Vocabulaire: Engels huis

Deze set flashcards en quizvragen is gericht op de basiswoorden en zinnen in het Engels die verband houden met een huis. Dit is bedoeld voor leerlingen in de onderbouw die Engels leren.

HeronJulia4·26 flashcards·13 vragen
onderbouwlanguagesenglish
0
Ken ik
1 / 26
0
Aan het leren
Voorkant

house

Tik om om te draaien
Achterkant

huis

Tik om om te draaien
Ken ik
Aan het leren

Quiz(13 vragen)

Vraag 1 van 13

1. Wat betekent 'window'?

Termen in deze set(26)

house

huis

window

venster

door

deur

roof

dak

floor

vloer

kitchen

keuken

bathroom

badkamer

living room

woonkamer

bedroom

slaapkamer

garden

tuin

furniture

meubels

table

tafel

chair

stoel

sofa

bank

shelf

plank

light

licht

to clean

schoonmaken

to cook

koken

to sleep

slapen

to read

lezen

comfortable

comfortabel

small

klein

big

groot

beautiful

mooi

messy

rommelig

quiet

rustig

Vragen in deze set(13)

1. Wat betekent 'window'?

A.venster
B.deur
C.dak
D.vloer

2. Welk woord betekent 'slaapkamer'?

A.kitchen
B.bedroom
C.garden
D.living room

3. Wat betekent 'to cook'?

A.leiden
B.koken
C.slapen
D.leiden

4. Welk woord betekent 'tuin'?

A.garden
B.sofa
C.shelf
D.table

5. Wat betekent 'comfortable'?

A.comfortabel
B.rommelig
C.mooi
D.klein

6. Welk woord betekent 'bank'?

A.chair
B.sofa
C.table
D.shelf

7. Wat betekent 'to clean'?

A.schoonmaken
B.koken
C.lezen
D.slapen

8. Welk woord betekent 'licht'?

A.window
B.light
C.door
D.roof

9. Wat betekent 'badkamer'?

A.kitchen
B.bathroom
C.living room
D.garden

10. Welk woord betekent 'vloer'?

A.floor
B.roof
C.shelf
D.chair

11. Wat betekent 'rommelig'?

A.messy
B.beautiful
C.quiet
D.big

12. Welk woord betekent 'meubels'?

A.furniture
B.floor
C.roof
D.light

13. Wat betekent 'grote'?

A.small
B.big
C.beautiful
D.quiet

Gerelateerde sets

Maak je eigen studieset

Upload een PDF, plak je notities of beschrijf een onderwerp – AI genereert flashcards, quizzen en meer in seconden.