Schaarste en keuzes maken examentraining

Een uitgebreide set flashcards over schaarste en keuzes maken, gericht op de eindexamen economie. Ideaal om je kennis te testen en te herhalen voor het examen.

NoahV0·48 flashcards·48 vragen
eindexameneconomicsmicro
0
Ken ik
1 / 48
0
Aan het leren
Voorkant

Wat is schaarste?

Tik om om te draaien
Achterkant

Schaarste betekent dat middelen beperkt zijn in vergelijking met de behoeften en wensen van mensen.

Tik om om te draaien
Ken ik
Aan het leren

Quiz(48 vragen)

Vraag 1 van 48

1. Wat betekent schaarste?

Termen in deze set(48)

Schaarste en middelen(16)

Wat is schaarste?

Schaarste betekent dat middelen beperkt zijn in vergelijking met de behoeften en wensen van mensen.

Voorbeeld van schaarste?

Bijvoorbeeld: een tekort aan water in een droge zomer.

Wat zijn middelen?

Middelen zijn alles wat gebruikt kan worden om behoeften te vervullen, zoals geld, tijd en grondstoffen.

Waar ontstaat schaarste uit?

Schaarste ontstaat uit beperkte middelen en onbegrensde behoeften.

Schaarste → keuze. Waarom?

Omdat je moet kiezen welke behoefte je bevredigt met beperkte middelen.

Wat is een voorbeeld van een economisch goed?

Een auto is een economisch goed, omdat het beperkt beschikbaar is.

Waarvoor staan 'productieve middelen'?

Productieve middelen zijn de middelen die gebruikt worden om goederen en diensten te produceren: arbeid, kapitaal, natuur.

Vul in: Schaarste leidt tot ______.

Schaarste leidt tot keuzes en prioriteiten stellen.

Is geld een middel?

Ja, geld is een middel om goederen en diensten te kopen.

Vergelijking: natuurlijke middelen vs. geproduceerde middelen?

Natuurlijke middelen zijn van de natuur (bijv. olie), geproduceerde middelen zijn door mensen gemaakt (bijv. machines).

Wat is het gevolg van schaarste op de prijs?

Bij schaarste stijgen de prijzen, omdat de vraag groter is dan het aanbod.

Wat zijn alternatieve kosten?

Alternatieve kosten zijn wat je moet opofferen om een keuze te maken, bijvoorbeeld tijd of geld.

Voorbeeld van een beperkte bron?

Een voorbeeld van een beperkte bron is fossiele brandstof.

Wat zijn consumptiegoederen?

Consumptiegoederen zijn goederen die direct door consumenten worden gebruikt, zoals voedsel en kleding.

Wat is een voorbeeld van een dienst?

Een kapper die haar knipt, is een voorbeeld van een dienst.

Schaarste → innovaties. Waarom?

Omdat bedrijven gedreven worden om efficiënter te produceren en nieuwe oplossingen te vinden.

Keuzes maken(16)

Wat zijn opportuniteitskosten?

De kosten van de beste alternatieve keuze die je niet maakt. Bijvoorbeeld: als je €50 uitgeeft aan een concert, zijn de opportuniteitskosten de andere dingen die je met dat geld had kunnen doen.

Voorbeeld van schaarste?

Slechts 20 fietsen beschikbaar, maar 50 mensen willen fietsen. Schaarste betekent dat niet iedereen een fiets kan krijgen.

Waaruit bestaat de keuze onder schaarste?

Kiezen tussen alternatieven, rekening houdend met kosten en baten. - Prioriteiten stellen - Afweging maken

Wat zijn directe kosten?

Kosten die direct aan een keuze verbonden zijn. Voorbeeld: €20 voor een filmkaartje.

Wat zijn indirecte kosten?

Kosten die niet direct zichtbaar zijn. Voorbeeld: tijd verloren door naar de film te gaan.

Wat zijn vaste en variabele kosten?

Vaste kosten blijven gelijk (bijv. huur), variabele kosten veranderen (bijv. brandstof).

Invloed van schaarste op keuzes?

Mensen moeten prioriteiten stellen. - Beperkte middelen dwingen tot afwegingen - Voorbeeld: kiezen tussen vakantie of nieuwe telefoon.

Wat is een kosten-batenanalyse?

Een methode om de voor- en nadelen van een keuze te vergelijken. - Voordelen in euro's - Kosten in euro's

Wat is de rol van prijzen bij keuzes?

Prijzen geven informatie over schaarste. - Hoge prijzen = schaarste - Lage prijzen = overvloed.

Vul de lege plek in: Schaarste leidt tot _______.

keuzeproblemen en prioritering.

Klopt deze uitspraak? "Alle keuzes zijn kosteloos."

Onjuist. Elke keuze heeft kosten in de vorm van tijd, geld of gemiste kansen.

Hoe zie je efficiëntie in keuzes?

Maximaliseren van nut of winst. Efficiëntie betekent dat middelen optimaal worden ingezet.

Voorbeeld van een keuze onder schaarste?

Je hebt €100 en moet kiezen tussen een nieuwe jas of uit eten. Welke kies je en waarom?

Wat zijn marginale kosten?

De kosten van het extra maken of kopen van één eenheid. Bijvoorbeeld: €10 voor een extra biertje.

Waarom maken mensen irrationele keuzes?

Emoties, verkeerde informatie of sociale druk kunnen de besluitvorming beïnvloeden.

Wat is een voorbeeld van ruil?

Ik ruil mijn oude boek voor jouw spel. Beide partijen geven iets op voor een voordeel.

Markt en prijsmechanisme(16)

Wat is schaarste?

Schaarste betekent dat de beschikbare middelen beperkt zijn in vergelijking met de onbeperkte menselijke behoeften.

Hoe beïnvloedt schaarste de prijs?

Bij schaarste stijgt de prijs omdat de vraag groter is dan het aanbod.

Waaruit bestaat het prijsmechanisme?

Het prijsmechanisme bestaat uit vraag en aanbod die samen de marktprijs bepalen.

Vul in: Als de vraag toeneemt, dan ________ de prijs.

stijgt

Waarvoor staat de term 'evenwichtsprijs'?

De evenwichtsprijs is de prijs waarbij vraag en aanbod gelijk zijn.

Wat is een voorbeeld van een goed met hoge schaarste?

Zeldzame edelstenen, zoals diamanten, hebben een hoge schaarste.

Stelling: Een hogere prijs leidt altijd tot een lagere vraag.

Waar. Dit is de wet van de vraag.

Vraag en aanbod, wat is het verschil?

Vraag is de hoeveelheid die consumenten willen kopen; aanbod is wat producenten willen verkopen.

Wat gebeurt er bij een overschot?

Bij een overschot is het aanbod groter dan de vraag, waardoor prijzen dalen.

Noem een gevolg van een prijsdaling.

Een prijsdaling kan leiden tot een toename van de vraag naar het product.

Geef een voorbeeld van concurrerende producten.

Cola en Pepsi zijn concurrerende producten in de frisdrankmarkt.

Wat is de rol van consumenten in het prijsmechanisme?

Consumenten bepalen de vraag, wat de prijzen beïnvloedt.

Wat is een voorbeeld van een prijselasticiteit?

Als de prijs van een product met 10% stijgt, daalt de vraag met 20%.

Vul in: Hoe hoger de prijs, hoe ________ de aangeboden hoeveelheid.

groter

Wat zijn substituten?

Substituten zijn producten die elkaar kunnen vervangen, zoals boter en margarine.

Stelling: Een daling van de vraag leidt tot een stijging van de prijs.

Onwaar. Dit leidt tot een lagere prijs.

Vragen in deze set(48)

1. Wat betekent schaarste?

A.Middelen zijn beperkt ten opzichte van wensen.
B.Er is een overvloed aan middelen.
C.Mensen hebben altijd genoeg.
D.Middelen zijn gratis.

2. Wat betekent schaarste in de economie?

A.De beschikbaarheid van eindeloze middelen.
B.De situatie waarin middelen beperkt zijn.
C.De waarde van alle goederen samen.
D.De totale vraag naar producten.

3. Wat is schaarste?

A.Er zijn meer middelen dan vraag.
B.Er is een beperkt aanbod van middelen in verhouding tot de vraag.
C.Iedereen heeft altijd genoeg.
D.Er zijn geen kosten verbonden aan keuzes.

4. Welke van de volgende voorbeelden illustreert schaarste?

A.Te veel auto's op de weg.
B.Een tekort aan voedsel tijdens een hongersnood.
C.Een overvloed aan geld in de economie.
D.Voldoende water in de winter.

5. Wat gebeurt er met de prijs als er een tekort is?

A.De prijs daalt.
B.De prijs blijft gelijk.
C.De prijs stijgt.
D.De prijs fluctueert zonder reden.

6. Wat zijn directe kosten bij het kopen van een nieuwe fiets?

A.De prijs van de fiets zelf.
B.De tijd die je besteedt aan het zoeken.
C.De brandstofkosten om naar de winkel te gaan.
D.De waarde van je oude fiets.

7. Wat zijn productieve middelen?

A.Hulpmiddelen voor de consument.
B.Middelen die gebruikt worden voor productie.
C.Goederen die direct worden verbruikt.
D.Middelen die gratis zijn.

8. Wat is de evenwichtsprijs?

A.De prijs waarbij de vraag groter is dan het aanbod.
B.De prijs waarbij vraag en aanbod gelijk zijn.
C.De hoogste prijs die ooit is vastgesteld.
D.De prijs die consumenten willen betalen.

9. Wat zijn indirecte kosten bij het uit eten gaan?

A.De rekening voor het diner.
B.De tijd die je kwijt bent aan het wachten.
C.De kosten van vervoer naar het restaurant.
D.De fooi voor de ober.

10. Waarom leidt schaarste tot keuzes?

A.Omdat iedereen alles kan krijgen.
B.Omdat middelen onbeperkt zijn.
C.Omdat mensen prioriteiten moeten stellen.
D.Omdat keuzes geen gevolgen hebben.

11. Als de vraag naar een product toeneemt, wat gebeurt er met de prijs?

A.De prijs stijgt.
B.De prijs daalt.
C.De prijs blijft gelijk.
D.De prijs fluctueert.

12. Wat zijn vaste kosten?

A.Kosten die fluctueren met het gebruik.
B.Kosten die constant blijven ongeacht het gebruik.
C.Kosten die alleen in het begin voorkomen.
D.Kosten die je niet kunt plannen.

13. Wat is een economisch goed?

A.Een gratis product.
B.Een product met een hoge vraag en laag aanbod.
C.Een product dat beperkt beschikbaar is.
D.Een product dat altijd verkrijgbaar is.

14. Wat is een voorbeeld van een goed met een lage schaarste?

A.Diamanten.
B.Water in overvloed.
C.Zeldzame kunstwerken.
D.Sieraden van goud.

15. Wat zijn variabele kosten?

A.Kosten die fluctueren met het niveau van productie.
B.Kosten die altijd gelijk zijn.
C.Kosten die je niet kunt berekenen.
D.Kosten die alleen bij grote aankopen voorkomen.

16. Wat zijn alternatieve kosten?

A.De kosten van een product.
B.De tijd die je verspilt.
C.Wat je moet opofferen om een keuze te maken.
D.De belasting op een product.

17. Stelling: Een hogere prijs leidt tot een hogere vraag.

A.Waar.
B.Onwaar.
C.Afhankelijk van het product.
D.Alleen voor luxe goederen.

18. Hoe beïnvloedt schaarste keuzes?

A.Het verlaagt de prijzen van producten.
B.Het dwingt mensen om prioriteiten te stellen.
C.Het maakt keuzes gemakkelijker.
D.Het elimineert de noodzaak tot kiezen.

19. Wat is een voorbeeld van een consumptiegoed?

A.Een machine in een fabriek.
B.Een boek dat je leest.
C.Een fabriek zelf.
D.Een vrachtwagen.

20. Wat is de relatie tussen vraag en aanbod?

A.Vraag is wat producenten willen verkopen.
B.Aanbod is wat consumenten willen kopen.
C.Vraag is wat consumenten willen kopen; aanbod is wat producenten willen verkopen.
D.Vraag en aanbod zijn hetzelfde.

21. Wat houdt een kosten-batenanalyse in?

A.Het vergelijken van kosten en baten in euro's.
B.Het negeren van alle kosten.
C.Het maken van een beslissing zonder informatie.
D.Het slechts focussen op baten.

22. Wat is de relatie tussen schaarste en prijs?

A.Bij schaarste dalen de prijzen.
B.Bij schaarste blijven de prijzen gelijk.
C.Bij schaarste stijgen de prijzen.
D.Bij schaarste zijn er geen prijzen.

23. Wat gebeurt er bij een overschot op de markt?

A.De prijs stijgt.
B.De prijs daalt.
C.De vraag neemt toe.
D.De productie wordt stopgezet.

24. Wat zegt de prijs van een product over de schaarste?

A.Hogere prijzen wijzen op schaarste.
B.Lage prijzen betekenen altijd overvloed.
C.Prijzen zijn irrelevante informatie.
D.Prijzen veranderen niets aan de keuze.

25. Wat zijn natuurlijke middelen?

A.Middelen die door mensen zijn gemaakt.
B.Middelen die uit de natuur komen.
C.Middelen die gratis zijn.
D.Middelen die niet meer beschikbaar zijn.

26. Wat is een gevolg van een prijsstijging?

A.Een toename van het aanbod.
B.Een afname van de vraag.
C.Een stijging van de productie.
D.Geen effect op de markt.

27. Wat is een voorbeeld van een keuze onder schaarste?

A.Een gratis product kiezen.
B.Kiezen tussen een nieuwe laptop of een vakantie.
C.Een lange rij voor de kassa.
D.Een product dat niet populair is.

28. Wat is een voorbeeld van een beperkte bron?

A.Zonlicht.
B.Fossiele brandstoffen.
C.Lucht.
D.Zeezout.

29. Geef een voorbeeld van substituten.

A.Koffie en thee.
B.Brood en boter.
C.Auto's en benzine.
D.Papier en inkt.

30. Wat zijn marginale kosten?

A.De kosten van het maken van een extra eenheid.
B.De totale kosten van productie.
C.De kosten van verloren tijd.
D.De kosten die je niet kunt voorspellen.

31. Wat zijn geproduceerde middelen?

A.Middelen die in de natuur zijn gevonden.
B.Middelen die door mensen zijn gemaakt.
C.Middelen die nooit zijn gebruikt.
D.Middelen die niet meer beschikbaar zijn.

32. Wat is de rol van producenten in het prijsmechanisme?

A.Ze bepalen de vraag naar producten.
B.Ze beïnvloeden het aanbod van producten.
C.Ze verhogen de prijzen onterecht.
D.Ze zorgen voor schaarste.

33. Waarom maken mensen soms irrationele keuzes?

A.Omdat ze altijd de beste keuze maken.
B.Door emoties of verkeerde informatie.
C.Omdat ze geen keuzes hoeven te maken.
D.Door een gebrek aan keuzes.

34. Wat is geen voorbeeld van een dienst?

A.Een kapper die haar knipt.
B.Een restaurant dat maaltijden serveert.
C.Een auto die wordt verkocht.
D.Een accountant die belastingadvies geeft.

35. Wat is een voorbeeld van prijselasticiteit?

A.Als de prijs van melk met 5% stijgt, stijgt de vraag met 10%.
B.Als de prijs van een auto met 10% daalt, stijgt de vraag met 15%.
C.Als de prijs van brood met 20% stijgt, daalt de vraag met 5%.
D.Als de prijs van een product stijgt, heeft dit geen effect op de vraag.

36. Wat is een voorbeeld van ruil?

A.Een cadeau geven zonder iets terug te verwachten.
B.Je oude telefoon ruilen voor een nieuwe.
C.Het kopen van een product voor geld.
D.Het lenen van een boek van een vriend.

37. Hoe beïnvloedt schaarste innovaties?

A.Schaarste remt innovaties.
B.Schaarste stimuleert innovaties.
C.Schaarste heeft geen invloed op innovaties.
D.Innovaties zijn altijd beschikbaar.

38. Vul in: Hoe hoger de prijs, hoe ________ de aangeboden hoeveelheid.

A.kleiner.
B.gelijker.
C.groter.
D.variabeler.

39. Wat is een gevolg van schaarste?

A.Er zijn geen prioriteiten meer.
B.Mensen moeten keuzes maken.
C.Alle prijzen zijn gelijk.
D.Er is altijd overvloed.

40. Wat is een voorbeeld van een keuze die je moet maken door schaarste?

A.Je kiest tussen een nieuwe fiets of een vakantie.
B.Je koopt alles wat je wilt.
C.Je neemt niets mee naar school.
D.Je koopt alleen goedkope dingen.

41. Wat zijn complementaire goederen?

A.Goederen die elkaar kunnen vervangen.
B.Goederen die samen worden gebruikt.
C.Goederen die alleen door rijken worden gekocht.
D.Goederen die nooit samen verkocht worden.

42. Wat is een voorbeeld van een keuze die efficiëntie illustreert?

A.De goedkoopste optie kiezen zonder rekening te houden met kwaliteit.
B.De keuze die de meeste waarde oplevert voor de kosten.
C.Een beslissing nemen zonder enige informatie.
D.Een optie kiezen die geen kosten met zich meebrengt.

43. Wat is geen voorbeeld van een economisch goed?

A.Een smartphone.
B.Zorgdiensten.
C.Zonlicht.
D.Een auto.

44. Stelling: Een daling van de vraag leidt altijd tot een stijging van de prijs.

A.Waar.
B.Onwaar.
C.Alleen bij luxe goederen.
D.Bij alle producten.

45. Wat zijn opportuniteitskosten?

A.De kosten van de beste alternatieve keuze die je niet maakt.
B.De totale kosten van alle keuzes die je maakt.
C.De kosten van een product dat je hebt gekocht.
D.De kosten die alleen in tijd worden uitgedrukt.

46. Waarom is geld een middel?

A.Omdat je het kunt uitgeven aan goederen en diensten.
B.Omdat het gratis is.
C.Omdat het geen waarde heeft.
D.Omdat je er niets mee kunt kopen.

47. Wat is de impact van een stijging van het aanbod op de prijs in een competitieve markt?

A.De prijs zal dalen.
B.De prijs zal stijgen.
C.De prijs blijft gelijk.
D.De prijs zal fluctueren zonder patroon.

48. Welke van de volgende opties is GEEN voorbeeld van schaarste?

A.Een beperkte voorraad van een populaire smartphone.
B.Een gratis evenement waar iedereen kan deelnemen.
C.Slechts 10 zitplaatsen in een restaurant, terwijl 20 mensen willen binnenkomen.
D.Een zeldzame postzegel die moeilijk te vinden is.

Gerelateerde sets

Maak je eigen studieset

Upload een PDF, plak je notities of beschrijf een onderwerp – AI genereert flashcards, quizzen en meer in seconden.