Duits woordenschat werk en beroep

Deze flashcards helpen leerlingen in Nederland om de Duitse woordenschat rondom werk en beroep te oefenen. Ze zijn speciaal ontworpen voor eindexamenherhaling en bevatten belangrijke termen en zinnen die relevant zijn voor het onderwerp.

LuukNewt·24 flashcards·24 vragen
eindexamenlanguagesgerman
0
Ken ik
1 / 24
0
Aan het leren
Voorkant

der Arzt

Tik om om te draaien
Achterkant

de arts

Tik om om te draaien
Ken ik
Aan het leren

Quiz(24 vragen)

Vraag 1 van 24

1. Wat betekent 'der Arzt'?

Termen in deze set(24)

Beroepen en Werkplaatsen(12)

der Arzt

de arts

die Schule

de school

arbeiten

werken

der Lehrer

de leraar

der Ingenieur

de ingenieur

das Büro

het kantoor

der Mechaniker

de monteur

die Firma

het bedrijf

die Sitzung

de vergadering

der Architekt

de architect

verwalten

beheer

die Universität

de universiteit

Werkgerelateerde Activiteiten(12)

arbeiten

werken

die Aufgabe

de taak

die Besprechung

de vergadering

der Mitarbeiter

de medewerker

die Frist

de deadline

verantwortlich sein

verantwoordelijk zijn

die Überstunden

de overuren

die Planung

de planning

die Leistung

de prestatie

die Verantwortung

de verantwoordelijkheid

die Zusammenarbeit

de samenwerking

der Bericht

het rapport

Vragen in deze set(24)

1. Wat betekent 'der Arzt'?

A.de arts
B.de leraar
C.de ingenieur
D.de monteur

2. What does 'die Aufgabe' mean?

A.de taak
B.de medewerker
C.de vergadering
D.de planning

3. Welke term staat voor 'de school'?

A.die Sitzung
B.die Firma
C.die Schule
D.das Büro

4. Which word means 'de medewerker'?

A.die Überstunden
B.der Mitarbeiter
C.die Leistung
D.die Verantwortung

5. Wat is de Nederlandse vertaling van 'arbeiten'?

A.werken
B.beheer
C.vergaderen
D.studeren

6. What does 'die Besprechung' mean?

A.de vergadering
B.de deadline
C.de samenwerking
D.de prestatie

7. Welk woord betekent 'de leraar'?

A.der Ingenieur
B.der Lehrer
C.der Mechaniker
D.der Arzt

8. Which word means 'de deadline'?

A.die Verantwortung
B.die Planung
C.die Frist
D.die Aufgabe

9. Wat betekent 'der Ingenieur'?

A.de ingenieur
B.de architect
C.het kantoor
D.de arts

10. What does 'die Überstunden' mean?

A.de overuren
B.de taak
C.de medewerker
D.die Leistung

11. Welke term staat voor 'het kantoor'?

A.das Büro
B.die Universität
C.die Schule
D.die Sitzung

12. Which word means 'verantwoordelijk zijn'?

A.die Verantwortung
B.verantwoordelijk zijn
C.die Zusammenarbeit
D.die Planung

13. Wat betekent 'der Mechaniker'?

A.de leraar
B.de arts
C.de ingenieur
D.de monteur

14. What does 'die Planung' mean?

A.de samenwerking
B.de prestatie
C.de planning
D.de vergadering

15. Welk woord betekent 'het bedrijf'?

A.die Firma
B.die Sitzung
C.die Schule
D.die Universität

16. Which word means 'de prestatie'?

A.die Frist
B.die Leistung
C.der Bericht
D.die Aufgabe

17. Wat is de vertaling van 'die Sitzung'?

A.de vergadering
B.de leraar
C.de ingenieur
D.de arts

18. What does 'die Verantwortung' mean?

A.de taak
B.de verantwoordelijkheid
C.de medewerker
D.de overuren

19. Wat betekent 'der Architekt'?

A.de architect
B.de monteur
C.de ingenieur
D.de arts

20. Which word means 'de samenwerking'?

A.die Besprechung
B.die Überstunden
C.die Verantwortung
D.die Zusammenarbeit

21. Welk woord betekent 'beheer'?

A.verwalten
B.werken
C.de firma
D.de school

22. What does 'der Bericht' mean?

A.de vergadering
B.het rapport
C.de taak
D.de planning

23. Wat betekent 'die Universität'?

A.de universiteit
B.de leraar
C.de ingenieur
D.de arts

24. Which word means 'werken'?

A.die Besprechung
B.arbeiten
C.die Aufgabe
D.die Frist

Gerelateerde sets

Maak je eigen studieset

Upload een PDF, plak je notities of beschrijf een onderwerp – AI genereert flashcards, quizzen en meer in seconden.