Frans uitdrukkingen met avoir en faire flashcards

Een set flashcards met Franse uitdrukkingen die gebruik maken van 'avoir' en 'faire', gericht op alledaagse situaties zoals geld, afstand en temperatuur. Deze kaarten zijn ideaal voor leerlingen die zich voorbereiden op hun eindexamen Frans.

NewtZoe2·36 flashcards·36 vragen
eindexamenlanguagesfrench
0
Ken ik
1 / 36
0
Aan het leren
Voorkant

avoir faim

Tik om om te draaien
Achterkant

honger hebben

Tik om om te draaien
Ken ik
Aan het leren

Quiz(36 vragen)

Vraag 1 van 36

1. Wat betekent 'faire ses devoirs'?

Termen in deze set(36)

Uitdrukkingen met 'avoir'(20)

avoir faim

honger hebben

avoir soif

dorst hebben

avoir peur

bang zijn

avoir sommeil

slaperig zijn

avoir raison

gelijk hebben

avoir tort

ongelijk hebben

avoir besoin de

behoefte hebben aan

avoir l'air

eruitzien

avoir du succès

succes hebben

avoir lieu

plaatsvinden

avoir confiance en

vertrouwen hebben in

avoir envie de

zin hebben in

avoir un problème

een probleem hebben

avoir des amis

vrienden hebben

avoir une idée

een idee hebben

avoir du temps

tijd hebben

avoir des enfants

kinderen hebben

avoir du mal à

moeite hebben met

avoir le temps

de tijd hebben

avoir le choix

de keuze hebben

Uitdrukkingen met 'faire'(16)

faire ses devoirs

huiswerk maken

faire un gâteau

een taart maken

faire du sport

sporten

faire la cuisine

koken

faire attention

oppassen

faire une promenade

een wandeling maken

faire du shopping

winkelen

faire la fête

feestvieren

faire des économies

sparen

faire un voyage

een reis maken

faire du bruit

lawaai maken

faire le ménage

huishouden doen

faire le tour

de ronde maken

faire un effort

een inspanning doen

faire du bénévolat

vrijwilligerswerk doen

faire preuve de

blijk geven van

Vragen in deze set(36)

1. Wat betekent 'faire ses devoirs'?

A.huiswerk maken
B.winkelen
C.sporten
D.koken

2. What does 'avoir faim' mean?

A.honger hebben
B.bang zijn
C.zin hebben in
D.slaperig zijn

3. Welke uitdrukking betekent 'een taart maken'?

A.faire attention
B.faire un gâteau
C.faire la cuisine
D.faire du sport

4. Which word means 'dorst hebben'?

A.avoir soif
B.avoir peur
C.avoir besoin de
D.avoir du temps

5. Wat betekent 'faire du sport'?

A.een wandeling maken
B.sporten
C.huishouden doen
D.lawaai maken

6. How do you say 'bang zijn' in French?

A.avoir soif
B.avoir peur
C.avoir du succès
D.avoir tort

7. Welke uitdrukking betekent 'koken'?

A.faire des économies
B.faire la cuisine
C.faire le ménage
D.faire une promenade

8. What does 'avoir sommeil' mean?

A.slaperig zijn
B.tijd hebben
C.gelijk hebben
D.problemen hebben

9. Wat betekent 'faire attention'?

A.oppassen
B.feesten
C.winkelen
D.sparen

10. Which expression means 'gelijk hebben'?

A.avoir tort
B.avoir besoin de
C.avoir raison
D.avoir confiance en

11. Welke uitdrukking betekent 'een wandeling maken'?

A.faire la fête
B.faire une promenade
C.faire du bénévolat
D.faire un voyage

12. How do you say 'ongelijk hebben' in French?

A.avoir besoin de
B.avoir tort
C.avoir du mal à
D.avoir l'air

13. Wat betekent 'faire du shopping'?

A.sparen
B.winkelen
C.lawaai maken
D.huiswerk maken

14. What does 'avoir besoin de' mean?

A.behoefte hebben aan
B.succes hebben
C.vrienden hebben
D.een idee hebben

15. Welke uitdrukking betekent 'feestvieren'?

A.faire un effort
B.faire la fête
C.faire un voyage
D.faire un gâteau

16. Which phrase translates to 'eruitzien'?

A.avoir l'air
B.avoir le choix
C.avoir du temps
D.avoir un problème

17. Wat betekent 'faire des économies'?

A.lawaai maken
B.sparen
C.sporten
D.koken

18. How do you say 'succes hebben' in French?

A.avoir lieu
B.avoir du succès
C.avoir des amis
D.avoir confiance en

19. Welke uitdrukking betekent 'een reis maken'?

A.faire attention
B.faire un voyage
C.faire du sport
D.faire le ménage

20. What does 'avoir lieu' mean?

A.plaatsvinden
B.kinderen hebben
C.de tijd hebben
D.moeite hebben met

21. Wat betekent 'faire du bruit'?

A.lawaai maken
B.oppassen
C.huiswerk maken
D.winkelen

22. Which expression means 'vertrouwen hebben in'?

A.avoir besoin de
B.avoir confiance en
C.avoir un problème
D.avoir du mal à

23. Welke uitdrukking betekent 'huishouden doen'?

A.faire le ménage
B.faire un effort
C.faire du bénévolat
D.faire du sport

24. How do you say 'zin hebben in' in French?

A.avoir du temps
B.avoir envie de
C.avoir des enfants
D.avoir du succès

25. Wat betekent 'faire le tour'?

A.de ronde maken
B.sparen
C.winkelen
D.koken

26. What does 'avoir un problème' mean?

A.een probleem hebben
B.tijd hebben
C.ongelijk hebben
D.moeite hebben met

27. Welke uitdrukking betekent 'een inspanning doen'?

A.faire un effort
B.faire attention
C.faire une promenade
D.faire du bénévolat

28. Which word means 'vrienden hebben'?

A.avoir des amis
B.avoir des enfants
C.avoir du mal à
D.avoir besoin de

29. Wat betekent 'faire du bénévolat'?

A.vrijwilligerswerk doen
B.huiswerk maken
C.sporten
D.koken

30. How do you say 'een idee hebben' in French?

A.avoir une idée
B.avoir confiance en
C.avoir l'air
D.avoir du temps

31. Welke uitdrukking betekent 'blijk geven van'?

A.faire preuve de
B.faire attention
C.faire des économies
D.faire un voyage

32. What does 'avoir du temps' mean?

A.de tijd hebben
B.moeite hebben met
C.behoefte hebben aan
D.slaperig zijn

33. Which expression means 'kinderen hebben'?

A.avoir des enfants
B.avoir du succès
C.avoir du mal à
D.avoir confiance en

34. How do you say 'moeite hebben met' in French?

A.avoir le choix
B.avoir du mal à
C.avoir besoin de
D.avoir un problème

35. What does 'avoir le temps' mean?

A.de tijd hebben
B.ongelijk hebben
C.eruitzien
D.succes hebben

36. Which phrase translates to 'de keuze hebben'?

A.avoir le choix
B.avoir du temps
C.avoir besoin de
D.avoir raison

Gerelateerde sets

Maak je eigen studieset

Upload een PDF, plak je notities of beschrijf een onderwerp – AI genereert flashcards, quizzen en meer in seconden.