Eindexamen: Onderzoeksmethoden maatschappijwetenschappen

Deze set flashcards behandelt belangrijke onderzoeksmethoden binnen de maatschappijwetenschappen, gericht op het eindexamen. Leer de technieken en principes die essentieel zijn voor het begrijpen van sociaal onderzoek.

Sophie37·56 flashcards·56 vragen·1 weergaven
eindexamensociologysocial_theory
0
Ken ik
1 / 56
0
Aan het leren
Voorkant

Kwantitatief onderzoek

Tik om om te draaien
Achterkant

Onderzoek waarbij numerieke gegevens worden verzameld en geanalyseerd.

Tik om om te draaien
Ken ik
Aan het leren

Quiz(56 vragen)

Vraag 1 van 56

1. Wat is het primaire doel van een onderzoeksontwerp?

Termen in deze set(56)

Kwantitatieve Onderzoeksmethoden(18)

Kwantitatief onderzoek

Onderzoek waarbij numerieke gegevens worden verzameld en geanalyseerd.

Wat is een steekproef?

Een representatieve selectie van een grotere populatie.

Vragenlijst

Instrument voor gegevensverzameling, vaak met gesloten vragen.

True or False: Kwantitatief onderzoek gebruikt kwalitatieve gegevens.

False. Kwantitatief onderzoek richt zich op numerieke gegevens.

Statistische significantie

De kans dat een waargenomen effect niet op toeval berust; vaak p < 0.05.

Wat is een hypotheses?

Een toetsbare voorspelling over de relatie tussen variabelen.

Descriptieve statistiek

Statistieken die gegevens samenvatten, zoals gemiddelden en mediaan.

Invloed van sample size

Grotere steekproeven geven vaak betrouwbaardere resultaten.

Fill in the blank: De __________ is het gemiddelde van de data.

mediaan

Correlation vs. causation

Correlatie toont een relatie aan, causaliteit toont een oorzaak-gevolg relatie aan.

Wat meet een Likert-schaal?

De mate van overeenstemming of onenigheid met een stelling.

Verzameling van gegevens

Kan door enquêtes, observaties of experimenten worden gedaan.

Operationalisatie

Het vertalen van abstracte begrippen naar meetbare variabelen.

Wat is een variabele?

Een kenmerk dat kan variëren tussen waarnemingen.

Sample bias

Vooringenomenheid in de steekproef kan gevolgen hebben voor de resultaten.

Wat is een controlegroep?

Een groep die niet de behandeling ontvangt, voor vergelijking.

Kwantitatieve analyse technieken

Inbegrepen: regressieanalyse, variantieanalyse (ANOVA), en t-toets.

Wat is een histogram?

Een grafische voorstelling van de frequentie van gegevens.

Kwalitatieve Onderzoeksmethoden(16)

Wat is kwalitatief onderzoek?

Onderzoek dat zich richt op het begrijpen van sociale fenomenen via diepgaande inzichten en ervaringen.

Noem twee voorbeelden van kwalitatieve onderzoeksmethoden.

1. Diepte-interviews 2. Observaties

Wat is een diepte-interview?

Een gestructureerd of semi-gestructureerd gesprek om diepgaande informatie van respondenten te verzamelen.

Waarvoor gebruik je observaties?

Om gedrag in natuurlijke contexten te bestuderen zonder invloed van de onderzoeker.

Juist of onjuist: Kwalitatief onderzoek is altijd subjectief.

Juist, omdat het gebaseerd is op ervaringen en interpretaties van deelnemers.

Wat is het doel van focusgroepen?

Groepsdiscussies leiden om verschillende perspectieven en ideeën over een onderwerp te verzamelen.

Vul de blanco in: Een ________ is een onderzoeker die de interacties observeert zonder in te grijpen.

waarnemer

Welke rol speelt de onderzoeker in kwalitatief onderzoek?

De onderzoeker is actief betrokken en beïnvloedt de data door interactie met deelnemers.

Wat zijn ethnografische studies?

Diepgaand onderzoek naar culturen en gemeenschappen door participerende observatie en interviews.

Noem een voordeel van kwalitatief onderzoek.

Diepe inzichten in complexe sociale situaties.

Wat is een narratief onderzoek?

Onderzoek dat verhalen en persoonlijke ervaringen van deelnemers centraal stelt.

Noem een nadeel van kwalitatief onderzoek.

Moeilijker te generaliseren naar een grotere populatie.

Wat is de rol van thematische analyse?

Het identificeren en analyseren van patronen of thema's binnen kwalitatieve data.

Wat is triangulatie in kwalitatief onderzoek?

Het gebruik van meerdere methoden of datatypes om de betrouwbaarheid van resultaten te vergroten.

Juist of onjuist: Kwalitatief onderzoek vereist vaak grote steekproeven.

Onjuist, kwalitatief onderzoek heeft meestal kleinere, gerichte steekproeven.

Wat is een casestudy?

Diepgaand onderzoek naar een specifiek geval of een beperkte groep om uitgebreide inzichten te krijgen.

Onderzoeksontwerp en -ethiek(12)

Wat is een onderzoeksontwerp?

Een onderzoeksontwerp is een plan dat de structuur van het onderzoek vastlegt, inclusief de methoden, technieken en procedures die gebruikt worden om gegevens te verzamelen en analyseren.

Waarom is ethiek belangrijk in onderzoek?

Ethiek waarborgt de rechten van deelnemers, voorkomt schade en bevordert integriteit in onderzoek. Het zorgt ervoor dat de resultaten betrouwbaar zijn en niet voortkomen uit onethische praktijken.

Waarop moet je letten bij het formuleren van onderzoeksvragen?

Duidelijkheid, haalbaarheid, relevantie en ethische overwegingen. - Specifiek - Meetbaar - Realistisch

Wat zijn de gevolgen van onethisch onderzoek?

Onbetrouwbare resultaten, schade aan deelnemers en verlies van vertrouwen in de wetenschap. Kan leiden tot juridische gevolgen.

Vul de lege plek in: Informed consent is ____.

het proces waarbij deelnemers geïnformeerd worden over het onderzoek en toestemming geven.

Kwantitatief vs. kwalitatief onderzoek: wat is het grootste verschil?

Kwantitatief onderzoek is cijfermatig en meetbaar, terwijl kwalitatief onderzoek gericht is op diepte en betekenis van ervaringen.

Wat zijn de stappen in een onderzoeksontwerp?

Definiëren van het probleem → Formuleren van hypothese → Methode kiezen → Gegevens verzamelen → Analyseren → Rapporteren.

Wanneer is anonimiteit belangrijk in onderzoek?

Bij gevoelige onderwerpen of kwetsbare groepen. Het beschermt de identiteit van deelnemers en bevordert de bereidheid om deel te nemen.

Wat is de rol van een literatuuronderzoek?

Het biedt inzicht in bestaand onderzoek, helpt bij het formuleren van vragen en voorkomt duplicatie van werk. Draagt bij aan de theoretische basis.

Is het waar of onwaar: Alle deelnemers moeten dezelfde informatie krijgen voor toestemming.

Waar. Dit zorgt voor transparantie en gelijke behandeling van alle deelnemers.

Wat houdt betrouwbaarheid in binnen sociaal onderzoek?

Betrouwbaarheid verwijst naar de consistentie van een onderzoeksresultaat. Een betrouwbaar onderzoek levert dezelfde resultaten op bij herhaling.

Geef een voorbeeld van een ethische commissie.

De Centrale Commissie Mensgebonden Onderzoek (CCMO) in Nederland. - Beoordeelt ethische aspecten - Beschermt deelnemers

Analyse en Interpretatie van Gegevens(10)

Wat is een histogram?

Een histogram is een grafische weergave van de frequentieverdeling van gegevens, waarbij de gegevens in intervallen worden verdeeld en de hoogte van de balken de frequentie aangeeft.

Wat meet de standaarddeviatie?

De standaarddeviatie meet de spreiding van gegevens ten opzichte van het gemiddelde. Een lage standaarddeviatie betekent dat de waarden dicht bij het gemiddelde liggen.

Waarvoor wordt een correlatiecoëfficiënt gebruikt?

De correlatiecoëfficiënt meet de sterkte en richting van de relatie tussen twee variabelen. Waarden variëren van -1 tot 1.

Vul in: Een ...... toont de verhouding tussen twee variabelen.

scatterplot - Het visualiseert hoe de waarden van de ene variabele zich verhouden tot de andere.

Waar is een boxplot voor?

Een boxplot toont de verdeling van een dataset door de mediaan, kwartielen en outliers visueel weer te geven.

True or False: Een kleinere p-waarde betekent dat het resultaat minder significant is.

False - Een kleinere p-waarde geeft aan dat het resultaat meer significant is, wat betekent dat de kans op toeval kleiner is.

Leg het verschil uit tussen kwalitatieve en kwantitatieve analyses.

Kwalitatieve analyses focussen op diepte en context van data, terwijl kwantitatieve analyses zich richten op cijfers en statistische verwerking.

Wat is een t-toets?

Een t-toets is een statistische methode die gebruikt wordt om te bepalen of er een significant verschil is tussen de gemiddelden van twee groepen.

Oorzaak → Gevolg: Wat is een mogelijke oorzaak van toenemende eenzaamheid?

Sociale media - Het gebruik van sociale media kan leiden tot verminderde face-to-face interacties, wat een gevolg kan zijn van eenzaamheid.

Geef een voorbeeld van een gegevensverzamelingsmethode.

Enquête - Een enquête verzamelt gestructureerde gegevens van respondenten over specifieke onderwerpen.

Vragen in deze set(56)

1. Wat is het primaire doel van een onderzoeksontwerp?

A.Het vastleggen van de structuur en methoden van het onderzoek.
B.Het verzamelen van gegevens zonder voorafgaande planning.
C.Het evalueren van de resultaten na het onderzoek.
D.Het schrijven van een verslag van de bevindingen.

2. Wat is het belangrijkste kenmerk van kwalitatief onderzoek?

A.Het verzamelen van diepgaande inzichten.
B.Het gebruik van grote steekproeven.
C.Het uitvoeren van statistische analyses.
D.Het genereren van kwantitatieve data.

3. Wat is een scatterplot?

A.Een grafische weergave van de relatie tussen twee variabelen.
B.Een tabel met frequenties van verschillende categorieën.
C.Een statistische methode om gemiddelden te vergelijken.
D.Een manier om de spreiding van data te meten.

4. Wat is kwantitatief onderzoek?

A.Onderzoek waarbij numerieke gegevens worden verzameld en geanalyseerd.
B.Onderzoek gericht op meningen en ervaringen.
C.Onderzoek dat uitsluitend gebruikmaakt van observaties.
D.Onderzoek zonder vooraf gedefinieerde hypothese.

5. Waarom is het belangrijk om ethische richtlijnen te volgen in sociaal onderzoek?

A.Om de resultaten sneller te publiceren.
B.Om de rechten van deelnemers te beschermen.
C.Om meer proefpersonen te werven.
D.Om de kosten van het onderzoek te verlagen.

6. Welke van de volgende methoden is GEEN kwalitatieve onderzoeksmethode?

A.Diepte-interviews
B.Enquêtes met gesloten vragen
C.Observaties
D.Focusgroepen

7. Wat betekent een hoge standaarddeviatie?

A.De waarden liggen ver van het gemiddelde.
B.De waarden zijn dicht bij elkaar.
C.Er is geen spreiding.
D.De data zijn normaal verdeeld.

8. Wat is een steekproef?

A.Een representatieve selectie van een grotere populatie.
B.Alle gegevens van de gehele populatie.
C.Een willekeurige selectie van gegevens.
D.Een groep die niet representatief is.

9. Wat is een belangrijk aspect bij het formuleren van onderzoeksvragen?

A.Complexiteit van de vraag.
B.Duidelijkheid en haalbaarheid.
C.Gebruik van jargon.
D.Onbekendheid met het onderwerp.

10. Wat is het doel van een focusgroep?

A.Diepe individuele verhalen verzamelen.
B.Groepsdiscussies faciliteren.
C.Kwantitatieve data verzamelen.
D.Observaties uitvoeren zonder interactie.

11. Welke van de volgende methoden is géén kwantitatieve gegevensverzamelingsmethode?

A.Enquête met gesloten vragen.
B.Observatie van gedrag.
C.Experiment met metingen.
D.Test met numerieke resultaten.

12. Wat is een vragenlijst?

A.Een instrument voor gegevensverzameling met vaak gesloten vragen.
B.Een interview met open vragen.
C.Een observatie-instrument.
D.Een rapport van eerdere studies.

13. Wat kan een gevolg zijn van onethisch onderzoek?

A.Verhoogde wetenschappelijke integriteit.
B.Betrouwbare en valide resultaten.
C.Schade aan deelnemers en verlies van vertrouwen.
D.Verbetering van de onderzoeksrapportage.

14. Hoe verschilt kwalitatief onderzoek van kwantitatief onderzoek?

A.Kwalitatief onderzoek is gericht op cijfers.
B.Kwalitatief onderzoek richt zich op ervaringen en betekenissen.
C.Kwalitatief onderzoek vereist grotere steekproeven.
D.Kwalitatief onderzoek is altijd objectief.

15. Wat is de functie van een boxplot?

A.Het visualiseren van de frequentieverdeling.
B.Het tonen van mediaan, kwartielen en outliers.
C.Het berekenen van de gemiddelde waarde.
D.Het vergelijken van twee datasets.

16. Wat is een hypothese?

A.Een toetsbare voorspelling over de relatie tussen variabelen.
B.Een definitieve conclusie van onderzoek.
C.Een visuele weergave van data.
D.Een soort statistische analyse.

17. Informed consent houdt in dat...

A.deelnemers geen informatie ontvangen.
B.deelnemers vrijwillig toestemming geven na informatie.
C.deelnemers ongevraagd worden benaderd.
D.deelnemers zich niet bewust zijn van het onderzoek.

18. Wat is een kenmerk van een diepte-interview?

A.Het is altijd gestructureerd.
B.Het biedt ruimte voor open antwoorden.
C.Het vereist een grote steekproef.
D.Het is gericht op het verzamelen van statistische gegevens.

19. Wat geeft de correlatiecoëfficiënt aan?

A.De gemiddelde waarde van een dataset.
B.De sterkte en richting van de relatie tussen twee variabelen.
C.De spreiding van een dataset.
D.De frequentie van waarden in een dataset.

20. Wat is descriptieve statistiek?

A.Statistieken die gegevens samenvatten, zoals gemiddelden en mediaan.
B.Statistieken die oorzaken van fenomenen onderzoeken.
C.Statistieken die alleen grafische gegevens weergeven.
D.Statistieken die alleen correlaties meten.

21. Wat is het grootste verschil tussen kwantitatief en kwalitatief onderzoek?

A.Kwantitatief is gericht op cijfers, kwalitatief op diepte van ervaringen.
B.Kwantitatief onderzoek is altijd beter.
C.Kwalitatief onderzoek is niet meetbaar.
D.Kwantitatief onderzoek vereist geen hypothese.

22. Welke van de volgende uitspraken over kwalitatief onderzoek is juist?

A.Het is altijd subjectief.
B.Het is gebaseerd op statistische analyses.
C.Het vereist altijd een grote steekproef.
D.Het is gericht op het testen van hypotheses.

23. Wat is een voorbeeld van kwalitatieve data?

A.Antwoorden van respondenten op open vragen.
B.Aantal stemmen in een verkiezing.
C.Gemiddelde temperatuur van een maand.
D.Aantal kilometers in een sportwedstrijd.

24. Wat meet een Likert-schaal?

A.De mate van overeenstemming of onenigheid met een stelling.
B.De gemiddelde leeftijd van respondenten.
C.De frequentie van een gebeurtenis.
D.De totale score van een test.

25. Welke stap komt als eerste in een onderzoeksontwerp?

A.Gegevens verzamelen.
B.Definiëren van het probleem.
C.Analyseren van gegevens.
D.Hypothese formuleren.

26. Wat is triangulatie in kwalitatief onderzoek?

A.Het gebruik van verschillende methoden om data te verzamelen.
B.Het uitvoeren van kwantitatieve analyses.
C.Het beperken van de steekproefgrootte.
D.Het uitsluiten van bias in de data.

27. Wat meet een t-toets?

A.Het verschil tussen twee gemiddelden.
B.De spreiding binnen één dataset.
C.De correlatie tussen twee variabelen.
D.De frequentie van een gebeurtenis.

28. Wat is operationalisatie?

A.Het vertalen van abstracte begrippen naar meetbare variabelen.
B.Het analyseren van verzamelde gegevens.
C.Het formuleren van conclusies.
D.Het presenteren van onderzoeksresultaten.

29. Waarom is anonimiteit belangrijk in onderzoek?

A.Het voorkomt dat deelnemers hun mening geven.
B.Het beschermt de identiteit van deelnemers.
C.Het maakt het onderzoek moeilijker.
D.Het is niet relevant voor de meeste onderzoeken.

30. Wat is een ethnografische studie?

A.Onderzoek naar een cultuur via participerende observatie.
B.Een statistische analyse van demografische gegevens.
C.Een experiment met gecontroleerde variabelen.
D.Een literatuurstudie van bestaande onderzoeken.

31. Welke van de volgende uitspraken over een p-waarde is juist?

A.Een lagere p-waarde duidt op grotere statistische significantie.
B.Een hogere p-waarde betekent dat de hypothese altijd waar is.
C.Een p-waarde geeft geen informatie over de grootte van het effect.
D.P-waarden zijn alleen relevant voor kwalitatieve analyses.

32. Wat is een controlegroep?

A.Een groep die niet de behandeling ontvangt, voor vergelijking.
B.Een groep die alle variabelen ondergaat.
C.De groep met de hoogste score.
D.Een willekeurige groep binnen de populatie.

33. Welke rol speelt een literatuuronderzoek binnen een onderzoeksproject?

A.Het biedt inzicht in bestaande kennis en voorkomt duplicatie.
B.Het zorgt ervoor dat het onderzoek sneller wordt uitgevoerd.
C.Het beperkt de theoretische basis van het onderzoek.
D.Het is enkel een vorm van archivering.

34. Wat is een belangrijk nadeel van kwalitatief onderzoek?

A.Gemakkelijk te generaliseren naar een grotere populatie.
B.De resultaten zijn moeilijk te repliceren.
C.Het vereist altijd een grote steekproef.
D.Het is altijd objectief.

35. Wat is het doel van kwalitatieve analyses?

A.Diepte en context van data begrijpen.
B.Cijfers en statistieken berekenen.
C.Spreiding van data vaststellen.
D.Relaties tussen variabelen kwantificeren.

36. Welke techniek valt onder kwantitatieve analysemethoden?

A.Regressieanalyse.
B.Diepte-interviews.
C.Focusgroepen.
D.Narratieve analyse.

37. Is het waar of onwaar: Alle deelnemers moeten dezelfde informatie ontvangen voor toestemming?

A.Waar.
B.Onwaar.
C.Soms waar, soms onwaar.
D.Alleen als ze erom vragen.

38. Wat is thematische analyse in kwalitatief onderzoek?

A.Het sorteren van data op basis van kwantitatieve cijfers.
B.Het analyseren van patronen en thema's binnen de data.
C.Het uitvoeren van statistische tests.
D.Het verzamelen van grote hoeveelheden data.

39. Wat is een histogram?

A.Een grafiek die de frequentieverdeling van data toont.
B.Een methode om gemiddelden te vergelijken.
C.Een tabel met statistische resultaten.
D.Een diagram dat causale relaties illustreert.

40. Wat geeft de p-waarde aan in kwantitatief onderzoek?

A.De kans dat een waargenomen effect niet op toeval berust; vaak p < 0.05.
B.De gemiddelde score van een steekproef.
C.De grootte van de steekproef.
D.De correlatie tussen twee variabelen.

41. Wat houdt betrouwbaarheid in binnen sociaal onderzoek?

A.Het verwijst naar de nauwkeurigheid van de resultaten.
B.Het betreft de consistentie van de resultaten bij herhaling.
C.Het is de methode van gegevensverzameling.
D.Het is een maat voor de tevredenheid van deelnemers.

42. Welke rol heeft de onderzoeker in kwalitatief onderzoek?

A.De onderzoeker is passief en observeert alleen.
B.De onderzoeker is actief betrokken en beïnvloedt de data.
C.De onderzoeker werkt alleen met statistische gegevens.
D.De onderzoeker verzamelt uitsluitend kwantitatieve data.

43. Wat is sample bias?

A.Vooringenomenheid in de steekproef kan gevolgen hebben voor de resultaten.
B.Een representatieve steekproef van de populatie.
C.Een volledige dataset van de populatie.
D.Een correcte steekproefstrategie.

44. Geef een voorbeeld van een ethische commissie.

A.De Centrale Commissie Mensgebonden Onderzoek (CCMO).
B.De Nationale Onderzoeksraad.
C.De Europese Unie.
D.Het Ministerie van Onderwijs.

45. Wat is een casestudy?

A.Onderzoek naar een specifiek geval om diepgaande inzichten te verkrijgen.
B.Een statistische analyse van meerdere gevallen.
C.Een experiment met gecontroleerde variabelen.
D.Een literatuurstudie van vergelijkbare gevallen.

46. Wat is een histogram?

A.Een grafische voorstelling van de frequentie van gegevens.
B.Een tabel van numerieke waarden.
C.Een beschrijving van de steekproef.
D.Een tekstuele samenvatting van resultaten.

47. Wat is het doel van observaties in kwalitatief onderzoek?

A.Het bestuderen van gedrag in natuurlijke contexten.
B.Het verzamelen van statistische data.
C.Het voeren van diepgaande interviews.
D.Het analyseren van bestaande data.

48. Wat is het verschil tussen correlatie en causaliteit?

A.Correlatie toont een relatie aan, causaliteit toont een oorzaak-gevolg relatie aan.
B.Correlatie is altijd positief, causaliteit is negatief.
C.Correlatie is kwantitatief, causaliteit is kwalitatief.
D.Correlatie vereist experimenteel onderzoek, causaliteit niet.

49. Wat is narratief onderzoek?

A.Onderzoek dat verhalen en persoonlijke ervaringen centraal stelt.
B.Onderzoek dat statistische analyses uitvoert.
C.Onderzoek dat zich richt op kwantitatieve data.
D.Onderzoek dat alleen literatuurstudies omvat.

50. Hoe beïnvloedt de steekproefgrootte de onderzoeksresultaten?

A.Grotere steekproeven geven vaak betrouwbaardere resultaten.
B.Kleinere steekproeven zijn altijd beter.
C.De steekproefgrootte heeft geen invloed op de resultaten.
D.Steekproeven van dezelfde grootte zijn altijd vergelijkbaar.

51. Welke van de volgende uitspraken is onjuist over kwalitatief onderzoek?

A.Het heeft meestal kleinere, gerichte steekproeven.
B.Het vereist vaak subjectieve interpretatie.
C.Het genereert altijd kwantitatieve data.
D.Het biedt diepgaande inzichten.

52. Wat is de mediaan?

A.Het middelste getal in een reeks data.
B.Het gemiddelde van de data.
C.De frequentie van de hoogste waarde.
D.De variatie van de data.

53. Wat is het belangrijkste doel van narratief onderzoek?

A.Persoonlijke verhalen en ervaringen van deelnemers verzamelen
B.Statistische gegevens analyseren
C.Effecten van interventies meten
D.Observaties in natuurlijke omgevingen uitvoeren

54. Wat is een belangrijke eigenschap van kwantitatief onderzoek?

A.Het verzamelt numerieke gegevens.
B.Het richt zich op persoonlijke ervaringen.
C.Het gebruikt alleen tekstuele data.
D.Het vereist geen statistische analyse.

55. Welke van de volgende stellingen is waar over een steekproef?

A.Een steekproef moet altijd groter zijn dan de populatie.
B.Een steekproef kan representatief zijn voor de gehele populatie.
C.Een steekproef is altijd willekeurig gekozen.
D.Een steekproef mag nooit meer dan 10% van de populatie zijn.

56. Wat is een voorbeeld van een kwantitatieve analysemethode?

A.Inhoudsanalyse
B.Observatie
C.Regressieanalyse
D.Diepte-interview

Gerelateerde sets

Maak je eigen studieset

Upload een PDF, plak je notities of beschrijf een onderwerp – AI genereert flashcards, quizzen en meer in seconden.