Woordjes: Frans routine

Deze flashcards zijn gericht op alledaagse Franse woorden en zinnen die gebruikt worden in de routine van een bovenbouwleerling. De quizvragen helpen de leerling om de betekenis van de woorden te oefenen.

JesseHendriks·26 flashcards·13 vragen
bovenbouwlanguagesfrench
0
Ken ik
1 / 26
0
Aan het leren
Voorkant

se réveiller

Tik om om te draaien
Achterkant

opstaan

Tik om om te draaien
Ken ik
Aan het leren

Quiz(13 vragen)

Vraag 1 van 13

1. Wat betekent 'se réveiller'?

Termen in deze set(26)

se réveiller

opstaan

se brosser les dents

tanden poetsen

prendre le petit déjeuner

ontbijt nemen

aller à l'école

naar school gaan

faire ses devoirs

huiswerk maken

se doucher

douchen

manger le déjeuner

lunch eten

rentrer chez soi

thuis komen

regarder la télévision

televisie kijken

aller se coucher

gaan slapen

lire un livre

een boek lezen

faire du sport

sporten

écouter de la musique

muziek luisteren

se vêtir

zich aankleden

faire la vaisselle

de afwas doen

préparer le dîner

diner voorbereiden

aller au cinéma

naar de bioscoop gaan

prendre une douche

een douche nemen

faire la cuisine

koken

faire une promenade

een wandeling maken

acheter des provisions

boodschappen doen

se détendre

ontspannen

envoyer un message

een bericht sturen

jouer à des jeux vidéo

videospellen spelen

faire une sieste

een dutje doen

se réveiller tôt

vroeg opstaan

Vragen in deze set(13)

1. Wat betekent 'se réveiller'?

A.opstaan
B.douchen
C.de afwas doen
D.gaan slapen

2. Welk woord betekent 'huiswerk maken'?

A.faire ses devoirs
B.manger le déjeuner
C.regarder la télévision
D.faire du sport

3. Wat betekent 'prendre le petit déjeuner'?

A.ontbijt nemen
B.lunch eten
C.thuis komen
D.een boek lezen

4. Welk woord betekent 'koken'?

A.faire la cuisine
B.préparer le dîner
C.faire la vaisselle
D.se vêtir

5. Wat betekent 'aller à l'école'?

A.naar school gaan
B.van school komen
C.snel ontbijten
D.een wandeling maken

6. Welk woord betekent 'een bericht sturen'?

A.envoyer un message
B.acheter des provisions
C.faire des devoirs
D.regarder la télévision

7. Wat betekent 'faire du sport'?

A.sporten
B.een boek lezen
C.maken van huiswerk
D.gaan slapen

8. Welk woord betekent 'ontspannen'?

A.se détendre
B.se réveiller
C.faire une promenade
D.jouer à des jeux vidéo

9. Wat betekent 'regarder la télévision'?

A.televisie kijken
B.een film maken
C.een boek lezen
D.lunch nemen

10. Welk woord betekent 'douchen'?

A.se doucher
B.se réveiller
C.se vêtir
D.faire la cuisine

11. Wat betekent 'faire une sieste'?

A.een dutje doen
B.een boek lezen
C.sporten
D.een film kijken

12. Welk woord betekent 'een wandeling maken'?

A.faire une promenade
B.faire ses devoirs
C.manger le déjeuner
D.faire la vaisselle

13. Wat betekent 'préparer le dîner'?

A.diner voorbereiden
B.ontbijt nemen
C.naar school gaan
D.sporten

Gerelateerde sets

Maak je eigen studieset

Upload een PDF, plak je notities of beschrijf een onderwerp – AI genereert flashcards, quizzen en meer in seconden.