Frans woordenschat onderwijs woordenlijst

Deze woordenlijst bevat belangrijke Franse termen en uitdrukkingen die van pas komen bij het eindexamen. De woorden zijn gekozen op basis van alledaagse situaties en onderwerpen die relevant zijn voor leerlingen in Nederland.

BramM1·20 flashcards·20 vragen
eindexamenlanguagesfrench
0
Ken ik
1 / 20
0
Aan het leren
Voorkant

faire les courses

Tik om om te draaien
Achterkant

boodschappen doen

Tik om om te draaien
Ken ik
Aan het leren

Quiz(20 vragen)

Vraag 1 van 20

1. What does 'faire les courses' mean?

Termen in deze set(20)

Alledaagse activiteiten(12)

faire les courses

boodschappen doen

préparer le repas

de maaltijd voorbereiden

faire la vaisselle

de afwas doen

se lever tôt

vroeg opstaan

rendre visite

bezoeken (iemand)

passer du temps

tijd doorbrengen

prendre une douche

een douche nemen

regarder la télévision

televisie kijken

faire du sport

sporten

écouter de la musique

muziek luisteren

aller au travail

naar het werk gaan

se reposer

uitrusten

Reizen en vervoer(8)

le voyage

de reis

prendre un taxi

een taxi nemen

la gare

het station

réserver un billet

een ticket reserveren

le bus

de bus

arriver à destination

aankomen op bestemming

le passeport

het paspoort

faire de la route

op de weg zijn

Vragen in deze set(20)

1. What does 'faire les courses' mean?

A.boodschappen doen
B.de maaltijd voorbereiden
C.de afwas doen
D.uitrusten

2. Wat betekent 'le voyage'?

A.de reis
B.de bus
C.het station
D.een ticket

3. Which word means 'de maaltijd voorbereiden'?

A.faire la vaisselle
B.préparer le repas
C.passer du temps
D.regarder la télévision

4. Welke uitdrukking betekent 'een taxi nemen'?

A.faire de la route
B.prendre un taxi
C.réserver un billet
D.arriver à destination

5. Which phrase corresponds to 'de afwas doen'?

A.faire la vaisselle
B.prendre une douche
C.aller au travail
D.écouter de la musique

6. Wat betekent 'la gare'?

A.de bus
B.het transport
C.het station
D.de vlucht

7. What does 'se lever tôt' mean?

A.tijd doorbrengen
B.vroeg opstaan
C.televisie kijken
D.sporten

8. Welke uitdrukking betekent 'een ticket reserveren'?

A.faire de la route
B.réserver un billet
C.prendre un taxi
D.le passeport

9. Which phrase corresponds to 'bezoeken (iemand)'?

A.rendre visite
B.prendre une douche
C.faire du sport
D.se reposer

10. Wat betekent 'le bus'?

A.de trein
B.de taxi
C.de bus
D.het station

11. What does 'passer du temps' mean?

A.de maaltijd voorbereiden
B.tijd doorbrengen
C.naar het werk gaan
D.boodschappen doen

12. Welke uitdrukking betekent 'aankomen op bestemming'?

A.le voyage
B.arriver à destination
C.faire de la route
D.réserver un billet

13. Which word means 'een douche nemen'?

A.prendre une douche
B.faire la vaisselle
C.regarder la télévision
D.écouter de la musique

14. Wat betekent 'le passeport'?

A.het visum
B.de identiteitskaart
C.het paspoort
D.de ticket

15. What does 'regarder la télévision' mean?

A.uitrusten
B.televisie kijken
C.sporten
D.de afwas doen

16. Welke uitdrukking betekent 'op de weg zijn'?

A.faire de la route
B.prendre un taxi
C.le bus
D.la gare

17. Which phrase corresponds to 'sporten'?

A.faire du sport
B.écouter de la musique
C.se lever tôt
D.aller au travail

18. What does 'écouter de la musique' mean?

A.muziek luisteren
B.bezoeken (iemand)
C.de maaltijd voorbereiden
D.tijd doorbrengen

19. Which phrase corresponds to 'naar het werk gaan'?

A.aller au travail
B.faire les courses
C.se reposer
D.prendre une douche

20. What does 'se reposer' mean?

A.uitrusten
B.de afwas doen
C.boodschappen doen
D.passer du temps

Gerelateerde sets

Maak je eigen studieset

Upload een PDF, plak je notities of beschrijf een onderwerp – AI genereert flashcards, quizzen en meer in seconden.