Duits werkwoorden met vast voorzetsel flashcards

Een verzameling flashcards met Duitse werkwoorden die vast verbonden zijn met voorzetsels, gericht op eindexamenleerlingen in Nederland. Deze kaarten helpen bij het leren en onthouden van belangrijke werkwoord-voorzetsel combinaties.

Lynx42·32 flashcards·32 vragen·1 weergaven
eindexamenlanguagesgerman
0
Ken ik
1 / 32
0
Aan het leren
Voorkant

abhängen von

Tik om om te draaien
Achterkant

afhangen van

Tik om om te draaien
Ken ik
Aan het leren

Quiz(32 vragen)

Vraag 1 van 32

1. Wat betekent 'sich erinnern an'?

Termen in deze set(32)

Flashcards 1(16)

abhängen von

afhangen van

denken an

denken aan

sich freuen auf

zich verheugen op

sich interessieren für

zich interesseren voor

warten auf

wachten op

teilnehmen an

deelnemen aan

aufpassen auf

oppassen voor

sich beschweren über

klagen over

einladen zu

uitnodigen voor

sich erinnern an

zich herinneren aan

angestellt sein bei

in dienst zijn bij

verliebt sein in

verliefd zijn op

bestehen aus

bestaan uit

sich kümmern um

zorgen voor

zählen zu

tellen tot

reden über

praten over

Flashcards 2(16)

sich erinnern an

zich herinneren aan

teilnehmen an

deelnemen aan

denken an

denken aan

freuen sich auf

zich verheugen op

warten auf

wachten op

sich vorbereiten auf

zich voorbereiden op

abhängen von

afhangen van

verzichten auf

verzichten op

bestehen aus

bestaan uit

sich kümmern um

zich bekommeren om

sprechen über

spreken over

nachdenken über

nadenken over

sorgen für

zorgen voor

interessieren für

interesseren voor

begeistern für

enthousiasmeren voor

warnen vor

waarschuwen voor

Vragen in deze set(32)

1. Wat betekent 'sich erinnern an'?

A.zich herinneren aan
B.zich voorbereiden op
C.zich bekommeren om
D.zich verheugen op

2. Wat betekent 'abhängen von'?

A.afhangen van
B.zorgen voor
C.verliefd zijn op
D.deelnemen aan

3. Welke term betekent 'deelnemen aan'?

A.sich kümmern um
B.teilnehmen an
C.nachdenken über
D.warten auf

4. Welk woord betekent 'deelnemen aan'?

A.sich freuen auf
B.teilnehmen an
C.reden über
D.warten auf

5. Wat betekent 'denken an'?

A.denken aan
B.zorgen voor
C.afhangen van
D.verzichten op

6. Hoe vertaal je 'sich freuen auf'?

A.zich herinneren aan
B.wachten op
C.zorgen voor
D.zich verheugen op

7. Welk werkwoord betekent 'zich verheugen op'?

A.sich vorbereiten auf
B.freuen sich auf
C.abhangen von
D.interessieren für

8. Wat betekent 'sich interessieren für'?

A.afhangen van
B.interesseren voor
C.praten over
D.klagen over

9. Welke uitdrukking betekent 'wachten op'?

A.sich kümmern um
B.warten auf
C.reden über
D.verzichten op

10. Welk woord betekent 'wachten op'?

A.sich kümmern um
B.warten auf
C.verlieft zijn in
D.zählen zu

11. Wat betekent 'sich vorbereiten auf'?

A.zich voorbereiden op
B.zich herinneren aan
C.zich bekommeren om
D.denken aan

12. Hoe vertaal je 'aufpassen auf'?

A.oppassen voor
B.afhangen van
C.deelnemen aan
D.zich verheugen op

13. Welke term betekent 'afhangen van'?

A.abhängen von
B.interessieren für
C.freuen sich auf
D.warten auf

14. Wat betekent 'sich beschweren über'?

A.klagen over
B.zich herinneren aan
C.zich interesseren voor
D.zählen zu

15. Welke zin betekent 'verzichten op'?

A.sich kümmern um
B.verzichten auf
C.denken aan
D.sorgen für

16. Welk woord betekent 'uitnodigen voor'?

A.einladen zu
B.sich kümmern um
C.verliebt zijn in
D.denken an

17. Wat betekent 'bestehen aus'?

A.afhangen van
B.bestaan uit
C.zich bekommeren om
D.freuen sich auf

18. Hoe vertaal je 'sich erinnern an'?

A.afhangen van
B.zich herinneren aan
C.praten over
D.zorgen voor

19. Welke uitdrukking betekent 'zich bekommeren om'?

A.sich kümmern um
B.interessieren für
C.sorgen für
D.denken aan

20. Wat betekent 'angestellt sein bei'?

A.in dienst zijn bij
B.afhangen van
C.interesseren voor
D.deelnemen aan

21. Wat betekent 'sprechen über'?

A.denken aan
B.spreken over
C.sich vorbereiten auf
D.interessieren für

22. Welk woord betekent 'verliefd zijn op'?

A.verliebt sein in
B.warten auf
C.sich kümmern um
D.denken an

23. Welk werkwoord betekent 'nadenken over'?

A.sich kümmern um
B.nachdenken über
C.sorgen für
D.freuen sich auf

24. Hoe vertaal je 'bestehen aus'?

A.praten over
B.bestaande uit
C.wachten op
D.zich verheugen op

25. Welke term betekent 'zorgen voor'?

A.sich kümmern um
B.verzichten auf
C.interessieren für
D.warten auf

26. Wat betekent 'sich kümmern um'?

A.oppassen voor
B.zorgen voor
C.denken aan
D.verliebt zijn in

27. Wat betekent 'interessieren für'?

A.interesseren voor
B.denken aan
C.begeistern für
D.sich kümmern um

28. Welk woord betekent 'tellen tot'?

A.zählen zu
B.warten auf
C.denken an
D.sich freuen auf

29. Welke uitdrukking betekent 'enthousiasmeren voor'?

A.begeistern für
B.sich kümmern um
C.sorgen für
D.teilnehmen an

30. Hoe vertaal je 'reden über'?

A.praten over
B.afhangen van
C.zich verheugen op
D.interesseren voor

31. Wat betekent 'warnen vor'?

A.waarschuwen voor
B.afhangen van
C.verzichten op
D.denken aan

32. Wat betekent 'teilnehmen an'?

A.deelnemen aan
B.zorgen voor
C.praten over
D.afhangen van

Gerelateerde sets

Maak je eigen studieset

Upload een PDF, plak je notities of beschrijf een onderwerp – AI genereert flashcards, quizzen en meer in seconden.