik van intermediaire insuline?

A.Snelle bloedsuikercorrectie
B.Langdurige werking
C.Bevorderde insulineproductie
D.Directe glucoseopname

21. Welke van de volgende is een veelvoorkomende bijwerking bij het gebruik van insuline?

A.Verlies van eetlust
B.Gewichtstoename
C.Hoge bloeddruk
D.Hartkloppingen

22. Welk type insuline is meestal niet geschikt voor gebruik bij maaltijden?

A.Snelwerkende insuline
B.Langwerkende insuline
C.Ultrakortwerkende insuline
D.NPH insuline

23. Wat is lipodystrofie?

A.Verhoogde insulinegevoeligheid
B.Vetweefselverandering
C.Verlies van spiermassa
D.Verhoogde bloedsuikerspiegel

24. Wat is het kenmerk van Glargine insuline?

A.Snelle piekwerking
B.Constante afgifte zonder piek
C.Kortwerkende werking
D.Slechts oraal toepasbaar

25. Wat is het effect van te veel insuline?

A.Hypoglykemie
B.Hyperglykemie
C.Geen effect
D.Vertraagde herstel

26. Wat is de rol van insuline in het lichaam?

A.Verhogen van de bloedsuikerspiegel
B.Verminderen van de bloedsuikerspiegel
C.Bevorderen van vetopslag
D.Stimuleren van eiwitafbraak

27. Wat moet je vermijden bij het opslaan van insuline?

A.Koude temperaturen
B.Directe zonlicht
C.Kamertemperatuur
D.Bevriezing

28. Welke insuline heeft als doel een snelle bloedsuikercorrectie?

A.NPH insuline
B.Langwerkende insuline
C.Snelwerkende insuline
D.Basale insuline

29. Wat is het belangrijkste voordeel van subcutane insuline-toediening?

A.Directe werking
B.Gemakkelijke zelftoediening
C.Lagere kosten
D.Hogere dosering mogelijk

30. Wat is de belangrijkste eigenschap van NPH insuline?

A.Geen piekwerking
B.Piekwerking na 4-12 uur
C.Snelwerkend
D.Slechts oraal toepasbaar

31. Welke van de volgende toedieningsmethoden is het minst gebruikelijk voor insuline?

A.Intraveneus
B.Subcutaan
C.Intramusculair
D.Oraal

32. Welke van de volgende insulinesoorten heeft een langdurige werking tot 24 uur zonder duidelijke piek?

A.A) Glargine
B.B) NPH
C.C) Regular
D.D) Lispro

Gerelateerde sets

Maak je eigen studieset

Upload een PDF, plak je notities of beschrijf een onderwerp – AI genereert flashcards, quizzen en meer in seconden.