Tentamen: Scriptie opzet

Deze set flashcards biedt een overzicht van belangrijke termen en concepten die relevant zijn voor het opstellen van een scriptie binnen de sociologie, gericht op hbo-studenten.

Moth33·48 flashcards·48 vragen
hbosociologyresearch_methods
0
Ken ik
1 / 48
0
Aan het leren
Voorkant

Wat is onderzoeksontwerp?

Tik om om te draaien
Achterkant

Een onderzoeksontwerp is een plan dat de structuur van het onderzoek bepaalt. Het omvat de methoden en procedures die gebruikt worden om data te verzamelen en te analyseren.

Tik om om te draaien
Ken ik
Aan het leren

Quiz(48 vragen)

Vraag 1 van 48

1. Wat is het doel van een onderzoeksontwerp?

Termen in deze set(48)

Onderzoeksontwerp(16)

Wat is onderzoeksontwerp?

Een onderzoeksontwerp is een plan dat de structuur van het onderzoek bepaalt. Het omvat de methoden en procedures die gebruikt worden om data te verzamelen en te analyseren.

Verschil tussen kwalitatief en kwantitatief onderzoek?

Kwalitatief onderzoek richt zich op diepte-interviews en observaties, terwijl kwantitatief onderzoek gebruik maakt van statistische analyses en numerieke data.

Wat zijn hypothesen?

Hypothesen zijn testbare veronderstellingen over de relatie tussen twee of meer variabelen, vaak geformuleerd als een voorspelling.

Wat is een steekproef?

Een steekproef is een geselecteerde groep respondenten uit een grotere populatie, bedoeld om representatief te zijn voor het onderzoek.

Vul de lege plek in: Het onderzoeksontwerp omvat ________ en ________.

methoden, procedures

Wat is een longitudinaal onderzoek?

Een longitudinaal onderzoek volgt dezelfde groep respondenten over een langere periode om veranderingen in gedrag of opvattingen te bestuderen.

Verschil tussen exploratief en beschrijvend onderzoek?

Exploratief onderzoek is gericht op het verkennen van nieuwe ideeën. Beschrijvend onderzoek richt zich op het beschrijven van kenmerken of patronen.

Wat is een variabele?

Een variabele is een kenmerk of eigenschap die kan variëren tussen de respondenten, zoals leeftijd, geslacht of inkomen.

Wat zijn onafhankelijke en afhankelijke variabelen?

Onafhankelijke variabelen zijn de factoren die worden gemanipuleerd, terwijl afhankelijke variabelen de resultaten zijn die worden gemeten.

Wat is triangulatie?

Triangulatie is het gebruik van meerdere methoden of data-bronnen om de validiteit van onderzoeksresultaten te verbeteren.

Wat is etnografisch onderzoek?

Etnografisch onderzoek omvat het observeren en beschrijven van sociale interacties binnen een bepaalde cultuur of gemeenschap.

Noem een voordeel van kwantitatief onderzoek.

Het biedt de mogelijkheid om resultaten statistisch te generaliseren naar een bredere populatie.

Wat is een onderzoeksprobleem?

Een onderzoeksprobleem is een specifieke vraag of probleemstelling waarop het onderzoek is gericht, die leidt tot verdere analyse.

Waarvoor dienen literatuurstudies in een onderzoeksontwerp?

Literatuurstudies helpen bij het identificeren van bestaande kennis, theorieën en hiaten die het onderzoek kunnen onderbouwen.

Wat is een case study?

Een case study is een diepgaand onderzoek van een enkel geval of een groep, vaak gericht op complexe sociale fenomenen.

Waarvoor staat de term operationalisatie?

Operationalisatie verwijst naar het proces van het vertalen van abstracte concepten naar meetbare variabelen binnen het onderzoek.

Dataverzameling(16)

Wat is dataverzameling?

Het proces van het verzamelen van gegevens om onderzoeksvragen te beantwoorden.

Kwalitatieve versus kwantitatieve data?

Kwalitatieve data zijn descriptief, kwantitatieve data zijn numeriek. - Voorbeeld: interviews vs. enquêtes.

Noem een voordeel van enquêtes.

Ze kunnen veel respondenten bereiken en zijn gemakkelijk te analyseren.

Wat is een steekproef?

Een representatieve selectie van een grotere populatie voor dataverzameling.

Vul de lege plek in: Het doel van ... is om diepgaande inzichten te verkrijgen.

kwalitatief onderzoek

Observatie als dataverzamelingsmethode.

Het systematisch bekijken van mensen in hun natuurlijke omgeving om gedrag te registreren.

Waarvoor dienen interviews in sociologisch onderzoek?

Ze bieden gedetailleerde informatie over persoonlijke ervaringen en meningen.

Waar moet je op letten bij een enquête?

Duidelijke vragen, representatieve steekproef, en ethische overwegingen.

Is focusgroepen een effectieve methode voor dataverzameling? Waarom?

Ja, omdat deelnemers ideeën en perspectieven delen, wat rijke kwalitatieve data oplevert.

Wat is secundaire data?

Gegevens die door anderen zijn verzameld, zoals eerder onderzoek of statistieken.

Voorbeeld van dataverzameling met observatie.

Een socioloog observeert hoe jongeren zich in een park gedragen.

Kwantitatieve data zijn vaak geanalyseerd met ...

... statistische methoden, zoals descriptieve statistiek en inferentiële statistiek.

Wat zijn de voordelen van online enquêtes?

Gemak, lagere kosten, en snel gegevens verzamelen.

Wat is een case study?

Een diepgaande analyse van een specifiek geval of situatie in de sociologie.

Verschil tussen primaire en secundaire data?

Primaire data zijn direct verzameld voor het huidige onderzoek; secundaire data zijn eerder verzameld.

Wat is triangulatie?

Het gebruik van meerdere dataverzamelingsmethoden om de betrouwbaarheid van de resultaten te vergroten.

Data-analyse(16)

Wat is kwantitatieve data-analyse?

Het analyseren van gegevens die in numerieke vorm zijn. Dit omvat statistieken en meetbare variabelen.

Wat is kwalitatieve data-analyse?

Het analyseren van gegevens die niet-numeriek zijn, zoals teksten, interviews en observaties.

Hoe bepaal je de steekproefgrootte?

De steekproefgrootte is afhankelijk van de populatie, het betrouwbaarheidsniveau en de verwachte variabiliteit.

Twee methoden voor data-analyse:

- Statistische analyse - Inhoudsanalyse

Vul de lege plek in: Correlatie meet de __________ tussen twee variabelen.

relatie

Wat is een regressieanalyse?

Een statistische techniek om de relatie tussen één of meerdere onafhankelijke variabelen en een afhankelijke variabele te onderzoeken.

Waarvoor gebruik je SPSS?

SPSS is software voor statistische analyse. Het helpt bij het uitvoeren van regressies, t-tests en beschrijvende statistieken.

Wat is het verschil tussen descriptieve en inferentiële statistiek?

Descriptieve statistiek beschrijft data, terwijl inferentiële statistiek conclusies trekt over de populatie op basis van steekproeven.

Waar is een histogram voor?

Een histogram visualiseert de frequentieverdeling van kwantitatieve data. Het toont hoe vaak elke waarde voorkomt.

Kies waar of niet waar: 'Statistische significantie betekent dat het resultaat belangrijk is.'

Niet waar - Statistische significantie betekent dat het resultaat waarschijnlijk niet door toeval is ontstaan, niet per se dat het belangrijk is.

Wat is de rol van een ANOVA-test?

ANOVA (Analyse van Variantie) vergelijkt de gemiddelden van drie of meer groepen om te testen op significante verschillen.

Geef een voorbeeld van kwalitatieve data-analyse.

Een thematische analyse van interviewtranscripten om terugkerende thema's en patronen te identificeren.

Hoe wordt een frequentietabel gebruikt?

Een frequentietabel toont het aantal keren dat elke waarde voorkomt in een dataset, waardoor een overzichtelijke weergave ontstaat.

Wat is het doel van een boxplot?

Een boxplot visualiseert de spreiding van data, toont mediane waarden en identificeert outliers.

Vul in: De standaardafwijking meet de __________ van gegevens ten opzichte van het gemiddelde.

spreiding

Wat is een chi-kwadraat-test?

Een statistische test die onderzoekt of er een significante associatie is tussen twee categorische variabelen.

Vragen in deze set(48)

1. Wat is het doel van een onderzoeksontwerp?

A.Een plan voor de uitvoering van het onderzoek.
B.Een lijst van alle respondenten.
C.Een verzameling van statistische gegevens.
D.Een samenvatting van eerdere onderzoeken.

2. Wat wordt verstaan onder dataverzameling?

A.Het proces van het verzamelen van gegevens om onderzoeksvragen te beantwoorden.
B.Het analyseren van bestaande gegevens voor een onderzoek.
C.Het presenteren van onderzoeksresultaten aan een publiek.
D.Het ontwikkelen van een hypothese voor een studie.

3. Wat beschrijft kwantitatieve data-analyse?

A.Het analyseren van numerieke gegevens.
B.Het onderzoeken van teksten en interviews.
C.Het verzamelen van observaties.
D.Het maken van visuele presentaties.

4. Welke vorm van onderzoek richt zich op het verzamelen van numerieke data?

A.Kwantitatief onderzoek.
B.Kwalitatief onderzoek.
C.Etnografisch onderzoek.
D.Longitudinaal onderzoek.

5. Wat is het belangrijkste kenmerk van kwalitatieve data?

A.Het is descriptief en niet-numeriek.
B.Het kan in grafieken worden weergegeven.
C.Het is altijd gebaseerd op grote populaties.
D.Het is uitsluitend gebaseerd op cijfers.

6. Welke van de volgende is een voorbeeld van kwalitatieve data-analyse?

A.Het berekenen van gemiddelden.
B.Een thematische analyse van gesprekken.
C.Het opstellen van grafieken.
D.Het uitvoeren van regressieanalyses.

7. Wat is een hypothese?

A.Een ongetest idee over sociale fenomenen.
B.Een testbare veronderstelling over relaties tussen variabelen.
C.Een algemene conclusie gebaseerd op observaties.
D.Een beschrijving van een onderzoeksprobleem.

8. Wat is een voordeel van het gebruik van enquêtes?

A.Ze kunnen een breed scala aan respondenten bereiken.
B.Ze zijn altijd de meest betrouwbare dataverzamelingsmethode.
C.Ze vereisen geen voorafgaande planning.
D.Ze bieden altijd directe feedback.

9. Wat is een van de belangrijkste factoren bij het bepalen van de steekproefgrootte?

A.De verwachte variabiliteit in de populatie.
B.Het aantal beschikbare respondenten.
C.De duur van het onderzoek.
D.De gebruikte analysemethode.

10. Wat is het verschil tussen een steekproef en een populatie?

A.Een steekproef is een kleinere groep binnen een grotere populatie.
B.Een steekproef omvat altijd alle leden van de populatie.
C.Een steekproef kan niet representatief zijn.
D.Een steekproef verwijst naar een theoretische groep.

11. Wat is het doel van een steekproef?

A.Een representatieve selectie maken van een grotere populatie.
B.Het analyseren van historische gegevens.
C.Het uitsluiten van bepaalde respondenten.
D.Het vergroten van de onderzoekskosten.

12. Wat is een belangrijke functie van statistische analyse?

A.Het uitvoeren van tekstanalyses.
B.Het maken van kwalitatieve interviews.
C.Het identificeren van patronen in kwantitatieve data.
D.Het schrijven van onderzoeksvoorstellen.

13. Wat is een longitudinaal onderzoek?

A.Onderzoek dat op één moment plaatsvindt.
B.Onderzoek dat verschillende groepen vergelijkt.
C.Onderzoek dat dezelfde groep over tijd volgt.
D.Onderzoek dat zich richt op historische data.

14. Wat krijg je als je het doel van kwalitatief onderzoek invult?

A.Diepgaande inzichten.
B.Enkele statistieken.
C.Eenduidige antwoorden.
D.Grote datasets.

15. Wat meet correlatie?

A.De afstand tussen twee punten.
B.De relatie tussen twee variabelen.
C.De gemiddelde waarde van een dataset.
D.De tijdsduur van een experiment.

16. Wat is het doel van exploratief onderzoek?

A.Het beschrijven van bestaande patronen.
B.Het verkennen van nieuwe ideeën en concepten.
C.Het testen van hypothesen.
D.Het verzamelen van statistische data.

17. Wat houdt observatie in als dataverzamelingsmethode?

A.Het systematisch bekijken van mensen in hun natuurlijke omgeving.
B.Het afnemen van schriftelijke enquêtes onder respondenten.
C.Het uitvoeren van experimenten in gecontroleerde omgevingen.
D.Het analyseren van gegevens op basis van eerdere studies.

18. Wat is de primaire toepassing van regressieanalyse?

A.Het vergelijken van gemiddelden.
B.Het onderzoeken van relaties tussen variabelen.
C.Het verzamelen van kwalitatieve data.
D.Het visualiseren van grafieken.

19. Hoe worden onafhankelijke en afhankelijke variabelen gedefinieerd?

A.Onafhankelijke variabelen worden gemanipuleerd; afhankelijke variabelen worden gemeten.
B.Onafhankelijke variabelen zijn altijd constant; afhankelijke variabelen variëren.
C.Onafhankelijke variabelen zijn de resultaten; afhankelijke variabelen zijn de oorzaak.
D.Onafhankelijke variabelen zijn secundair; afhankelijke variabelen zijn primair.

20. Welke rol spelen interviews in sociologisch onderzoek?

A.Ze bieden gedetailleerde informatie over persoonlijke ervaringen.
B.Ze zijn de enige manier om kwantitatieve data te verzamelen.
C.Ze verminderen de noodzaak voor andere dataverzamelingsmethoden.
D.Ze zijn altijd sneller dan enquêtes.

21. Waarvoor staat SPSS?

A.Software voor statistische analyse.
B.Een type kwalitatieve data-analyse.
C.Een statistische formule.
D.Een methode voor dataverzameling.

22. Wat is triangulatie in onderzoek?

A.Het combineren van verschillende gegevensbronnen om validiteit te verbeteren.
B.Het vergelijken van verschillende onderzoeksresultaten.
C.Het toepassen van statistische analyses op kwalitatieve data.
D.Het gebruik van een enkele methode voor dataverzameling.

23. Waar moet je op letten bij het ontwerpen van een enquête?

A.Duidelijke vragen en een representatieve steekproef.
B.Complexe vragen om diepgang te creëren.
C.Vereiste deelname van een kleine groep.
D.Het vermijden van ethische overwegingen.

24. Wat is het belangrijkste verschil tussen descriptieve en inferentiële statistiek?

A.Descriptieve statistiek beschrijft data, inferentiële statistiek trekt conclusies.
B.Inferentiële statistiek beschrijft data, descriptieve statistiek trekt conclusies.
C.Er is geen verschil.
D.Descriptieve statistiek is altijd kwantitatief.

25. Wat kenmerkt etnografisch onderzoek?

A.Het gebruiken van statistische analyses.
B.Het observeren van culturele en sociale interacties.
C.Het uitvoeren van experimenten in een laboratorium.
D.Het beschrijven van historische gebeurtenissen.

26. Waarom zijn focusgroepen een effectieve methode voor dataverzameling?

A.Deelnemers delen ideeën en perspectieven.
B.Ze zijn altijd representatief voor de hele populatie.
C.Ze vereisen geen voorbereiding.
D.Ze bieden alleen kwantitatieve data.

27. Wat toont een histogram?

A.De gemiddelde waarde van een dataset.
B.De spreiding van gegevens.
C.De frequentieverdeling van kwantitatieve data.
D.De correlatie tussen twee variabelen.

28. Wat is een voordeel van kwantitatief onderzoek?

A.Het biedt rijke, gedetailleerde data.
B.Het maakt statistische generalisatie mogelijk.
C.Het is altijd goedkoper dan kwalitatief onderzoek.
D.Het vereist geen hypothesen.

29. Wat zijn secundaire gegevens?

A.Gegevens die door anderen zijn verzameld.
B.Gegevens die speciaal voor het onderzoek zijn verzameld.
C.Gegevens die alleen in de digitale vorm bestaan.
D.Gegevens die niet relevant zijn voor het onderzoek.

30. Wat betekent statistische significantie?

A.Het resultaat is altijd belangrijk.
B.Het resultaat is waarschijnlijk niet door toeval ontstaan.
C.Het resultaat heeft betrekking op kwalitatieve data.
D.Het resultaat kan niet worden geanalyseerd.

31. Wat is een onderzoeksprobleem?

A.Een algemene vraag over de maatschappij.
B.Een specifieke vraag die het onderzoek aanstuurt.
C.Een conclusie gebaseerd op data-analyse.
D.Een verzameling van literatuur.

32. Geef een voorbeeld van dataverzameling met observatie.

A.Een socioloog observeert gedragingen in een park.
B.Een onderzoeker analyseert eerdere enquêtegegevens.
C.Een team voert een online enquête uit.
D.Een onderzoeker schrijft een literatuuronderzoek.

33. Wat doet een ANOVA-test?

A.Vergelijkt gemiddelden van twee groepen.
B.Vergelijkt gemiddelden van drie of meer groepen.
C.Analyseert kwalitatieve data.
D.Berekent de standaardafwijking.

34. Wat is de functie van een literatuurstudie in een onderzoeksontwerp?

A.Het identificeren van bestaande kennis en hiaten.
B.Het verzamelen van primaire data.
C.Het creëren van hypothesen.
D.Het testen van de resultaten.

35. Wat is de gebruikelijke methode voor het analyseren van kwantitatieve data?

A.Statistische methoden.
B.Enkele interviews.
C.Literatuuronderzoek.
D.Focusgroepen.

36. Geef een voorbeeld van hoe een frequentietabel wordt gebruikt.

A.Om de gemiddelde waarde te berekenen.
B.Om het aantal keren dat elke waarde voorkomt te tonen.
C.Om de standaardafwijking te berekenen.
D.Om de correlatie tussen variabelen te meten.

37. Wat is een case study?

A.Een breed overzicht van een populatie.
B.Een diepgaand onderzoek van een enkel geval.
C.Een statistische analyse van data.
D.Een experiment met meerdere variabelen.

38. Wat zijn de voordelen van online enquêtes?

A.Gemak en lagere kosten.
B.Hogere respondentenverhouding zonder marketing.
C.Verhoogde tijdsduur voor dataverzameling.
D.Minder kans op fouten in de antwoorden.

39. Wat is het doel van een boxplot?

A.Het tonen van de correlatie tussen twee variabelen.
B.Het visualiseren van de spreiding van data.
C.Het berekenen van statistische significantie.
D.Het verzamelen van kwalitatieve data.

40. Waar verwijst de term operationalisatie naar?

A.Het proces van het verzamelen van data.
B.Het vertalen van abstracte concepten naar meetbare variabelen.
C.Het evalueren van onderzoeksresultaten.
D.Het definiëren van de steekproef.

41. Wat is een case study in de sociologie?

A.Een diepgaande analyse van een specifiek geval.
B.Een wiskundige formule voor dataverzameling.
C.Een statistische samenvatting van gegevens.
D.Een type kwantitatieve enquête.

42. Wat meet de standaardafwijking?

A.De afstand tussen twee datapunten.
B.De gemiddelde waarde van een dataset.
C.De spreiding van gegevens ten opzichte van het gemiddelde.
D.De correlatie tussen variabelen.

43. Wat beschrijft een onderzoeksontwerp?

A.Een plan dat de structuur van het onderzoek bepaalt.
B.Een verzameling van statistische gegevens.
C.Een groep respondenten die de steekproef vormt.
D.De conclusie van het onderzoek.

44. Wat is het verschil tussen primaire en secundaire data?

A.Primaire data zijn direct verzameld voor het onderzoek.
B.Secundaire data zijn altijd minder betrouwbaar.
C.Primaire data zijn goedkoper om te verzamelen.
D.Secundaire data zijn nooit nuttig voor onderzoeksdoelen.

45. Wat onderzoekt een chi-kwadraat-test?

A.De associatie tussen twee categorische variabelen.
B.De gemiddelde waarde van een dataset.
C.De spreiding van kwantitatieve data.
D.De frequentieverdeling van numerieke waarden.

46. Welke van de volgende beschrijvingen past niet bij kwalitatief onderzoek?

A.Het gebruik van diepte-interviews voor gegevensverzameling.
B.Het analyseren van statistische gegevens.
C.Het observeren van sociale interacties.
D.Het verzamelen van narratieve gegevens.

47. Wat houdt triangulatie in bij dataverzameling?

A.Het gebruik van meerdere methoden om resultaten te verifiëren.
B.Het verzamelen van data uit één enkele bron.
C.Het analyseren van data met slechts één techniek.
D.Het creëren van een hypothese.

48. Welk van de volgende is GEEN methode voor data-analyse?

A.Statistische analyse
B.Inhoudsanalyse
C.Kwalitatieve interviewtechnieken
D.Literatuuronderzoek

Gerelateerde sets

Maak je eigen studieset

Upload een PDF, plak je notities of beschrijf een onderwerp – AI genereert flashcards, quizzen en meer in seconden.