Duits woordenschat onderwijs en studie
Deze woordenlijst bevat belangrijke Duitse woordenschat met betrekking tot onderwijs en studie, gericht op leerlingen die zich voorbereiden op het eindexamen. De flashcards helpen bij het leren van essentiële termen en zinnen die vaak in deze context worden gebruikt.
Quiz(32 vragen)
1. Wat betekent 'die Prüfung' in het Nederlands?
Termen in deze set(32)
Onderwijs en school(16)
die Schule
de school
der Lehrer
de leraar
die Klasse
de klas
studieren
studeren
die Hausaufgabe
het huiswerk
der Schüler
de leerling
das Fach
het vak
die Prüfung
het examen
unterrichten
onderwijzen
die Note
het cijfer
die Bibliothek
de bibliotheek
lernen
leren
der Unterricht
de les
die Tafel
het bord
die Pause
de pauze
der Stundenplan
het lesrooster
Studie en examen(16)
die Prüfung
het examen
studieren
studeren
der Student
de student
die Note
het cijfer
vorbereiten
voorbereiden
das Studium
de studie
der Lehrplan
het curriculum
bestehen
slagen
der Dozent
de docent
die Hausarbeit
de huiswerkopdracht
die Wiederholung
de herhaling
prüfen
toetsen
die Hochschule
de hogeschool
der Fachbereich
de faculteit
der Abschluss
het diploma
die Seminararbeit
de seminarpaper
Vragen in deze set(32)
1. Wat betekent 'die Prüfung' in het Nederlands?
2. Wat betekent 'die Schule'?
3. Welke term betekent 'studeren'?
4. Welk woord betekent 'de leraar'?
5. Wie is 'der Student' in het Nederlands?
6. Wat is de betekenis van 'die Klasse'?
7. Wat betekent 'die Note'?
8. Welk woord betekent 'studeren'?
9. Wat is de juiste vertaling van 'vorbereiten'?
10. Wat betekent 'die Hausaufgabe'?
11. Wat betekent 'das Studium'?
12. Welk woord betekent 'de leerling'?
13. Wat is 'der Lehrplan' in het Nederlands?
14. Wat is de betekenis van 'das Fach'?
15. Wat betekent 'bestehen'?
16. Welk woord betekent 'het examen'?
17. Wie is 'der Dozent'?
18. Wat betekent 'unterrichten'?
19. Wat betekent 'die Hausarbeit'?
20. Welk woord betekent 'het cijfer'?
21. Welke term betekent 'de herhaling'?
22. Wat is de betekenis van 'die Bibliothek'?
23. Wat betekent 'prüfen'?
24. Welk woord betekent 'leren'?
25. Wat is de Nederlandse vertaling van 'die Hochschule'?
26. Wat betekent 'der Unterricht'?
27. Wat betekent 'der Fachbereich'?
28. Welk woord betekent 'het bord'?
29. Wat is de juiste vertaling van 'der Abschluss'?
30. Wat is de betekenis van 'die Pause'?
31. Wat betekent 'die Seminararbeit'?
32. Welk woord betekent 'het lesrooster'?
Gerelateerde sets
German 101 travel and train station
German 101 family and home flashcards
Allemand ville fiches
Allemand jours vocabulaire
Mots : Allemand négation
Allemand accusatif fiches
Allemand nourriture fiches
Vocabulary: German 101 university life
Maak je eigen studieset
Upload een PDF, plak je notities of beschrijf een onderwerp – AI genereert flashcards, quizzen en meer in seconden.

