Frans imparfait woordjes

Deze set bevat woorden uit het Frans in de imparfait tijd, gericht op bovenbouwniveau met alledaagse onderwerpen.

Sunny47·42 flashcards·14 vragen
bovenbouwlanguagesfrench
0
Ken ik
1 / 42
0
Aan het leren
Voorkant

je parlais

Tik om om te draaien
Achterkant

ik sprak

Tik om om te draaien
Ken ik
Aan het leren

Quiz(14 vragen)

Vraag 1 van 14

1. Wat betekent 'je parlais'?

Termen in deze set(42)

Frans Imparfait Woordjes 1(21)

je parlais

ik sprak

tu finissais

jij eindigde

il jouait

hij speelde

nous allions

wij gingen

vous étiez

jullie waren

ils avaient

zij hadden

une maison

een huis

un chat

een kat

beau

mooi

grand

groot

petit

klein

chaud

heet

froid

koud

un livre

een boek

elle travaillait

zij werkte

ils mangeaient

zij aten

nous faisions

wij deden

je voyais

ik zag

tu savais

jij wist

il pensait

hij dacht

vous lisiez

jullie lazen

Frans Imparfait Woordjes 2(21)

une voiture

een auto

un problème

een probleem

intéressant

interessant

facile

gemakkelijk

difficile

moeilijk

long

lang

court

kort

un ami

een vriend

elle faisait

zij deed

nous écrivions

wij schreven

tu prenais

jij nam

il savait

hij wist

vous veniez

jullie kwamen

ils écoutaient

zij luisterden

je croyais

ik geloofde

nous parlions

wij spraken

une école

een school

un jardin

een tuin

étonnant

verbazingwekkend

heureux

blij

triste

verdrietig

Vragen in deze set(14)

1. Wat betekent 'je parlais'?

A.ik sprak
B.jij sprak
C.hij sprak
D.wij spraken

2. Wat betekent 'vous étiez'?

A.jullie waren
B.ik was
C.zij waren
D.jij was

3. Welk woord betekent 'hij speelde'?

A.il jouait
B.ils jouaient
C.tu jouais
D.vous jouiez

4. Wat betekent 'nous faisions'?

A.wij deden
B.jullie deden
C.zij deden
D.ik deed

5. Welk woord betekent 'zij luisterden'?

A.ils écoutaient
B.elles écoutaient
C.vous écoutiez
D.je écoutais

6. Wat betekent 'une voiture'?

A.een auto
B.een fiets
C.een bus
D.een trein

7. Welk woord betekent 'ik geloofde'?

A.je croyais
B.tu croyais
C.il croyait
D.nous croyions

8. Wat betekent 'intéressant'?

A.interessant
B.saai
C.moeilijk
D.gemakkelijk

9. Welk woord betekent 'zij werkte'?

A.elle travaillait
B.elles travaillaient
C.vous travailliez
D.nous travaillions

10. Wat betekent 'un problème'?

A.een probleem
B.een vraag
C.een oplossing
D.een idee

11. Wat betekent 'il pensait'?

A.hij dacht
B.zij dacht
C.jij dacht
D.wij dachten

12. Welk woord betekent 'jullie lazen'?

A.vous lisiez
B.vous lisez
C.vous lirez
D.vous lisent

13. Wat betekent 'chaud'?

A.heet
B.koud
C.warm
D.cool

14. Welk woord betekent 'zij aten'?

A.ils mangeaient
B.elles mangeaient
C.vous mangiez
D.je mangeais

Gerelateerde sets

Maak je eigen studieset

Upload een PDF, plak je notities of beschrijf een onderwerp – AI genereert flashcards, quizzen en meer in seconden.