Werkwoordspelling tegenwoordige tijd flashcards
Flashcards over werkwoordspelling in de tegenwoordige tijd met dagelijkse onderwerpen.
Quiz(14 vragen)
1. Wat is de juiste vorm: Ik (fietsen) naar school.
Termen in deze set(15)
Ik (lopen) naar school.
Ik loop naar school.
Jij (werken) aan je huiswerk.
Jij werkt aan je huiswerk.
Zij (fietsen) elke dag.
Zij fietsen elke dag.
Hij (leiden) het team.
Hij leidt het team.
Wij (wonen) in Nederland.
Wij wonen in Nederland.
Het (regenen) vandaag.
Het regent vandaag.
Jullie (spelen) buiten.
Jullie spelen buiten.
Ik (eten) een appel.
Ik eet een appel.
Zij (drinken) water.
Zij drinken water.
Hij (lezen) een boek.
Hij leest een boek.
Wij (zitten) op de bank.
Wij zitten op de bank.
Ik (maken) mijn huiswerk.
Ik maak mijn huiswerk.
Zij (koken) avondeten.
Zij koken avondeten.
Jij (studeren) voor je toets.
Jij studeert voor je toets.
Hij (lopen) naar de winkel.
Hij loopt naar de winkel.
Vragen in deze set(14)
1. Wat is de juiste vorm: Ik (fietsen) naar school.
2. Zij (koken) graag.
3. Jij (werken) hard.
4. Wij (studeren) samen.
5. Hij (leiden) het project.
6. Het (regenen) vaak.
7. Jullie (spelen) in de tuin.
8. Zij (drinken) thee.
9. Ik (maken) een foto.
10. Zij (lezen) graag boeken.
11. Wij (fietsen) naar het park.
12. Hij (zitten) op de stoel.
13. Jij (eten) een appel.
14. Het (kosten) veel geld.
Gerelateerde sets
Adjektive steigern Karteikarten
Relativsätze Notizen
Wiederholung: Kausal Final Konzessiv
Konjunktiv II höflich Notizen
Pronomen es das Karteikarten
Partizipialkonstruktion
dass-Sätze Schritt für Schritt
Wiederholung: Modalverben
Maak je eigen studieset
Upload een PDF, plak je notities of beschrijf een onderwerp – AI genereert flashcards, quizzen en meer in seconden.

