Engels een kamer huren flashcards

Deze flashcards zijn bedoeld voor studenten die Engels leren en zich willen voorbereiden op het huren van een kamer. De woorden en zinnen zijn praktisch en alledaags.

Sunny47·51 flashcards·13 vragen
bovenbouwlanguagesenglish
0
Ken ik
1 / 51
0
Aan het leren
Voorkant

room

Tik om om te draaien
Achterkant

kamer

Tik om om te draaien
Ken ik
Aan het leren

Quiz(13 vragen)

Vraag 1 van 13

1. Wat betekent 'tenant'?

Termen in deze set(51)

Engels een kamer huren - Set 1(26)

room

kamer

to rent

huren

furnished

gestoffeerd

lease

huurcontract

tenant

huurder

landlord

verhuurder

utilities

diensten

deposit

borg

monthly

maandelijks

available

beschikbaar

to move in

verhuizen

neighborhood

buurt

quiet

stil

no pets

geen huisdieren

contract

overeenkomst

to negotiate

onderhandelen

kitchen

keuken

bathroom

badkamer

to share

delen

security

veiligheid

to inspect

inspecteren

location

locatie

price

prijs

to pay

betalen

condition

toestand

furniture

meubilair

Engels een kamer huren - Set 2(25)

agreement

overeenkomst

to clean

schoonmaken

to furnish

inrichten

to cancel

annuleren

to renew

vernieuwen

elevator

lift

balcony

balkon

apartment

appartement

house

huis

to include

inclusief

to ask

vragen

to settle

regelen

to visit

bezoeken

size

grootte

to report

melden

to agree

akkoord gaan

emergency

noodgeval

to take care of

zorgen voor

to enjoy

genieten van

to check

controleren

to move out

verhuizen

to prefer

verkiezen

to discuss

bespreken

to confirm

bevestigen

to arrange

regelen

Vragen in deze set(13)

1. Wat betekent 'tenant'?

A.huurder
B.verhuurder
C.dienst
D.overeenkomst

2. Welk woord betekent 'to rent'?

A.huren
B.verhuurder
C.kamers
D.inspecteren

3. Wat betekent 'deposit'?

A.borg
B.prijs
C.woning
D.grootte

4. Welk woord betekent 'landlord'?

A.verhuurder
B.huurder
C.contract
D.keuken

5. Wat betekent 'furnished'?

A.gestoffeerd
B.onbelast
C.diensten
D.veiligheid

6. Welk woord betekent 'utilities'?

A.diensten
B.huurcontract
C.verzekering
D.meubilair

7. Wat betekent 'to negotiate'?

A.onderhandelen
B.bezoeken
C.akkoord gaan
D.betalen

8. Welk woord betekent 'to move in'?

A.verhuizen
B.stellen
C.inspecteren
D.verhuurder

9. Wat betekent 'quiet'?

A.stil
B.druk
C.groot
D.vol

10. Welk woord betekent 'to check'?

A.controleren
B.bevestigen
C.onderhandelen
D.verhuurder

11. Wat betekent 'to include'?

A.inclusief
B.exclusief
C.onderhandelen
D.genieten van

12. Welk woord betekent 'location'?

A.locatie
B.huurder
C.huis
D.prijs

13. Wat betekent 'to share'?

A.delen
B.verhuurder
C.huren
D.bezoeken

Gerelateerde sets

Maak je eigen studieset

Upload een PDF, plak je notities of beschrijf een onderwerp – AI genereert flashcards, quizzen en meer in seconden.