Sociale mobiliteit oefenvragen

Oefenvragen over sociale mobiliteit, gericht op ongelijkheid en relevante sociologische begrippen, voor studenten in Nederland.

Jesse2011·40 flashcards·40 vragen
wosociologyinequality
0
Ken ik
1 / 40
0
Aan het leren
Voorkant

Wat is sociale mobiliteit?

Tik om om te draaien
Achterkant

Het vermogen van individuen om van sociale klasse te veranderen, vaak gemeten in de mate van economische en sociale status.

Tik om om te draaien
Ken ik
Aan het leren

Quiz(40 vragen)

Vraag 1 van 40

1. Wat is het belangrijkste kenmerk van sociale mobiliteit?

Termen in deze set(40)

Basisconcepten van sociale mobiliteit(16)

Wat is sociale mobiliteit?

Het vermogen van individuen om van sociale klasse te veranderen, vaak gemeten in de mate van economische en sociale status.

Wat zijn de twee soorten sociale mobiliteit?

Opwaartse mobiliteit: stijging in sociale status. Neerwaartse mobiliteit: daling in sociale status.

Vul de lege plek in: Sociale mobiliteit kan ____ of ____ zijn.

opwaarts; neerwaarts

Wat is intergeneratieve mobiliteit?

De verandering in sociale status tussen verschillende generaties binnen een gezin.

Is sociale mobiliteit altijd positief?

Onjuist, het kan ook negatieve gevolgen hebben zoals sociale isolatie.

Geef een voorbeeld van verticale mobiliteit.

Iemand die als leraar begint en later directeur wordt.

Wat is horizontale mobiliteit?

Verandering van beroep of functie zonder verandering in sociale status.

Factoren die sociale mobiliteit beïnvloeden?

Onderwijsniveau, economische kansen, netwerken, culturele achtergrond.

Wat is de rol van onderwijs in sociale mobiliteit?

Onderwijs biedt vaardigheden en kennis, wat kansen vergroot voor hogere sociale status.

Vergelijk sociale mobiliteit en sociale stratificatie.

Sociale mobiliteit: verandering in sociale positie. Sociale stratificatie: indeling van individuen in sociale lagen.

Wat betekent 'structurele mobiliteit'?

Verandering in sociale positie door veranderingen in de samenleving, bijvoorbeeld economische groei.

Waarvoor staat de term 'sociale gelijkheid'?

Een situatie waarin individuen gelijke kansen hebben om sociaal te stijgen.

Wat zijn 'mobiliteitskanalen'?

De routes of mechanismen waarmee individuen sociale mobiliteit kunnen bereiken, zoals onderwijs of werkgelegenheid.

Wat zijn de gevolgen van gebrek aan sociale mobiliteit?

Toegenomen ongelijkheid, frustratie en sociale onrust.

Wat is 'klassepositie'?

De sociale en economische status van een individu binnen de hiërarchie van de samenleving.

Wat betekent 'kolomtheorie' in sociale mobiliteit?

De theorie die stelt dat sociale mobiliteit afhankelijk is van de eigenschappen van sociale klassen.

Factoren die sociale mobiliteit beïnvloeden(12)

Wat zijn economische factoren?

Factoren die invloed hebben op inkomen en werkgelegenheid. Voorbeelden: - Opleidingsniveau - Arbeidsmarkt - Economische groei

Hoe beïnvloedt cultuur sociale mobiliteit?

Cultuur kan kansen scheppen of beperken. Voorbeelden: - Waarden en normen - Onderwijs - Sociale netwerken

Invloed van sociaal kapitaal?

Sociale netwerken bieden ondersteuning en informatie. Dit kan leiden tot: - Betere werkgelegenheid - Grotere kansen - Meer toegang tot middelen

Waar staat de term 'intergenerational mobility' voor?

De sociale statusverandering tussen generaties. Voorbeeld: - Kinderen van werkende ouders die hogeropkomen.

Waar of niet waar: Onderwijs bevordert altijd sociale mobiliteit.

Niet waar. Onderwijs is slechts een factor; andere invloeden zoals afkomst en netwerken zijn ook cruciaal.

Invloed van economische crisis op mobiliteit?

Economische crises leiden vaak tot: - Verlies van banen - Minder investeringen in onderwijs - Verminderde sociale stijging

Wat zijn culturele barrières?

Belemmeringen die voortkomen uit cultuur, zoals: - Vooroordelen - Stereotypen - Beperkte toegang tot informatie

Vul in: Sociale ________ beïnvloeden mobiliteit.

netwerken

Vergelijk directe en indirecte mobiliteit.

Directe mobiliteit: verandering van sociale status binnen één generatie. Indirecte mobiliteit: veranderingen tussen generaties.

Welke rol speelt overheid in sociale mobiliteit?

Overheid kan invloed uitoefenen door: - Beleid voor onderwijs - Werkgelegenheidsprogramma's - Sociale voorzieningen

Gevolgen van beperkte sociale mobiliteit?

Beperkte mobiliteit leidt tot: - Ongelijkheid - Sociale spanningen - Economische stagnatie

Wat is de rol van discriminatie?

Discriminatie kan kansen beperken, zoals: - Op de arbeidsmarkt - In het onderwijs - Bij sociale interacties

Gevolgen van sociale mobiliteit(12)

Wat is een gevolg van sociale mobiliteit?

Verbetering van levensstandaard en welzijn van individuen.

Vul de lege plek in: Sociale mobiliteit kan leiden tot _________.

... grotere sociale cohesie binnen gemeenschappen.

Waar leidt hoge sociale mobiliteit vaak toe?

... tot een grotere economische groei en innovatie.

Sociale mobiliteit → meer kansen voor wie?

Voor kansarmen en minderheden om uit armoede te stijgen.

Waar kan lage sociale mobiliteit voor zorgen?

... Versterking van sociale ongelijkheid en conflicten.

Waar heeft sociale mobiliteit invloed op?

... Onderwijs, werkgelegenheid en gezondheidszorg.

Waaruit bestaat sociale mobiliteit?

Veranderingen in: - sociale klasse - inkomen - beroepsstatus.

Wat is het effect van sociale mobiliteit op de samenleving?

Verhoogde sociale rechtvaardigheid en vermindering van ongelijkheid.

Is het waar dat sociale mobiliteit altijd positief is?

Niet altijd; kan ook leiden tot sociale spanning en ressentiment.

Geef een voorbeeld van sociale mobiliteit.

Iemand die van een arbeiders gezin naar een hogere beroepsgroep stijgt.

Hoe beïnvloedt sociale mobiliteit de economische structuur?

... Het bevordert diversiteit en competitiviteit op de arbeidsmarkt.

Waarom is het belangrijk om sociale mobiliteit te meten?

Om te begrijpen hoe gelijkheid van kansen in de samenleving is.

Vragen in deze set(40)

1. Wat is het belangrijkste kenmerk van sociale mobiliteit?

A.Verandering van sociale klasse
B.Verandering van woonplaats
C.Verandering van leeftijd
D.Verandering van gender

2. Wat zijn economische factoren die sociale mobiliteit beïnvloeden?

A.Opleidingsniveau
B.Persoonlijke voorkeuren
C.Familiewaarden
D.Culturele tradities

3. Wat is een positief gevolg van sociale mobiliteit?

A.Verbetering van de levensstandaard.
B.Toename van sociale isolatie.
C.Afname van de economie.
D.Versterking van armoede.

4. Welke van de volgende is géén type sociale mobiliteit?

A.Opwaartse mobiliteit
B.Neerwaartse mobiliteit
C.Horizontale mobiliteit
D.Economische mobiliteit

5. Hoe kan een hoge werkloosheid sociale mobiliteit beïnvloeden?

A.Het verhoogt kansen op werk.
B.Het leidt tot minder investeringen in onderwijs.
C.Het vermindert de sociale netwerken.
D.Het versterkt culturele normen.

6. Welke factor kan sociale mobiliteit bevorderen?

A.Toegang tot goed onderwijs.
B.Verhoogde belastingdruk.
C.Beperkte toegang tot gezondheidszorg.
D.Conservatief beleid.

7. Wat betekent 'intergeneratieve mobiliteit'?

A.Mobiliteit binnen dezelfde generatie
B.Mobiliteit tussen verschillende generaties
C.Mobiliteit in economische termen
D.Mobiliteit in geografische termen

8. Wat is een voorbeeld van sociale netwerken die sociale mobiliteit bevorderen?

A.Familieleden die een goed netwerk hebben.
B.Een persoon met een hobby.
C.Een online game community.
D.Een buurman zonder werk.

9. Wat kan een gevolg zijn van een gebrek aan sociale mobiliteit?

A.Versterking van sociale ongelijkheid.
B.Toename van culturele diversiteit.
C.Grotere solidariteit binnen gemeenschappen.
D.Stijging van innovatie.

10. Bij welke vorm van mobiliteit verandert iemand van functie, maar blijft de sociale status gelijk?

A.Verticaal
B.Horizontaal
C.Intergenerationeel
D.Structureel

11. Wat zijn culturele barrières?

A.Taalverschillen.
B.Vooroordelen en stereotypen.
C.Technologische beperkingen.
D.Schaarste aan middelen.

12. Hoe kan sociale mobiliteit de economie beïnvloeden?

A.Het bevordert werkgelegenheid en innovatie.
B.Het vermindert de belastinginkomsten.
C.Het leidt tot meer economische stagnatie.
D.Het verhoogt werkloosheid.

13. Wat is een voorbeeld van opwaartse sociale mobiliteit?

A.Een werknemer wordt manager
B.Een leraar verhuist naar een andere stad
C.Een arts stopt met werken
D.Een student kiest voor een andere studie

14. Wat is de betekenis van intergenerationele mobiliteit?

A.Verandering van sociale status binnen één generatie.
B.Verandering van sociale status tussen generaties.
C.De invloed van onderwijs op jongeren.
D.De rol van de overheid in de economie.

15. Wat is een mogelijke negatieve uitkomst van sociale mobiliteit?

A.Sociale spanning en ressentiment.
B.Verhoogde cohesie binnen gemeenschappen.
C.Toegang tot betere gezondheidszorg.
D.Versterking van culturele uitwisseling.

16. Welke factor heeft meestal de grootste invloed op sociale mobiliteit?

A.Onderwijsniveau
B.Huisvesting
C.Leeftijd
D.Gezinsgrootte

17. Welk van de volgende is GEEN invloed op sociale mobiliteit?

A.Opleidingsniveau
B.Sociale netwerken
C.Persoonlijke motivatie
D.Geografische ligging

18. Wat wordt verstaan onder sociale mobiliteit?

A.Veranderingen in sociale klasse of inkomensniveau.
B.Toename van armoede.
C.Afname van werkgelegenheid.
D.Verlies van culturele identiteit.

19. Wat wordt bedoeld met 'structurele mobiliteit'?

A.Veranderingen in de samenleving die mobiliteit beïnvloeden
B.Individuele keuzes die mobiliteit beïnvloeden
C.Verandering door onderwijs
D.Verandering door gezinssituatie

20. Welke rol speelt onderwijs in sociale mobiliteit?

A.Het is de enige bepalende factor.
B.Het biedt vaardigheden en kennis voor werk.
C.Het heeft geen invloed op inkomen.
D.Het creëert altijd gelijke kansen.

21. Welke uitspraak over sociale mobiliteit is ONJUIST?

A.Het gebeurt alleen in rijke landen.
B.Het kan leiden tot verbeterde kansen voor minderheden.
C.Het kan sociale spanningen met zich meebrengen.
D.Het kan de economische groei bevorderen.

22. Wat is het verschil tussen sociale mobiliteit en sociale stratificatie?

A.Mobiliteit is verandering, stratificatie is indeling
B.Mobiliteit is altijd positief, stratificatie niet
C.Stratificatie betekent stijgen, mobiliteit dalen
D.Mobiliteit gaat alleen over onderwijs

23. Wat is een gevolg van beperkte sociale mobiliteit?

A.Grotere sociale gelijkheid.
B.Verhoogde economische groei.
C.Sociale spanningen en ongelijkheid.
D.Verbeterde toegang tot onderwijs.

24. Wat is een indicator van sociale mobiliteit?

A.Het percentage mensen dat uit de armoede stijgt.
B.De stijging van de voedselprijzen.
C.De daling van het geboortecijfer.
D.Het aantal culturele festivals.

25. Wat zijn mobiliteitskanalen?

A.Routes voor sociale mobiliteit
B.Paden voor economische groei
C.Methoden voor onderwijs
D.Technieken voor sociale controle

26. Welke van de volgende factoren is GEEN economische factor?

A.Opleidingsniveau
B.Arbeidsmarkt
C.Discriminatie
D.Economische groei

27. Wat is een gevolg van een hoge sociale mobiliteit voor een samenleving?

A.Verhoogde sociale rechtvaardigheid.
B.Toename van criminaliteit.
C.Vermindering van economische groei.
D.Afname van diversiteit.

28. Wat is een mogelijke gevolg van gebrek aan sociale mobiliteit?

A.Toegenomen ongelijkheid
B.Grotere sociale cohesie
C.Meer economische kansen
D.Verbeterde levenskwaliteit

29. Hoe beïnvloeden sociale netwerken de sociale mobiliteit?

A.Ze bieden toegang tot informatie en kansen.
B.Ze creëren altijd economische rijkdom.
C.Ze zijn alleen belangrijk voor de elite.
D.Ze hebben geen invloed op werkgelegenheid.

30. Hoe beïnvloedt sociale mobiliteit de segregatie in een samenleving?

A.Het kan de segregatie verminderen.
B.Het verhoogt de segregatie.
C.Het heeft geen invloed op segregatie.
D.Het leidt tot meer armoede.

31. Wat is 'klassepositie'?

A.De sociale en economische status binnen de hiërarchie
B.De fysieke locatie van een individu
C.De landelijke herkomst van een individu
D.De leeftijd van een individu

32. Wat is het effect van een economische crisis op sociale mobiliteit?

A.Het vergroot de kansen op werk.
B.Het bevordert investeringen in onderwijs.
C.Het kan leiden tot verlies van banen.
D.Het heeft geen impact op sociale stijging.

33. Wat is een voorbeeld van verticale sociale mobiliteit?

A.Iemand die van een arbeidersgezin naar een hogere beroepsgroep stijgt.
B.Iemand die van stad naar platteland verhuist.
C.Iemand die van school naar een andere school gaat.
D.Iemand die een nieuwe hobby begint.

34. Wat is een kenmerk van sociale gelijkheid?

A.Gelijke kansen voor sociale stijging
B.Gelijke inkomsten voor iedereen
C.Gelijke sociale netwerken
D.Gelijke huisvesting voor iedereen

35. Wat is een voorbeeld van een culturele invloed op sociale mobiliteit?

A.Onderwijsniveau van ouders.
B.Gemiddeld inkomen van een regio.
C.Toegang tot technologie.
D.Politieke stabiliteit.

36. Waarom is het belangrijk om sociale mobiliteit te bestuderen?

A.Om kansen voor iedereen in de samenleving te begrijpen.
B.Om te zien hoe rijkdom wordt geconcentreerd.
C.Om de geschiedenis van armoede te analyseren.
D.Om te onderzoeken waarom mensen verhuizen.

37. Wat is een voorbeeld van negatieve sociale mobiliteit?

A.Iemand die zijn baan verliest en in een lager salaris terechtkomt
B.Iemand die promoveert tot professor
C.Iemand die verhuist naar een betere buurt
D.Iemand die een eigen bedrijf begint

38. Wat houdt de kolomtheorie in?

A.Mobiliteit afhankelijk van sociale klasse
B.Mobiliteit afhankelijk van leeftijd
C.Mobiliteit afhankelijk van inkomen
D.Mobiliteit afhankelijk van regio

39. Welke van de volgende beweringen is juist over horizontale mobiliteit?

A.Het houdt geen verandering in sociale status in
B.Het leidt altijd tot een lagere sociale status
C.Het is zeldzaam in de moderne samenleving
D.Het komt alleen voor bij jongeren

40. Wat wordt bedoeld met 'sociale stratificatie'?

A.De indeling van individuen in verschillende sociale lagen
B.De verandering in sociale status binnen een generatie
C.Een theorie over onderwijs en sociale mobiliteit
D.De oorzaak van economische groei

Gerelateerde sets

Maak je eigen studieset

Upload een PDF, plak je notities of beschrijf een onderwerp – AI genereert flashcards, quizzen en meer in seconden.