Vocabulaire: Engels sport
Deze set bevat woorden en zinnen gerelateerd aan sport in het Engels, met een focus op de bovenbouw leerlingen. De kaarten bevatten termen die relevant zijn voor dagelijkse conversaties over sport.
Quiz(17 vragen)
1. Wat betekent football?
Termen in deze set(30)
football
voetbal
basketball
basketbal
swimming
zwemmen
running
hardlopen
tennis
tennis
team
team
coach
coach
score
score
competition
wedstrijd
exercise
oefening
athlete
atleet
championship
kampioenschap
training
training
goal
doel
referee
scheidsrechter
match
wedstrijd
sport equipment
sportuitrusting
fitness
fitheid
strength
kracht
endurance
uithoudingsvermogen
strategy
strategie
tournament
toernooi
fan
fan
medal
medaille
record
record
victory
overwinning
defeat
nederlaag
routine
routine
sponsor
sponsor
goalkeeper
doelman
Vragen in deze set(17)
1. Wat betekent football?
2. Welk woord betekent coach?
3. Wat betekent endurance?
4. Welk woord betekent overwinning?
5. Wat betekent exercise?
6. Welk woord betekent medaille?
7. Wat betekent referee?
8. Welk woord betekent training?
9. Wat betekent strength?
10. Welk woord betekent toernooi?
11. Wat betekent fan?
12. Welk woord betekent doel?
13. Wat betekent athlete?
14. Welk woord betekent competitie?
15. Wat betekent score?
16. Welk woord betekent kracht?
17. Wat betekent match?
Gerelateerde sets
Angielski A2 – Słówka: dom i rodzina
Englisch Relativsätze Karteikarten
Wörter: Englisch Abitur Kommentar Aufbau
Vokabeln: Englisch Adjektivsteigerung
Englisch Abitur analysis verbs Karteikarten
Englisch Abitur Zusammenfassung
Englisch Abitur Mediation
Wörter: Englisch some any much many
Maak je eigen studieset
Upload een PDF, plak je notities of beschrijf een onderwerp – AI genereert flashcards, quizzen en meer in seconden.

