Overhoren: d en t in werkwoorden

Overhoren van d en t in werkwoorden met voorbeelden.

SemD8·19 fiszki·14 pytania·1 wyświetleń
onderbouwlanguage_artsorthography
0
Umiem
1 / 19
0
Uczę się
Przód

Wat is de regel voor d en t?

Kliknij, aby odwrócić
Tył

Bij regelmatige werkwoorden, als de stam eindigt op een /t/, schrijf je 't'.

Kliknij, aby odwrócić
Umiem
Uczę się

Quiz(14 pytania)

Pytanie 1 z 14

1. Wat is de verleden tijd van 'werken'?

Pojęcia w tym zestawie(19)

Wat is de regel voor d en t?

Bij regelmatige werkwoorden, als de stam eindigt op een /t/, schrijf je 't'.

Geef een voorbeeld van een werkwoord met 't'.

'Werken' wordt 'werkte' in de verleden tijd.

Geef een voorbeeld van een werkwoord met 'd'.

'Bellen' wordt 'belde' in de verleden tijd.

Vul aan: Hij _____ (werken) gisteren.

Hij werkte gisteren.

Vul aan: Wij _____ (bellen) haar later.

Wij belden haar later.

Is dit juist? 'Hij loopt snel.'

Ja, dat is juist. 'Loopt' heeft een t.

Is dit juist? 'Zij fietst naar school.'

Ja, dat is juist. 'Fietst' heeft een t.

Wat schrijf je bij 'jij' voor 'werken'?

'Jij werkt' met een t.

Wat schrijf je bij 'jij' voor 'bellen'?

'Jij belt' met een t.

Waar eindigt de stam op om 'd' te krijgen?

De stam eindigt op een klinker of een andere medeklinker die geen t is.

Geef een voorbeeld van een verleden tijd met d.

'Leren' wordt 'leerde' in de verleden tijd.

Wat is de verleden tijd van 'fietsen'?

'Fietste' is de verleden tijd.

Is dit juist? 'Zij werkt elke dag.'

Ja, dat is juist. 'Werkt' heeft een t.

Wat is de stam van 'bellen'?

De stam is 'bel'.

Vul aan: Zij _____ (fietsen) naar huis.

Zij fietste naar huis.

Is dit juist? 'Hij belde gisteren.'

Ja, dat is juist. 'Belde' heeft een d.

Wat is de regel voor 't kofschip'?

Als de stam eindigt op t of k, gebruik je t.

Wat schrijf je bij 'ik' voor 'werken'?

'Ik werk' met een t.

Geef een voorbeeld van een werkwoord met d.

'Lachten' wordt 'lachte' in de verleden tijd.

Pytania w tym zestawie(14)

1. Wat is de verleden tijd van 'werken'?

A.werkte
B.werktee
C.werked
D.werkt

2. Is 'hij belde' juist?

A.Ja
B.Nee
C.Misschien
D.Dat weet ik niet

3. Wat is de stam van 'fietsen'?

A.fiets
B.fiet
C.fietst
D.fietste

4. Bij welke stam gebruik je een d?

A.bel
B.werk
C.loop
D.fiet

5. Wat is de verleden tijd van 'lachen'?

A.lachte
B.lachten
C.lachde
D.lachter

6. Is 'zij fietst naar school' juist?

A.Ja
B.Nee
C.Misschien
D.Dat weet ik niet

7. Wat schrijf je bij 'jij' voor 'werken'?

A.werkt
B.werkte
C.werked
D.werk

8. Wat is de verleden tijd van 'bellen'?

A.belde
B.belden
C.beld
D.bellen

9. Bij welke stam gebruik je een t?

A.fiet
B.bel
C.werk
D.lach

10. Is 'zij belden gisteren' juist?

A.Ja
B.Nee
C.Misschien
D.Dat weet ik niet

11. Wat is de stam van 'leren'?

A.leer
B.leren
C.leerde
D.ler

12. Wat schrijf je bij 'ik' voor 'bellen'?

A.ik bel
B.ik bellen
C.ik belde
D.ik beling

13. Wat is de verleden tijd van 'fietsen'?

A.fietste
B.fietst
C.fiet
D.fieten

14. Bij welke stam gebruik je een d?

A.werk
B.bel
C.fiet
D.loop

Powiązane zestawy

Stwórz własny zestaw

Wgraj PDF, wklej notatki lub opisz temat – AI wygeneruje fiszki, quizy i więcej w kilka sekund.