Spaans onregelmatige werkwoorden woordjes

Deze set bevat een woordenlijst van onregelmatige werkwoorden in het Spaans, met korte vertalingen en voorbeelden, essentieel voor eindexamenleerlingen die zich voorbereiden op hun Spaanse taalvaardigheid.

LiamVisser·48 flashcards·48 vragen
eindexamenlanguagesspanish
0
Ken ik
1 / 48
0
Aan het leren
Voorkant

ser

Tik om om te draaien
Achterkant

zijn

Tik om om te draaien
Ken ik
Aan het leren

Quiz(48 vragen)

Vraag 1 van 48

1. Wat betekent 'ser'?

Termen in deze set(48)

Basis onregelmatige werkwoorden(16)

ser

zijn

ir

gaan

tener

hebben

venir

komen

hacer

doen

decir

zeggen

ver

zien

dar

geven

poder

kunnen

saber

weten

estar

zijn (tijdelijk)

caber

passen

andar

wandelen

traducir

vertalen

morir

sterven

sentir

voelen

Verleden tijd onregelmatige werkwoorden(16)

fui

ik was

fuiste

jij was

fue

hij/zij/het was

fuimos

wij waren

fuisteis

jullie waren

fueron

zij waren

tuve

ik had

tuviste

jij had

tuvo

hij/zij/het had

tuvimos

wij hadden

tuvisteis

jullie hadden

tuvieron

zij hadden

hice

ik deed

hiciste

jij deed

hizo

hij/zij/het deed

hicimos

wij deden

Toekomstige tijd en onregelmatigheden(16)

hablaré

ik zal spreken

tendré

ik zal hebben

iré

ik zal gaan

haré

ik zal doen

estaré

ik zal zijn

diré

ik zal zeggen

vendré

ik zal komen

saldré

ik zal uitgaan

sabré

ik zal weten

podré

ik zal kunnen

querré

ik zal willen

valdré

ik zal waard zijn

caberé

ik zal passen

veré

ik zal zien

comeré

ik zal eten

viviré

ik zal leven

Vragen in deze set(48)

1. Wat betekent 'ser'?

A.zijn
B.hebben
C.doen
D.zien

2. Wat betekent 'hablaré'?

A.ik zal spreken
B.ik zal hebben
C.ik zal gaan
D.ik zal doen

3. Wat betekent 'fue'?

A.hij/zij/het was
B.ik was
C.jij was
D.wij waren

4. Welke werkwoord betekent 'gaan'?

A.ir
B.venir
C.hacer
D.dar

5. Welke vertaling hoort bij 'tendré'?

A.ik zal hebben
B.ik zal zijn
C.ik zal zien
D.ik zal leven

6. Welk woord betekent 'jij had'?

A.tuviste
B.tuve
C.tuvieron
D.tuvimos

7. Wat is de betekenis van 'tener'?

A.hebben
B.komen
C.zijn
D.zien

8. Wat betekent 'iré'?

A.ik zal doen
B.ik zal gaan
C.ik zal weten
D.ik zal willen

9. Wat betekent 'hiciste'?

A.jij deed
B.hij/zij/het deed
C.wij deden
D.jullie deden

10. Welk Spaans werkwoord betekent 'komen'?

A.venir
B.hacer
C.poder
D.decir

11. Welke vertaling is correct voor 'haré'?

A.ik zal komen
B.ik zal doen
C.ik zal weten
D.ik zal spreken

12. Welke vorm staat voor 'wij waren'?

A.fuimos
B.fuisteis
C.fue
D.fuiste

13. Wat betekent 'hacer'?

A.doen
B.zien
C.geven
D.weten

14. Wat betekent 'estaré'?

A.ik zal zijn
B.ik zal willen
C.ik zal hebben
D.ik zal uitgaan

15. Wat betekent 'tuvieron'?

A.zij hadden
B.jullie hadden
C.wij hadden
D.ik had

16. Welke van de volgende woorden betekent 'zeggen'?

A.decir
B.ver
C.dar
D.sentir

17. Welke betekenis heeft 'diré'?

A.ik zal zeggen
B.ik zal komen
C.ik zal zien
D.ik zal doen

18. Welk woord betekent 'ik was'?

A.fui
B.fuiste
C.fue
D.fuimos

19. Wat betekent 'ver'?

A.zien
B.komen
C.passen
D.wandelen

20. Wat betekent 'vendré'?

A.ik zal uitgaan
B.ik zal komen
C.ik zal weten
D.ik zal passen

21. Wat betekent 'hicimos'?

A.wij deden
B.jullie deden
C.jij deed
D.zij deden

22. Welk werkwoord betekent 'geven'?

A.dar
B.saber
C.poder
D.sentir

23. Welke vertaling hoort bij 'saldré'?

A.ik zal uitgaan
B.ik zal spreken
C.ik zal willen
D.ik zal leven

24. Welke vorm betekent 'jullie waren'?

A.fuisteis
B.fuimos
C.fue
D.fuiste

25. Wat betekent 'poder'?

A.kunnen
B.komen
C.zijn
D.doen

26. Wat betekent 'sabré'?

A.ik zal weten
B.ik zal doen
C.ik zal hebben
D.ik zal willen

27. Wat betekent 'tuvo'?

A.hij/zij/het had
B.ik had
C.jij had
D.wij hadden

28. Welke van de volgende woorden betekent 'weten'?

A.saber
B.venir
C.morir
D.andar

29. Welke betekenis heeft 'podré'?

A.ik zal kunnen
B.ik zal zijn
C.ik zal doen
D.ik zal zien

30. Welke vorm betekent 'zij deden'?

A.hicieron
B.hice
C.hiciste
D.hicimos

31. Wat betekent 'estar'?

A.zijn (tijdelijk)
B.gaan
C.komen
D.passen

32. Wat betekent 'querré'?

A.ik zal willen
B.ik zal weten
C.ik zal uitgaan
D.ik zal gaan

33. Wat betekent 'fuiste'?

A.jij was
B.ik was
C.hij/zij/het was
D.wij waren

34. Welk werkwoord betekent 'passen'?

A.caber
B.andar
C.hacer
D.decir

35. Welke vertaling hoort bij 'valdré'?

A.ik zal waard zijn
B.ik zal zijn
C.ik zal doen
D.ik zal komen

36. Welke vorm staat voor 'ik had'?

A.tuve
B.tuviste
C.tuvo
D.tuveis

37. Wat betekent 'andar'?

A.wandelen
B.komen
C.doen
D.geven

38. Wat betekent 'caberé'?

A.ik zal passen
B.ik zal zien
C.ik zal doen
D.ik zal willen

39. Wat betekent 'fueron'?

A.zij waren
B.jullie waren
C.wij waren
D.ik was

40. Welke van de volgende woorden betekent 'vertalen'?

A.traducir
B.morir
C.saber
D.poder

41. Welke betekenis heeft 'veré'?

A.ik zal leven
B.ik zal zien
C.ik zal hebben
D.ik zal spreken

42. Welke vorm betekent 'jij deed'?

A.hiciste
B.hice
C.hicimos
D.hicieron

43. Wat betekent 'morir'?

A.sterven
B.zien
C.voelen
D.geven

44. Wat betekent 'comeré'?

A.ik zal eten
B.ik zal leven
C.ik zal hebben
D.ik zal doen

45. Wat betekent 'fuimos'?

A.wij waren
B.ik was
C.jij was
D.hij/zij/het was

46. Welke werkwoord betekent 'voelen'?

A.sentir
B.ver
C.decir
D.dar

47. Welke vertaling is correct voor 'viviré'?

A.ik zal leven
B.ik zal komen
C.ik zal willen
D.ik zal weten

48. Wat betekent 'hizo'?

A.Hij/zij/het deed
B.Wij deden
C.Jullie deden
D.Ik deed

Gerelateerde sets

Maak je eigen studieset

Upload een PDF, plak je notities of beschrijf een onderwerp – AI genereert flashcards, quizzen en meer in seconden.