Duits tijden mix woordjes

Dit is een set van Duits-Nederlands vocabulaire flashcards gericht op het leren van woorden en uitdrukkingen die nuttig zijn voor eindexamenleerlingen. De woorden zijn alledaags en relevant voor dagelijkse situaties.

Happy85·28 flashcards·28 vragen
eindexamenlanguagesgerman
0
Ken ik
1 / 28
0
Aan het leren
Voorkant

die Zeit

Tik om om te draaien
Achterkant

de tijd

Tik om om te draaien
Ken ik
Aan het leren

Quiz(28 vragen)

Vraag 1 van 28

1. Wat betekent 'die Zeit'?

Termen in deze set(28)

die Zeit

de tijd

fahren

rijden

schnell

snel

der Weg

de weg

das Geld

het geld

kommen

komen

langsam

langzaam

die Temperatur

de temperatuur

der Kilometer

de kilometer

brauchen

nodig hebben

die Stunde

het uur

schwimmen

zwemmen

kalt

koud

das Essen

het eten

trinken

drinken

schön

mooi

der Freund

de vriend

suchen

zoeken

der Platz

de plaats

lernen

leren

die Frage

de vraag

antworten

antwoorden

groß

groot

klein

klein

die Antwort

het antwoord

der Tag

de dag

der Monat

de maand

das Jahr

het jaar

Vragen in deze set(28)

1. Wat betekent 'die Zeit'?

A.de tijd
B.de plaats
C.de vraag
D.de vriend

2. Welk woord betekent 'rijden'?

A.fahren
B.kommen
C.suchen
D.trinken

3. Wat betekent 'schnell'?

A.snel
B.mooi
C.groot
D.koud

4. Welk woord betekent 'de weg'?

A.der Weg
B.der Platz
C.die Antwort
D.das Geld

5. Wat betekent 'das Geld'?

A.de tijd
B.het geld
C.de temperatuur
D.het jaar

6. Welk woord betekent 'komen'?

A.kommen
B.fahren
C.schwimmen
D.suchen

7. Wat betekent 'langsam'?

A.snel
B.langzaam
C.mooi
D.de vraag

8. Welk woord betekent 'de temperatuur'?

A.die Stunde
B.die Temperatur
C.der Tag
D.der Monat

9. Wat betekent 'der Kilometer'?

A.de kilometer
B.het geld
C.de plaats
D.de tijd

10. Welk woord betekent 'nodig hebben'?

A.brauchen
B.antworten
C.schwimmen
D.suchen

11. Wat betekent 'die Stunde'?

A.de minuut
B.de tijd
C.het uur
D.de vraag

12. Welk woord betekent 'zwemmen'?

A.schwimmen
B.trinken
C.fahren
D.suchen

13. Wat betekent 'kalt'?

A.mooi
B.groot
C.koud
D.gezellig

14. Welk woord betekent 'het eten'?

A.das Geld
B.das Essen
C.die Temperatur
D.trinken

15. Wat betekent 'trinken'?

A.drinken
B.eten
C.koud
D.vriend

16. Welk woord betekent 'mooi'?

A.schnell
B.schön
C.groß
D.klein

17. Wat betekent 'der Freund'?

A.de vriend
B.de vriendinnen
C.de vriendelijkheid
D.de vraag

18. Welk woord betekent 'zoeken'?

A.antworten
B.suchen
C.fahren
D.kommen

19. Wat betekent 'der Platz'?

A.de plaats
B.de ruimte
C.de tijd
D.het geld

20. Welk woord betekent 'leren'?

A.lernen
B.antworten
C.suchen
D.fahren

21. Wat betekent 'die Frage'?

A.de vraag
B.de antwoord
C.de tijd
D.de plaats

22. Welk woord betekent 'antwoorden'?

A.antworten
B.fragen
C.suchen
D.trinken

23. Wat betekent 'groß'?

A.groot
B.klein
C.mooi
D.snel

24. Welk woord betekent 'klein'?

A.klein
B.groß
C.schnell
D.langzaam

25. Wat betekent 'die Antwort'?

A.de vraag
B.het antwoord
C.de tijd
D.de plaats

26. Welk woord betekent 'de dag'?

A.der Tag
B.die Woche
C.der Monat
D.das Jahr

27. Wat betekent 'der Monat'?

A.de maand
B.de week
C.de tijd
D.het jaar

28. Welk woord betekent 'het jaar'?

A.das Jahr
B.die Stunde
C.der Monat
D.de tijd

Gerelateerde sets

Maak je eigen studieset

Upload een PDF, plak je notities of beschrijf een onderwerp – AI genereert flashcards, quizzen en meer in seconden.