Frans tijden mix flashcards

Deze flashcards bevatten belangrijke Franse woorden en zinnen, gericht op het eindexamen. Ze zijn ontworpen om leerlingen in Nederland te helpen met leren, met alledaagse onderwerpen zoals euro's, kilometers en graden Celsius.

LuukP0·30 fiszki·27 pytania·1 wyświetleń
eindexamenlanguagesfrench
0
Umiem
1 / 30
0
Uczę się
Przód

le temps

Kliknij, aby odwrócić
Tył

de tijd

Kliknij, aby odwrócić
Umiem
Uczę się

Quiz(27 pytania)

Pytanie 1 z 27

1. Wat betekent 'le temps'?

Pojęcia w tym zestawie(30)

le temps

de tijd

manger

eten

chaud

heet

l'argent

het geld

une heure

een uur

le kilomètre

de kilometer

beau

mooi

prendre

nemen

aujourd'hui

vandaag

demain

morgen

froid

koud

la température

de temperatuur

à quelle heure?

hoe laat?

un euro

een euro

le matin

de ochtend

la nuit

de nacht

vite

snel

lent

langzaam

cinq minutes

vijf minuten

demander

vragen

répondre

antwoorden

lundi

maandag

le weekend

het weekend

souvent

vaak

parfois

soms

rarement

zelden

le soir

de avond

l'après-midi

de middag

ne pas oublier

niet vergeten

savoir

weten

Pytania w tym zestawie(27)

1. Wat betekent 'le temps'?

A.de tijd
B.de temperatuur
C.de nacht
D.de ochtend

2. Welk woord betekent 'eten'?

A.manger
B.prendre
C.demander
D.répondre

3. Wat betekent 'chaud'?

A.koud
B.heet
C.mooi
D.snel

4. Wat betekent 'l'argent'?

A.de euro
B.het geld
C.de kilometer
D.de tijd

5. Wat betekent 'une heure'?

A.een minuut
B.een euro
C.een uur
D.een dag

6. Wat betekent 'le kilomètre'?

A.de kilometer
B.de tijd
C.de temperatuur
D.de nacht

7. Welk woord betekent 'mooi'?

A.beau
B.froid
C.chaud
D.vite

8. Wat betekent 'demander'?

A.vragen
B.antwoorden
C.weten
D.nemen

9. Wat betekent 'répondre'?

A.antwoorden
B.vragen
C.nemen
D.eten

10. Wat betekent 'aujourd'hui'?

A.gisteren
B.morgen
C.vandaag
D.de dag

11. Welk woord betekent 'morgen'?

A.demain
B.aujourd'hui
C.lundi
D.le soir

12. Wat betekent 'froid'?

A.heet
B.koud
C.mooi
D.snel

13. Wat betekent 'la température'?

A.de tijd
B.de temperatuur
C.de euro
D.de kilometer

14. Wat betekent 'à quelle heure?'?

A.hoe laat?
B.hoeveel?
C.waar?
D.wanneer?

15. Wat betekent 'un euro'?

A.een euro
B.een cent
C.een dollar
D.een pond

16. Wat betekent 'le matin'?

A.de middag
B.de nacht
C.de ochtend
D.de avond

17. Wat betekent 'la nuit'?

A.de ochtend
B.de avond
C.de nacht
D.de middag

18. Wat betekent 'vite'?

A.snel
B.langzaam
C.vaak
D.soms

19. Wat betekent 'lent'?

A.snel
B.langzaam
C.vaak
D.soms

20. Wat betekent 'cinq minutes'?

A.vijf seconden
B.vijf uur
C.vijf minuten
D.vijf dagen

21. Wat betekent 'souvent'?

A.soms
B.vaak
C.zelden
D.nooit

22. Wat betekent 'parfois'?

A.soms
B.vaak
C.zelden
D.nooit

23. Wat betekent 'rarement'?

A.nooit
B.soms
C.vaak
D.zelden

24. Wat betekent 'le soir'?

A.de middag
B.de nacht
C.de ochtend
D.de avond

25. Wat betekent 'l'après-midi'?

A.de ochtend
B.de middag
C.de nacht
D.de avond

26. Wat betekent 'ne pas oublier'?

A.niet vergeten
B.niet weten
C.niet nemen
D.niet vragen

27. Wat betekent 'savoir'?

A.weten
B.vragen
C.antwoorden
D.nemen

Powiązane zestawy

Stwórz własny zestaw

Wgraj PDF, wklej notatki lub opisz temat – AI wygeneruje fiszki, quizy i więcej w kilka sekund.