Etnische ongelijkheid tentamenvragen

Een set van tentamenvragen over etnische ongelijkheid, gericht op sociologische concepten en termen. Deze flashcards helpen studenten om hun kennis over etnische ongelijkheid te verdiepen en te verduidelijken.

Sara86·32 flashcards·32 vragen
wosociologyinequality
0
Ken ik
1 / 32
0
Aan het leren
Voorkant

Wat is etnische ongelijkheid?

Tik om om te draaien
Achterkant

Ongelijke toegang tot hulpbronnen en kansen op basis van etnische achtergrond.

Tik om om te draaien
Ken ik
Aan het leren

Quiz(32 vragen)

Vraag 1 van 32

1. Wat is de belangrijkste oorzaak van etnische ongelijkheid in de samenleving?

Termen in deze set(32)

Basisconcepten(16)

Wat is etnische ongelijkheid?

Ongelijke toegang tot hulpbronnen en kansen op basis van etnische achtergrond.

Voorbeeld van etnische ongelijkheid?

- Werkloosheidscijfers tussen etnische groepen. - Verschillen in onderwijsresultaten.

Vul de lege plek in: Etnische ongelijkheid leidt tot ________.

sociale spanningen.

Etnische discriminatie versus racisme: verschil?

Discriminatie: ongelijke behandeling. Racisme: ideologie van superioriteit.

Is etnische ongelijkheid altijd zichtbaar?

Niet altijd; kan structureel en impliciet zijn.

Wat zijn micro-agressies?

Kleine, vaak onbewuste, kwetsende uitspraken of gedragingen jegens etnische minderheden.

Noem een gevolg van etnische ongelijkheid.

Verlaagde sociale cohesie en vertrouwen in instellingen.

Fill in the blank: Etnische ongelijkheid kan leiden tot ________.

economische achterstand.

Wat zijn institutionele mechanismen van ongelijkheid?

Beleidsregels en praktijken die ongelijkheid perpetueren, zoals schoolfinanciering.

Is etnische ongelijkheid een individueel of structureel probleem?

Structureel; het is ingebed in de samenleving.

Wat zijn etnische identiteiten?

Sociale categorieën gebaseerd op culturele en historische achtergrond.

Verschil tussen etnische groep en nationaliteit?

Etnische groep: cultureel. Nationaliteit: juridisch.

Wat zijn stereotypen?

Overgeneralisaties over een groep, vaak negatief.

Etnische ongelijkheid: oorzaak of gevolg van armoede?

Beide; ze versterken elkaar.

Noem een voorbeeld van positieve discriminatie.

Affirmative action in het onderwijs.

Wat is intersectionaliteit?

De kruising van verschillende identiteiten en hoe deze ongelijkheid beïnvloeden.

Oorzaken en Gevolgen(16)

Wat is structurele ongelijkheid?

Structurele ongelijkheid verwijst naar ongelijkheid die diepgeworteld is in de sociale structuren van een samenleving, zoals wetgeving en instituties.

Noem een gevolg van etnische discriminatie.

Verlies van economische kansen - minder toegang tot banen, lagere salarissen en beperkte carrièremogelijkheden.

Waar leidt raciale segregatie vaak toe?

Tot beperkte toegang tot onderwijs en gezondheidszorg - vermindert sociale mobiliteit en versterkt ongelijkheid.

Waarin verschilt institutionele discriminatie van persoonlijke discriminatie?

Institutionele discriminatie is systematisch en wijdverspreid; persoonlijke discriminatie is individueel en contextafhankelijk.

Hoe beïnvloedt sociaal-economische status etnische ongelijkheid?

Laag inkomen → beperkte toegang tot middelen → versterkt etnische ongelijkheid.

Waarom is onderwijs belangrijk in de strijd tegen ongelijkheid?

Onderwijs vergroot kansen, bevordert sociale mobiliteit en vermindert stereotypen.

Wat is de rol van media in etnische ongelijkheid?

Media kan stereotypes verspreiden, maar ook bewustwording en verandering stimuleren.

Vul in: Etnische ongelijkheid kan leiden tot __________.

sociale onrust en conflicten.

Hoe beïnvloedt globalisering etnische ongelijkheid?

Globalisering kan zowel kansen bieden als ongelijkheid verergeren door uitbuiting in lage-lonen landen.

Wat is de impact van beleidsmaatregelen op etnische groepen?

Beleidsmaatregelen kunnen ongelijkheid verminderen of versterken, afhankelijk van hun ontwerp en uitvoering.

Wat zijn de gevolgen van arbeidsdiscriminatie?

Minder werkgelegenheid voor bepaalde etnische groepen, wat leidt tot hogere werkloosheidscijfers en armoede.

Noem een voorbeeld van culturele ongelijkheid.

Taalbarrières kunnen de toegang tot onderwijs en werk belemmeren voor niet-Nederlandstaligen.

Wat is het effect van woonsegregatie op etnische groepen?

Woonsegregatie leidt tot beperkte toegang tot goede scholen en voorzieningen, wat ongelijkheid in stand houdt.

Noem een factor die bijdraagt aan etnische ongelijkheid.

Vooroordelen en stereotypen - beïnvloeden interacties en kansen in de samenleving.

Etnische ongelijkheid is altijd zichtbaar in __________.

de arbeidsmarkt en het onderwijssysteem.

Wat is de relatie tussen criminaliteit en etnische ongelijkheid?

Hogere criminaliteitscijfers in gemarginaliseerde gemeenschappen door armoede en gebrek aan kansen.

Vragen in deze set(32)

1. Wat is de belangrijkste oorzaak van etnische ongelijkheid in de samenleving?

A.Structurele discriminatie
B.Persoonlijke voorkeuren
C.Tijdelijke economische schommelingen
D.Culturele verschillen

2. Wat is een kenmerk van structurele ongelijkheid?

A.Het is diepgeworteld in sociale structuren.
B.Het is altijd zichtbaar in persoonlijke interacties.
C.Het heeft geen invloed op economische kansen.
D.Het is enkel gerelateerd aan individuele gedragingen.

3. Wat zijn micro-agressies?

A.Grote gewelddadige daden
B.Onbewuste kwetsende opmerkingen
C.Openbare protesten
D.Etnische conflicten

4. Wat is een gevolg van etnische discriminatie op de arbeidsmarkt?

A.Verhoogde werkgelegenheid voor alle groepen.
B.Minder toegang tot banen voor bepaalde etnische groepen.
C.Gelijke salarissen voor alle werknemers.
D.Betere carrièremogelijkheden voor gemarginaliseerde groepen.

5. Wat kan een gevolg zijn van etnische ongelijkheid?

A.Verhoogde sociale cohesie
B.Verlaagde sociale cohesie
C.Meer economische kansen
D.Betere onderwijskansen

6. Waar leidt raciale segregatie vaak toe?

A.Tot verhoogde sociale mobiliteit.
B.Tot beperkte toegang tot onderwijs.
C.Tot betere gezondheidszorg voor iedereen.
D.Tot meer culturele diversiteit.

7. Wat is het verschil tussen etnische discriminatie en racisme?

A.Racisme is een soort discriminatie
B.Discriminatie is nooit zichtbaar
C.Racisme is altijd zichtbaar
D.Discriminatie is juridisch gebonden

8. Wat is een voorbeeld van institutionele discriminatie?

A.Een werkgever die een sollicitant afwijst om zijn afkomst.
B.Een wet die minder rechten biedt aan bepaalde etnische groepen.
C.Een vriend die een ander negeert op basis van zijn etniciteit.
D.Een familielid die geen contact meer heeft met een bepaalde groep.

9. Noem een voorbeeld van een institutioneel mechanisme van ongelijkheid.

A.Schoolfinanciering op basis van postcode
B.Vrijwillige hulp aan minderheden
C.Een lokale ondersteuningsgroep
D.Sociale evenementen

10. Hoe beïnvloedt sociaal-economische status etnische ongelijkheid?

A.Het heeft geen invloed.
B.Het verbetert de toegang tot middelen voor iedereen.
C.Laag inkomen kan leiden tot beperkte toegang tot middelen.
D.Het biedt gelijke kansen voor alle etnische groepen.

11. Vul de lege plek in: Etnische ongelijkheid kan leiden tot ________.

A.Economische vooruitgang
B.Sociale spanningen
C.Verbeterde onderwijskansen
D.Culturele uitwisseling

12. Waarom is onderwijs belangrijk in de strijd tegen etnische ongelijkheid?

A.Het heeft geen effect op ongelijkheid.
B.Het bevordert sociale mobiliteit en vermindert stereotypen.
C.Het is enkel relevant voor hogere inkomensgroepen.
D.Het vergroot de kloof tussen etnische groepen.

13. Wat zijn etnische identiteiten?

A.Juridische statussen
B.Culturele en historische categorieën
C.Economische klassen
D.Persoonlijke voorkeuren

14. Wat kan een negatieve rol van media zijn in etnische ongelijkheid?

A.Het verspreiden van stereotypes.
B.Het bevorderen van inclusiviteit.
C.Het informeren over culturele diversiteit.
D.Het ondersteunen van gemeenschapsinitiatieven.

15. Wat is intersectionaliteit?

A.De kruising van verschillende identiteiten
B.Een soort van racisme
C.Een vorm van positieve discriminatie
D.Een juridische term

16. Wat is een mogelijk gevolg van etnische ongelijkheid?

A.Minder sociale onrust.
B.Verhoogde sociale cohesie.
C.Sociale onrust en conflicten.
D.Gelijke kansen voor iedereen.

17. Wat is een voorbeeld van positieve discriminatie?

A.Een algemene sollicitatieprocedure
B.Affirmative action in het onderwijs
C.Iedereen gelijk behandelen
D.Alleen voorkeur geven aan de meerderheid

18. Hoe kan globalisering invloed hebben op etnische ongelijkheid?

A.Het vermindert altijd ongelijkheid.
B.Het kan kansen bieden, maar ook ongelijkheid verergeren.
C.Het heeft geen impact op lokale economieën.
D.Het zorgt voor gelijke kansen wereldwijd.

19. Is etnische ongelijkheid altijd zichtbaar?

A.Ja, altijd zichtbaar
B.Nee, kan ook structureel zijn
C.Ja, alleen in bepaalde situaties
D.Nee, alleen in theorie

20. Wat is de impact van beleidsmaatregelen op etnische groepen?

A.Ze hebben altijd een positieve impact.
B.Ze kunnen ongelijkheid verminderen of versterken.
C.Ze zijn irrelevant voor sociale structuren.
D.Ze zijn alleen gericht op economische groei.

21. Wat zijn stereotypen?

A.Complexe identiteiten
B.Overgeneralisaties over groepen
C.Historische feiten
D.Persoonlijke ervaringen

22. Welke van de volgende is een gevolg van arbeidsdiscriminatie?

A.Lagere werkloosheid voor alle groepen.
B.Hogere werkloosheidscijfers voor bepaalde etnische groepen.
C.Verbeterde economische kansen voor iedereen.
D.Gelijke behandeling in sollicitaties.

23. Wat is een voorbeeld van etnische ongelijkheid in de werkgelegenheid?

A.Gelijke salarissen voor iedereen
B.Verschillen in werkloosheidscijfers
C.Toegang tot dezelfde banen
D.Geen enkele discriminatie

24. Wat is een voorbeeld van culturele ongelijkheid?

A.Toegang tot informatie in meerdere talen.
B.Taalbarrières voor niet-Nederlandstaligen.
C.Culturele uitwisseling tussen etnische groepen.
D.Verschillende culturele festivals.

25. Welke van de volgende opties is géén gevolg van etnische ongelijkheid?

A.Toename van sociale spanningen
B.Verlies van vertrouwen in instellingen
C.Gelijkwaardige kansen voor iedereen
D.Economie die kan lijden

26. Wat is het effect van woonsegregatie op etnische groepen?

A.Verbeterde toegang tot goede scholen.
B.Beperkte toegang tot voorzieningen en diensten.
C.Gelijke leefomstandigheden voor iedereen.
D.Verhoogde sociale integratie.

27. Is etnische ongelijkheid een individueel of structureel probleem?

A.Individueel probleem
B.Structureel probleem
C.Persoonlijk probleem
D.Cultureel probleem

28. Welke van de volgende factoren draagt bij aan etnische ongelijkheid?

A.Vooroordelen en stereotypen.
B.Gelijke kansen op de arbeidsmarkt.
C.Toegankelijkheid van onderwijs voor iedereen.
D.Culturele diversiteit in gemeenschappen.

29. Etnische ongelijkheid wordt vaak versterkt door ________.

A.Economische gelijkheid
B.Onderwijsbeleid
C.Sociale inclusie
D.Culturele uitwisseling

30. Waar is etnische ongelijkheid altijd zichtbaar?

A.In de sportwereld.
B.In de arbeidsmarkt en het onderwijssysteem.
C.In kunst en cultuur.
D.In politieke structuren.

31. Wat is het belangrijkste kenmerk van etnische ongelijkheid?

A.Ongelijke toegang tot hulpbronnen op basis van etnische achtergrond
B.Gelijke kansen voor alle etnische groepen
C.De aanwezigheid van racistische ideologieën
D.Discriminatie op basis van geslacht

32. Wat is de relatie tussen criminaliteit en etnische ongelijkheid?

A.Er is geen verband tussen beide.
B.Hogere criminaliteitscijfers in gemarginaliseerde gemeenschappen door armoede.
C.Alle etnische groepen hebben gelijke criminaliteitscijfers.
D.Etnische ongelijkheid verlaagt criminaliteit.

Gerelateerde sets

Maak je eigen studieset

Upload een PDF, plak je notities of beschrijf een onderwerp – AI genereert flashcards, quizzen en meer in seconden.