Vocabulaire: Engels eindexamen inleiding

Deze set bevat belangrijke Engelse woorden en zinnen voor het eindexamen. Het helpt leerlingen om hun vocabulaire te vergroten en zich voor te bereiden op de Engelse taal.

LucasVanDijkg9·51 flashcards·21 vragen
eindexamenlanguagesenglish
0
Ken ik
1 / 51
0
Aan het leren
Voorkant

apple

Tik om om te draaien
Achterkant

appel

Tik om om te draaien
Ken ik
Aan het leren

Quiz(21 vragen)

Vraag 1 van 21

1. Wat betekent apple?

Termen in deze set(51)

Engels Vocabulaire Set 1(26)

apple

appel

beautiful

mooi

to run

rennen

happy

blij

book

boek

to eat

eten

car

auto

to study

studeren

good

goed

house

huis

to think

denken

strong

sterk

friend

vriend

to travel

reizen

fast

snel

school

school

to write

schrijven

tall

lang

city

stad

to speak

spreken

small

klein

water

water

to play

spelen

old

oud

teacher

docent

to listen

luisteren

Engels Vocabulaire Set 2(25)

happy

blij

difficult

moeilijk

to walk

lopen

sad

verdrietig

food

voedsel

to see

zien

big

groot

family

familie

to help

helpen

young

jong

door

deur

to read

lezen

cold

koud

phone

telefoon

to find

vinden

bright

helder

road

weg

to teach

onderwijzen

dark

donker

garden

tuin

to buy

kopen

near

dichtbij

far

ver

computer

computer

to give

geven

Vragen in deze set(21)

1. Wat betekent apple?

A.appel
B.boek
C.kamer
D.auto

2. Welk woord betekent mooi?

A.beautiful
B.moeilijk
C.groot
D.klein

3. Wat betekent to run?

A.rennen
B.lopen
C.springen
D.zwemmen

4. Welk woord betekent blij?

A.happy
B.verdrietig
C.moeilijk
D.snel

5. Wat betekent car?

A.auto
B.fiets
C.bus
D.trein

6. Welk woord betekent goed?

A.good
B.slecht
C.mooi
D.oud

7. Wat betekent to study?

A.studeren
B.werken
C.lezen
D.schrijven

8. Welk woord betekent vriend?

A.friend
B.kollega
C.buurman
D.neef

9. Wat betekent to eat?

A.eten
B.koken
C.snijden
D.serveren

10. Welk woord betekent sterk?

A.strong
B.zwak
C.groot
D.klein

11. Wat betekent to write?

A.schrijven
B.lezen
C.studeren
D.denken

12. Welk woord betekent huis?

A.house
B.kamer
C.tuin
D.dorp

13. Wat betekent city?

A.stad
B.dorp
C.wijk
D.plek

14. Welk woord betekent voedsel?

A.food
B.drank
C.snack
D.maaltijd

15. Wat betekent to travel?

A.reizen
B.lopen
C.rijden
D.blijven

16. Welk woord betekent school?

A.school
B.universiteit
C.bibliotheek
D.klas

17. Wat betekent teacher?

A.docent
B.leerling
C.klasgenoot
D.ouder

18. Welk woord betekent koud?

A.cold
B.warm
C.heet
D.fris

19. Wat betekent young?

A.jong
B.oud
C.nieuw
D.mooi

20. Welk woord betekent groot?

A.big
B.klein
C.smal
D.dik

21. Wat betekent garden?

A.tuin
B.park
C.bos
D.land

Gerelateerde sets

Maak je eigen studieset

Upload een PDF, plak je notities of beschrijf een onderwerp – AI genereert flashcards, quizzen en meer in seconden.