Woordjes: Frans woordenschat economie

Deze woordenlijst bevat belangrijke Franse termen en uitdrukkingen met betrekking tot economie, gericht op het eindexamen. Leer de essentiële vocabulaire die je nodig hebt om economische concepten in het Frans te begrijpen.

BramSparrow·36 flashcards·36 vragen
eindexamenlanguagesfrench
0
Ken ik
1 / 36
0
Aan het leren
Voorkant

l'économie

Tik om om te draaien
Achterkant

de economie

Tik om om te draaien
Ken ik
Aan het leren

Quiz(36 vragen)

Vraag 1 van 36

1. What does 'financement' mean?

Termen in deze set(36)

Basis economie(16)

l'économie

de economie

le marché

de markt

la demande

de vraag

l'offre

het aanbod

produire

produceren

consommer

consumeren

les producteurs

de producenten

les consommateurs

de consumenten

le prix

de prijs

la concurrence

de concurrentie

investir

investeren

croître

groeien

le salaire

het salaris

le produit intérieur brut (PIB)

het bruto binnenlands product (BBP)

le coût

de kost

l'inflation

de inflatie

Financiële termen(12)

financement

financiering

investissement

investering

crédit

krediet

dette publique

publieke schuld

bilan

balans

taux d'intérêt

rentevoet

actif

actief

passif

passief

capital

kapitaal

profit

winst

remboursement

terugbetaling

expansion économique

economische groei

Markt en handel(8)

marché

markt

commerce

handel

vendeur

verkoper

acheter

kopen

prix

prijs

client

klant

offre et demande

aanbod en vraag

produit

product

Vragen in deze set(36)

1. What does 'financement' mean?

A.financiering
B.investering
C.winst
D.kapitaal

2. What does 'l'économie' mean?

A.de economie
B.de markt
C.de vraag
D.het aanbod

3. What does 'marché' mean?

A.markt
B.product
C.prijs
D.client

4. Which word means 'investering'?

A.bilan
B.dettes publique
C.investissement
D.passif

5. Which word means 'de markt'?

A.l'offre
B.le marché
C.la demande
D.les producteurs

6. Which word means 'handel'?

A.acheter
B.vendeur
C.commerce
D.produit

7. What does 'crédit' mean?

A.schuld
B.krediet
C.kapitaal
D.winst

8. What is the meaning of 'la demande'?

A.de vraag
B.de concurrentie
C.de prijs
D.de consumenten

9. What does 'vendeur' mean?

A.koper
B.verkoper
C.prijs
D.markt

10. Which word means 'publieke schuld'?

A.actief
B.taux d'intérêt
C.dette publique
D.remboursement

11. Which term refers to 'de producenten'?

A.les consommateurs
B.les producteurs
C.le coût
D.l'inflation

12. Which word means 'kopen'?

A.produit
B.prix
C.acheter
D.client

13. What does 'bilan' mean?

A.balans
B.winst
C.rentevoet
D.investering

14. What does 'le prix' refer to?

A.de prijs
B.de kost
C.de vraag
D.de markt

15. What does 'prix' mean?

A.prijs
B.markt
C.product
D.commerce

16. Which word means 'rentevoet'?

A.profit
B.taux d'intérêt
C.expansion économique
D.crédit

17. What is meant by 'l'offre'?

A.de concurrentie
B.het aanbod
C.de groei
D.de vraag

18. Which word means 'klant'?

A.vendeur
B.client
C.offre
D.demande

19. What does 'actif' mean?

A.actief
B.passief
C.kapitaal
D.winst

20. Which word means 'consumeren'?

A.produire
B.investir
C.consommer
D.croître

21. What does 'offre et demande' mean?

A.aanbod en vraag
B.markt en handel
C.prijs en product
D.koper en verkoper

22. Which word means 'passief'?

A.remboursement
B.dettes publique
C.passif
D.bilan

23. What does 'la concurrence' imply?

A.de concurrentie
B.de economie
C.de vraag
D.de producenten

24. Which word means 'product'?

A.prix
B.produit
C.acheter
D.commerce

25. What does 'capital' mean?

A.kapitaal
B.winst
C.investeringsfonds
D.rentevoet

26. What is the meaning of 'investir'?

A.groeien
B.produceren
C.investeren
D.consumeren

27. Which word means 'winst'?

A.profit
B.remboursement
C.actief
D.investissement

28. Which term refers to 'de kost'?

A.le coût
B.le salaire
C.l'inflation
D.le PIB

29. What does 'remboursement' mean?

A.terugbetaling
B.investering
C.schuld
D.kapitaal

30. What does 'croître' mean?

A.de groei
B.de prijs
C.groeien
D.de vraag

31. Which word means 'economische groei'?

A.expansion économique
B.dette publique
C.aktief
D.bilan

32. Which word means 'de inflatie'?

A.l'offre
B.l'inflation
C.le salaire
D.le coût

33. What is 'le produit intérieur brut (PIB)'?

A.het bruto binnenlands product
B.de concurrentie
C.de vraag
D.de economie

34. Which term refers to 'de consumenten'?

A.les producteurs
B.les consommateurs
C.l'offre
D.le prix

35. What does 'le salaire' mean?

A.de kost
B.het salaris
C.de vraag
D.de markt

36. Wat betekent 'produire'?

A.produceren
B.concurreren
C.investeren
D.consumeren

Gerelateerde sets

Maak je eigen studieset

Upload een PDF, plak je notities of beschrijf een onderwerp – AI genereert flashcards, quizzen en meer in seconden.