Vocabulaire: Engels past simple

Woordenlijst met het Engels verleden tijd (past simple) voor leerlingen in de bovenbouw.

SemHeron·32 flashcards·22 vragen
bovenbouwlanguagesenglish
0
Ken ik
1 / 32
0
Aan het leren
Voorkant

walked

Tik om om te draaien
Achterkant

wandelde

Tik om om te draaien
Ken ik
Aan het leren

Quiz(22 vragen)

Vraag 1 van 22

1. Wat betekent 'walked'?

Termen in deze set(32)

Engels verleden tijd - Deel 1(16)

walked

wandelde

played

speelde

visited

bezocht

cooked

kookte

talked

praatte

saw

zag

went

ging

had

had

made

maakte

wrote

schreef

danced

danste

cleaned

schoonde

studied

studeerde

found

vond

bought

kocht

thought

dacht

Engels verleden tijd - Deel 2(16)

took

nam

spoke

sprak

sat

zat

ran

rende

drew

teken

drank

dronk

flew

vloog

caught

ving

forgot

vergat

gave

gaf

began

begon

understood

snapte

drove

reed

built

bouwde

said

zei

left

verliet

Vragen in deze set(22)

1. Wat betekent 'walked'?

A.wandelde
B.sprak
C.teken
D.maakte

2. Welk woord betekent 'speelde'?

A.played
B.wrote
C.had
D.zag

3. Wat betekent 'cooked'?

A.kookte
B.drank
C.ging
D.studeerde

4. Welk woord betekent 'bezocht'?

A.visited
B.maakte
C.sprak
D.verliet

5. Wat betekent 'danced'?

A.danste
B.vond
C.had
D.gemaakt

6. Welk woord betekent 'verliet'?

A.left
B.bouwde
C.moest
D.vond

7. Wat betekent 'thought'?

A.dacht
B.nam
C.ging
D.had

8. Welk woord betekent 'gaf'?

A.gave
B.maakte
C.verliet
D.teken

9. Wat betekent 'saw'?

A.zag
B.sprak
C.bouwde
D.studieerde

10. Welk woord betekent 'vloog'?

A.flew
B.had
C.vergat
D.maakte

11. Wat betekent 'ran'?

A.rende
B.maakte
C.sprak
D.studeerde

12. Welk woord betekent 'bouwde'?

A.built
B.verliet
C.dronk
D.sprak

13. Wat betekent 'began'?

A.begon
B.sprak
C.vond
D.had

14. Welk woord betekent 'drank'?

A.drank
B.maakte
C.ging
D.sprak

15. Wat betekent 'forgot'?

A.vergat
B.zag
C.dronk
D.had

16. Welk woord betekent 'sprak'?

A.spoke
B.maakte
C.studeerde
D.was

17. Wat betekent 'took'?

A.nam
B.zag
C.werd
D.gaf

18. Welk woord betekent 'had'?

A.had
B.drank
C.maakte
D.sprak

19. Wat betekent 'said'?

A.zei
B.maakte
C.doet
D.werd

20. Welk woord betekent 'ging'?

A.went
B.sprak
C.drank
D.zag

21. Wat betekent 'cleaned'?

A.schoonde
B.maakte
C.studieerde
D.sprak

22. Welk woord betekent 'studieerde'?

A.studied
B.had
C.sprak
D.was

Gerelateerde sets

Maak je eigen studieset

Upload een PDF, plak je notities of beschrijf een onderwerp – AI genereert flashcards, quizzen en meer in seconden.