Duits woorden met meerdere betekenissen flashcards

Duitse woorden met meerdere betekenissen zijn belangrijk voor het eindexamen. Deze flashcards helpen studenten de verschillende betekenissen en gebruikscontexten van deze woorden te begrijpen.

Lucas2006·48 flashcards·48 vragen·2 weergaven
eindexamenlanguagesgerman
0
Ken ik
1 / 48
0
Aan het leren
Voorkant

Bank

Tik om om te draaien
Achterkant

bank (financiële instelling) / bank (zitmeubel)

Tik om om te draaien
Ken ik
Aan het leren

Quiz(48 vragen)

Vraag 1 van 48

1. What does 'der Tisch' mean?

Termen in deze set(48)

Duitse woorden in alledaagse context(16)

Bank

bank (financiële instelling) / bank (zitmeubel)

Schloss

slot (deurtje) / kasteel

Licht

licht (helderheid) / licht (gewicht)

Mutter

moeder / moederplant (in de biologie)

Fliegen

vliegen (werkwoord) / vliegen (insect)

Boden

vloer / bodem (van een rivier)

Welle

golf (in de zee) / golf (van geluid)

Kiefer

kiefer (boom) / kaak (tanden)

Fallen

vallen (werkwoord) / vallen (in de natuur)

Zug

trein / tocht (luchtstroom)

Stern

ster (hemellichaam) / ster (beroemdheid)

Schiff

schip / schip (in de ruimte)

Bark

schors (van een boom) / bark (in de scheepvaart)

Fisch

vis (dier) / vis (vangen)

Tür

deur / toegang (tot een plek)

Maus

muis (dier) / muis (computeraccessoire)

Duitse woorden in schoolcontext(16)

der Tisch

de tafel

die Note

het cijfer

fragen

vragen

der Lehrer

de leraar

das Fach

het vak

schreiben

schrijven

der Raum

de ruimte

lesen

lezen

die Aufgabe

de opdracht

zeichnen

tekenen

der Stift

de pen

die Prüfung

het examen

studieren

studeren

die Schule

de school

das Heft

het schrift

der Schüler

de leerling

Duitse woorden in de natuur en wetenschap(16)

Blatt

blad (van een plant) / blad (papier)

Boden

grond / bodem (ondergrond)

Kreis

cirkel / kring (groep mensen)

Welle

golf (water) / golf (geluid)

Zelle

cel (biologie) / cel (gevangenis)

Strom

stroom (elektriciteit) / stroom (water)

Licht

licht (straling) / licht (niet zwaar)

Kraft

kracht / macht (autoriteit)

Formel

formule (wiskunde) / formule (bijvoorbeeld in de chemie)

Griff

krassen (werkwoord) / snijden (werkwoord)

Feld

veld (akker) / veld (gebied)

Raum

ruimte (fysiek) / ruimte (kamer)

Kugel

bol (vorm) / kogel (projectiel)

Masse

massa (gewicht) / massa (grote hoeveelheid)

Temperatur

temperatuur (warmte) / temperatuur (graad)

Säule

kolom (bouw) / pijler (ondersteunen)

Vragen in deze set(48)

1. What does 'der Tisch' mean?

A.de tafel
B.de pen
C.de ruimte
D.het cijfer

2. Wat betekent 'Bank' in het Duits?

A.bank (financiële instelling)
B.bank (zitmeubel)
C.stoel
D.tafel

3. Wat betekent 'Blatt' in het Nederlands?

A.blad (van een plant)
B.blad (papier)
C.grond
D.cirkel

4. Which word means 'het cijfer'?

A.die Note
B.die Aufgabe
C.das Fach
D.die Schule

5. Welk Duits woord betekent 'kasteel'?

A.Schloss
B.Haus
C.Burg
D.Hütte

6. Welke Duitse term verwijst naar de ondergrond?

A.Kreis
B.Zelle
C.Boden
D.Raum

7. What does 'fragen' mean?

A.vragen
B.schrijven
C.lezen
D.studeren

8. Wat betekent 'Licht' in het Duits?

A.licht (helderheid)
B.licht (gewicht)
C.zwaar
D.donker

9. Wat betekent 'Kreis' in het Nederlands?

A.groep mensen
B.golf (geluid)
C.ruimte
D.cel (biologie)

10. Which word means 'de leraar'?

A.der Schüler
B.der Raum
C.der Lehrer
D.das Heft

11. Welk woord betekent 'moeder' in het Duits?

A.Mutter
B.Vater
C.Eltern
D.Kind

12. Welke term betekent 'golf (water)'?

A.Welle
B.Licht
C.Masse
D.Strom

13. What does 'das Fach' mean?

A.het vak
B.de opdracht
C.de school
D.de ruimte

14. Wat is de betekenis van 'Fliegen' in het Duits?

A.vliegen (werkwoord)
B.vliegen (insect)
C.lopen
D.zwemmen

15. Wat is de betekenis van 'Zelle'?

A.cel (biologie)
B.cel (gevangenis)
C.temperatuur
D.kolom

16. Which word means 'schrijven'?

A.lesen
B.fragen
C.zeichnen
D.schrijven

17. Welk Duits woord betekent 'vloer'?

A.Boden
B.Wand
C.Decke
D.Raum

18. Welke Duitse term verwijst naar 'stroom (water)'?

A.Strom
B.Feld
C.Temperatur
D.Kraft

19. What does 'der Raum' mean?

A.de ruimte
B.de note
C.de school
D.de leraar

20. Wat betekent 'Welle' in het Duits?

A.golf (in de zee)
B.geluid
C.grond
D.lucht

21. Wat betekent 'Licht'?

A.licht (straling)
B.kracht
C.massa
D.golf (geluid)

22. Which word means 'lezen'?

A.lesen
B.zeichnen
C.studieren
D.fragen

23. Welk woord betekent 'kiefer (boom)' in het Duits?

A.Kiefer
B.Eiche
C.Buche
D.Ahorn

24. Welke term betekent 'kracht'?

A.Kraft
B.Formel
C.Säule
D.Kugel

25. What does 'die Aufgabe' mean?

A.de opdracht
B.het vak
C.de pen
D.het cijfer

26. Wat betekent 'Fallen' in het Duits?

A.vallen (werkwoord)
B.opstaan
C.breken
D.lopen

27. Wat betekent 'Formel' in het Nederlands?

A.formule (wiskunde)
B.massa
C.temperatuur
D.cel (gevangenis)

28. Which word means 'tekenen'?

A.zeichnen
B.schreiben
C.lesen
D.frangen

29. Welk Duits woord betekent 'trein'?

A.Zug
B.Auto
C.Fahrrad
D.Bus

30. Welke woord betekent 'krassen'?

A.Griff
B.Masse
C.Raum
D.Feld

31. What does 'der Stift' mean?

A.de pen
B.de tafel
C.de ruimte
D.de note

32. Wat betekent 'Stern' in het Duits?

A.ster (hemellichaam)
B.ster (beroemdheid)
C.planeet
D.maan

33. Wat betekent 'Feld'?

A.veld (akker)
B.kolom
C.ruimte
D.cel (biologie)

34. Which word means 'het examen'?

A.die Prüfung
B.die Schule
C.das Fach
D.die Aufgabe

35. Welk woord betekent 'schip' in het Duits?

A.Schiff
B.Boot
C.Fregatte
D.Yacht

36. Welke term verwijst naar 'ruimte (kamer)'?

A.Raum
B.Kugel
C.Temperatur
D.Welle

37. What does 'studieren' mean?

A.studeren
B.vragen
C.leiden
D.schrijven

38. Wat betekent 'Bark' in het Duits?

A.schors (van een boom)
B.bark (in de scheepvaart)
C.tak
D.wortel

39. Wat betekent 'Kugel'?

A.bol (vorm)
B.golf
C.kracht
D.massa

40. Which word means 'de school'?

A.die Schule
B.das Heft
C.der Lehrer
D.der Raum

41. Welk Duits woord betekent 'vis (dier)'?

A.Fisch
B.Vogel
C.Säugetier
D.Reptil

42. Welke term betekent 'gewicht'?

A.Masse
B.Säule
C.Zelle
D.Feld

43. What does 'das Heft' mean?

A.het schrift
B.de pen
C.de note
D.het vak

44. Wat betekent 'Tür' in het Duits?

A.deur
B.venster
C.wand
D.dak

45. Wat betekent 'Temperatur'?

A.temperatuur (warmte)
B.cel (gevangenis)
C.kolom
D.kracht

46. Which word means 'de leerling'?

A.der Schüler
B.der Lehrer
C.das Fach
D.die Prüfung

47. Welk woord betekent 'muis (computeraccessoire)' in het Duits?

A.Maus
B.Tastatur
C.Monitor
D.Scanner

48. Welke woord betekent 'kolom' in een bouwcontext?

A.Säule
B.Kreis
C.Blatt
D.Welle

Gerelateerde sets

Maak je eigen studieset

Upload een PDF, plak je notities of beschrijf een onderwerp – AI genereert flashcards, quizzen en meer in seconden.