Tentamen: Verslaving en middelengebruik

Deze begrippenlijst behandelt de belangrijkste concepten en termen met betrekking tot verslaving en middelengebruik binnen de psychologie. Geschikt voor studenten die zich voorbereiden op een tentamen in klinische psychologie.

Emma66·24 flashcards·24 vragen
wopsychologyclinical
0
Ken ik
1 / 24
0
Aan het leren
Voorkant

Verslaving

Tik om om te draaien
Achterkant

Een toestand waarin een persoon afhankelijk is van een stof of gedrag, ondanks negatieve gevolgen.

Tik om om te draaien
Ken ik
Aan het leren

Quiz(24 vragen)

Vraag 1 van 24

1. Wat wordt bedoeld met verslaving?

Termen in deze set(24)

Basisconcepten van verslaving(16)

Verslaving

Een toestand waarin een persoon afhankelijk is van een stof of gedrag, ondanks negatieve gevolgen.

Wat is middelengebruik?

Het innemen of gebruiken van stoffen, zoals alcohol of drugs, die invloed hebben op de fysieke of mentale toestand.

Tweede-term: Tolerantie

De noodzaak om steeds grotere hoeveelheden van een stof te gebruiken om hetzelfde effect te bereiken.

Wat zijn de symptomen van verslaving?

Verlies van controle, cravings, continu gebruik ondanks schade, en sociale problemen.

Verslaving vs. Gewoon gebruik

Verslaving leidt tot afhankelijkheid, terwijl gewoon gebruik controle en geen negatieve gevolgen heeft.

Wat is een ontwenningssyndroom?

Een reeks symptomen die optreden bij het stoppen of verminderen van het gebruik van een verslavende stof.

Invloed van genetica op verslaving

Genetische factoren kunnen de vatbaarheid voor verslaving verhogen door invloed op het beloningssysteem van de hersenen.

Wat is de rol van sociale factoren?

Omgeving, vrienden en cultuur kunnen de kans op middelengebruik en verslaving beïnvloeden.

Wat is de DSM-5?

De Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders, gebruikt voor het diagnosticeren van psychische aandoeningen, inclusief verslaving.

Verschil tussen fysieke en psychologische afhankelijkheid

Fysieke afhankelijkheid gaat gepaard met ontwenningsverschijnselen; psychologische afhankelijkheid betreft cravings en gedragscontrole.

Wat zijn triggers voor middelengebruik?

Factoren of situaties die de behoefte aan het gebruik van middelen kunnen opwekken, zoals stress of sociale druk.

Wat is het beloningssysteem?

Een netwerk van hersenstructuren dat betrokken is bij het ervaren van plezier en beloningen, vaak beïnvloed door middelengebruik.

Wat zijn de gevolgen van verslaving?

Fysieke gezondheidsproblemen, mentale aandoeningen, sociale isolatie, en juridische gevolgen.

Wat is harm reduction?

Een strategie die gericht is op het verminderen van de negatieve gevolgen van middelengebruik zonder noodzakelijkerwijs het gebruik te stoppen.

Invloed van omgeving op gebruik

Bepaalde omgevingen kunnen het risico van middelengebruik verhogen door sociale druk en beschikbaarheid van middelen.

Wat is preventie?

Acties en programma's die gericht zijn op het voorkomen van middelengebruik en verslaving, vaak gericht op risicogroepen.

Psychologische effecten van middelengebruik(8)

Wat is afhankelijkheid?

Afhankelijkheid is een toestand waarin een persoon psychologisch of fysiologisch afhankelijk is van een middel. Dit leidt vaak tot intense verlangens en ontwenningsverschijnselen.

Verschil tussen tolerantie en afhankelijkheid?

Tolerantie is de behoefte aan hogere doses voor hetzelfde effect. Afhankelijkheid omvat fysieke of mentale noodzaak voor het middel.

Waar zorgt middelengebruik voor in de hersenen?

Middelen kunnen de neurotransmitteractiviteit veranderen, vooral dopamine. Dit kan leiden tot verhoogde stemming of euforie, maar ook tot angst en depressieve symptomen.

Waar staat de term 'ontwenningsverschijnselen' voor?

Ontwenningsverschijnselen zijn fysieke en mentale symptomen die optreden bij het stoppen met het gebruik van een middel. - Hoofdpijn - Misselijkheid - Angst

Verslaving: herhaling van gebruik → ...

... verhoogde behoefte aan het middel. Dit kan leiden tot schadelijk gedrag, sociale problemen en verlies van controle.

Is middelengebruik altijd schadelijk? Waar of niet waar?

Niet waar. Sommige middelen kunnen recreatief worden gebruikt zonder directe schade, maar chronisch gebruik kan leiden tot verslaving.

Geef een voorbeeld van psychologische effecten van alcohol.

Alcohol kan gevoelens van ontspanning en euforie veroorzaken, maar ook agressie en depressie. Langdurig gebruik kan leiden tot cognitieve stoornissen.

Wat is de rol van dopamine bij verslaving?

Dopamine is een neurotransmitter die betrokken is bij beloning en genot. Bij middelengebruik kan de afgifte van dopamine dramatisch stijgen, wat leidt tot verslavend gedrag.

Vragen in deze set(24)

1. Wat wordt bedoeld met verslaving?

A.Een toestand van afhankelijkheid van een stof of gedrag.
B.Het tijdelijk gebruik van een stof zonder gevolgen.
C.Een fase van experimenteren met middelen.
D.Een vorm van sociale druk om middelen te gebruiken.

2. Wat is de belangrijkste neurotransmitter die betrokken is bij de beloningssystemen in de hersenen en vaak een rol speelt bij verslaving?

A.Dopamine
B.Serotonine
C.GABA
D.Glutamaat

3. Wat valt onder middelengebruik?

A.Het innemen van alcohol of drugs.
B.Het deelnemen aan sportactiviteiten.
C.Het lezen van boeken.
D.Het uitwisselen van ideeën in een groep.

4. Welke van de volgende termen beschrijft het fenomeen waarbij een gebruiker steeds meer van een middel nodig heeft om hetzelfde effect te ervaren?

A.Afhankelijkheid
B.Tolerantie
C.Ontwenning
D.Verslaving

5. Wat is tolerantie in de context van verslaving?

A.De noodzaak om steeds grotere hoeveelheden van een stof te gebruiken.
B.Het stoppen met het gebruik van een stof.
C.De verandering in sociale relaties door middelengebruik.
D.De psychologische effecten van een stof.

6. Als iemand stopt met het gebruik van een middel en lichamelijke symptomen ervaart zoals trillen of zweten, welke term beschrijft dit het beste?

A.Afhankelijkheid
B.Ontwenningsverschijnselen
C.Tolerantie
D.Euforie

7. Wat zijn enkele symptomen van verslaving?

A.Verlies van controle en sociale problemen.
B.Een verhoogde productiviteit op het werk.
C.Verbeterde gezondheidsresultaten.
D.Een betere sociale omgang.

8. Wat is een mogelijk psychologisch effect van langdurig alcoholgebruik?

A.Verhoogde cognitieve functies
B.Verlies van controle over gebruik
C.Verbeterde sociale interacties
D.Toegenomen motivatie

9. Wat is een belangrijk verschil tussen verslaving en gewoon gebruik?

A.Verslaving leidt tot afhankelijkheid, gewoon gebruik niet.
B.Gewoon gebruik is altijd gezond.
C.Verslaving komt alleen voor bij jongeren.
D.Gewoon gebruik heeft altijd negatieve gevolgen.

10. Welke uitspraak is juist met betrekking tot middelengebruik?

A.Alle middelengebruik is schadelijk.
B.Sommige middelen kunnen veilig worden gebruikt.
C.Middelengebruik heeft geen effect op de hersenen.
D.Verslaving komt alleen voor bij illegale middelen.

11. Wat houdt een ontwenningssyndroom in?

A.Een reeks symptomen bij het stoppen of verminderen van gebruik.
B.Een mentale toestand die leidt tot verslaving.
C.Een manier om nieuwe middelen te proberen.
D.Een sociale gebeurtenis voor gebruikers.

12. Wat gebeurt er in de hersenen bij het gebruik van middelen die euforie veroorzaken?

A.Verminderde dopamine-afgifte
B.Verhoogde neurotransmitteractiviteit
C.Verlies van neuronen
D.Afname van genetische expressie

13. Hoe kunnen genetische factoren invloed hebben op verslaving?

A.Ze verhogen de vatbaarheid voor verslaving.
B.Ze verminderen de kans op middelengebruik.
C.Ze hebben geen invloed op verslaving.
D.Ze maken middelengebruik altijd sociaal acceptabel.

14. Wat is een belangrijk kenmerk van verslaving?

A.Een tijdelijk verlangen naar het middel
B.Een herhaalde behoefte aan het middel
C.Een toename van sociale contacten
D.Een vermindering van lichamelijke behoeften

15. Wat is de rol van sociale factoren in verslaving?

A.Ze kunnen de kans op middelengebruik en verslaving beïnvloeden.
B.Ze zorgen altijd voor positieve sociale interacties.
C.Ze verlagen de effectiviteit van behandeling.
D.Ze hebben geen invloed op verslaving.

16. Welk van de volgende is GEEN symptoom van de ontwenningsverschijnselen?

A.Hoofdpijn
B.Misselijkheid
C.Euforie
D.Angst

17. Wat is de DSM-5?

A.Een handboek voor het diagnosticeren van psychische aandoeningen.
B.Een programma voor verslavingsbehandeling.
C.Een statistische methode voor sociaal onderzoek.
D.Een type gen dat verslaving beïnvloedt.

18. Wat is een verschil tussen fysieke en psychologische afhankelijkheid?

A.Fysieke afhankelijkheid heeft ontwenningsverschijnselen.
B.Psychologische afhankelijkheid heeft altijd fysieke symptomen.
C.Fysieke afhankelijkheid is minder ernstig.
D.Psychologische afhankelijkheid is volledig te vermijden.

19. Wat zijn triggers voor middelengebruik?

A.Situaties die de behoefte aan middelen opwekken.
B.Gezonde eetgewoonten.
C.Activiteiten die stress verminderen.
D.Ondersteunende sociale netwerken.

20. Wat is het beloningssysteem?

A.Een netwerk van hersenstructuren voor plezier en beloningen.
B.Een systeem voor straf en beloning in het onderwijs.
C.Een sociale groep die middelen gebruikt.
D.Een economische structuur voor middelenhandel.

21. Wat zijn mogelijke gevolgen van verslaving?

A.Fysieke gezondheidsproblemen en sociale isolatie.
B.Altijd economische voordelen.
C.Verbeterde relaties met vrienden.
D.Verhoogde productiviteit op het werk.

22. Wat houdt harm reduction in?

A.Het verminderen van negatieve gevolgen van middelengebruik.
B.Het volledig stoppen met middelengebruik.
C.Het bevorderen van middelengebruik onder jongeren.
D.Het verhogen van belasting op middelen.

23. Hoe beïnvloedt de omgeving het middelengebruik?

A.Bepaalde omgevingen kunnen het risico verhogen.
B.Omgeving heeft geen invloed op verslaving.
C.Een rustige omgeving leidt altijd tot minder gebruik.
D.Een ondersteunende omgeving bevordert altijd gebruik.

24. Wat houdt preventie in?

A.Acties en programma's gericht op het voorkomen van verslaving.
B.Een manier om verslaving te behandelen.
C.Het stimuleren van middelengebruik onder jongeren.
D.Het negeren van risicogroepen.

Gerelateerde sets

Maak je eigen studieset

Upload een PDF, plak je notities of beschrijf een onderwerp – AI genereert flashcards, quizzen en meer in seconden.