Engels lidwoorden
Deze set bevat Engelse lidwoorden en gerelateerde woorden, gericht op leerlingen in de bovenbouw. De flashcards helpen bij het leren van de basis van het Engels met alledaagse voorbeelden.
Quiz(10 vragen)
1. Wat betekent 'a'?
Termen in deze set(27)
a
een
the
de / het
an
een
is
is
are
zijn
book
boek
car
auto
house
huis
cat
kat
dog
hond
happy
blij
sad
verdrietig
big
groot
small
klein
fast
snel
slow
traag
hello
hallo
goodbye
tot ziens
please
alsjeblieft
thank you
dank je
sorry
sorry
yes
ja
no
nee
and
en
but
maar
or
of
with
met
Vragen in deze set(10)
1. Wat betekent 'a'?
2. Welk woord betekent 'de'?
3. Wat betekent 'car'?
4. Welk woord betekent 'blij'?
5. Wat betekent 'hello'?
6. Welk woord betekent 'huis'?
7. Wat betekent 'snel'?
8. Welk woord betekent 'maar'?
9. Wat betekent 'thank you'?
10. Welk woord betekent 'nee'?
Gerelateerde sets
Angielski A2 – Słówka: dom i rodzina
Wörter: Englisch if-Sätze Typ 2
Englisch Abitur Mediation
Englisch reported speech
Wörter: Englisch some any much many
Englisch Relativsätze Karteikarten
Englisch Passiv Vokabeln
Englisch unregelmäßige Verben Karteikarten
Maak je eigen studieset
Upload een PDF, plak je notities of beschrijf een onderwerp – AI genereert flashcards, quizzen en meer in seconden.

