Sociale identiteitstheorie samenvatting

Een samenvatting van de sociale identiteitstheorie, inclusief belangrijke concepten, mechanismen en toepassingen in sociale psychologie.

Jolly65·63 flashcards·63 vragen
wopsychologysocial
0
Ken ik
1 / 63
0
Aan het leren
Voorkant

Wat is sociale identiteit?

Tik om om te draaien
Achterkant

Sociale identiteit is het deel van een individu dat voortkomt uit de sociale groepen waartoe zij behoren. Dit omvat groepslidmaatschappen zoals etniciteit, religie en nationale afkomst.

Tik om om te draaien
Ken ik
Aan het leren

Quiz(63 vragen)

Vraag 1 van 63

1. Wat is het primaire doel van sociale categorisatie?

Termen in deze set(63)

Basisconcepten(16)

Wat is sociale identiteit?

Sociale identiteit is het deel van een individu dat voortkomt uit de sociale groepen waartoe zij behoren. Dit omvat groepslidmaatschappen zoals etniciteit, religie en nationale afkomst.

Wat zijn in-groepen?

In-groepen zijn groepen waarmee een individu zich identificeert. Ze bevorderen saamhorigheid en bieden een gevoel van herkenning en veiligheid.

Wat zijn uit-groepen?

Uit-groepen zijn groepen waarmee een individu zich niet identificeert. Deze groepen kunnen negatieve stereotypen en vooroordelen oproepen.

Hoe beïnvloedt sociale categorisatie ons gedrag?

Sociale categorisatie leidt tot ingroup bias, een voorkeur voor leden van de eigen groep. Dit kan leiden tot discriminatie tegen uit-groepen.

Vul de lege plek in: Sociale identiteitstheorie stelt dat de sociale groepen waarop we ons baseren onze _____ en _____ beïnvloeden.

zelfbeeld; gedrag

Waar leidt een positieve sociale identiteit toe?

Een positieve sociale identiteit leidt vaak tot verhoogd zelfvertrouwen en sociale cohesie binnen de in-groep.

Waaruit bestaat de basis van sociale identiteitstheorie?

De basis bestaat uit drie componenten: sociale categorisatie, sociale identificatie, en sociale vergelijking.

Is sociale identiteitstheorie alleen van toepassing op grote groepen?

Onjuist. Het is van toepassing op elke sociale groep, ongeacht de grootte. Groepsidentiteit kan zelfs ontstaan in kleine groepen.

Wat is sociale vergelijking?

Sociale vergelijking is het proces waarbij individuen hun eigen in-groep vergelijken met uit-groepen om de eigen groepsstatus te beoordelen.

Geef een voorbeeld van sociale categorisatie.

Bijvoorbeeld, een student kan zichzelf categoriseren als ‘Nederlander’ en ‘HBO-student’, wat invloed heeft op hun sociale interacties.

Wat is het effect van negatieve stereotypen?

Negatieve stereotypen kunnen leiden tot vooroordelen en discriminatie tegen leden van de uit-groep, wat sociale spanningen verhoogt.

Wat zijn de gevolgen van ingroup bias?

Gevolgen zijn onder andere voorkeur voor ingroup-leden, verhoogde samenwerking en negatieve houding tegenover uit-groep-leden.

Vul in: Sociale identiteitstheorie benadrukt het belang van _____ in sociale interacties.

groepen

Hoe ondersteunt sociale identiteitstheorie leiderschap?

Leiders kunnen ingroup-identiteit gebruiken om cohesie en loyaliteit te bevorderen, waardoor ze effectiever zijn in hun rol.

Wat is de relatie tussen sociale identiteit en zelfbeeld?

Een sterkere sociale identiteit leidt vaak tot een positiever zelfbeeld, omdat individuen zich meer verbonden voelen met hun groep.

Wat is de rol van sociale identiteit bij conflicten?

Sociale identiteit kan conflicten verergeren door competitie tussen in-groepen en uit-groepen te stimuleren, wat leidt tot vijandigheid.

Groepsdynamiek(16)

Wat is een in-groep?

Een in-groep is een sociale groep waarmee een individu zich identificeert. Kenmerken: - Gemeenschappelijke waarden - Sterke binding - Positieve sociale identiteit

Wat is een uit-groep?

Een uit-groep is een sociale groep waarmee een individu zich niet identificeert. Kenmerken: - Verschillende waarden - Minder binding - Negatieve stereotypering

Waarom ontstaan in-groepen?

In-groepen ontstaan door: - Noodzaak van identificatie - Behoefte aan verbondenheid - Vergelijking met anderen

Hoe beïnvloedt groepslidmaatschap gedrag?

Groepslidmaatschap beïnvloedt gedrag door: - Het versterken van normen - Het veranderen van besluitvorming - Groepsdruk

In-groep vs. uit-groep: wat is het verschil?

In-groep: Identificatie, steun. Uit-groep: Afstand, vijandigheid.

Veroorzaakt in-groep voorkeur discriminatie?

Waar. In-groep voorkeur leidt vaak tot: - Stereotypen - Vooroordelen - Discriminatie tegen uit-groepen

Wat is sociale identiteit?

Sociale identiteit is de zelfconceptie gebaseerd op groepslidmaatschappen. Het omvat: - Groepslidmaatschappen - Sociale waarden - Persoonlijke identiteit

Geef een voorbeeld van in-groep gedrag.

Een voorbeeld is teamgenoten die elkaar aanmoedigen tijdens een wedstrijd, wat de teamcohesie versterkt.

Wat zijn sociale categorisaties?

Sociale categorisaties zijn mentale indelingen van mensen in groepen. Effecten: - Makkelijker verwerken van informatie - Stereotypering

Fill in the blank: In-groepen hebben vaak een ________ voor leden.

In-groepen hebben vaak een 'beschermingsinstinct' voor leden.

Hoe beïnvloedt in-groep plaatsing zelfvertrouwen?

In-groep plaatsing kan zelfvertrouwen verhogen door: - Positieve feedback van groepsleden - Versterking van groepsnormen

Wat is het effect van groepsdruk?

Groepsdruk kan leiden tot: - Conformiteit - Verminderde individuele besluitvorming - Risico's nemen

Wat is de rol van stereotypen?

Stereotypen helpen bij: - Snelle informatieverwerking - Besluitvorming, maar leiden vaak tot vooroordelen.

Wat is een voorbeeld van uit-groep discriminatie?

Een voorbeeld is wanneer leden van een etnische groep worden benadeeld bij sollicitaties.

Wat is de impact van groepslidmaatschap op zelfbeeld?

Groepslidmaatschap kan zelfbeeld verbeteren als de in-groep succesvol is: - Verhoogd zelfvertrouwen - Positieve sociale identiteit

Waar of niet waar: In-groepen zijn altijd positief.

Niet waar. In-groepen kunnen ook leiden tot: - Exclusiviteit - Negatieve houding tegenover uit-groepen

Sociale categorisatie(15)

Wat is sociale categorisatie?

Het proces waarbij individuen worden ingedeeld in groepen. Dit kan leiden tot stereotypering en vooroordelen.

Hoe beïnvloedt sociale categorisatie onze perceptie?

Het versterkt in-groep bias en vermindert empathie voor uit-groepen. We zien vooral de kenmerken van onze eigen groep.

Waar leidt sociale categorisatie vaak toe?

Stereotypen, vooroordelen en discriminatie. Het kan ook sociale cohesie binnen groepen bevorderen.

Voorbeeld van sociale categorisatie in dagelijks leven?

Mensen worden vaak ingedeeld op basis van geslacht, leeftijd of etniciteit, wat hun interacties beïnvloedt.

Vul het in: In-groepen voelen zich _______ tegenover uit-groepen.

superieur. Dit kan leiden tot conflicten en rivaliteit.

Wat is een gevolg van in-groep bias?

Positieve beoordeling van eigen groepsleden. Dit kan oneerlijke voordelen geven aan de in-groep.

Waaruit bestaat het proces van sociale categorisatie?

- Waarneming - Indeling - Beoordeling - Reactie

Waar is sociale categorisatie sterk aanwezig?

In situaties zoals sportteams, waar competitieve elementen de groepsidentiteit versterken.

Sociale categorisatie: waar of niet waar? 'Het versterkt prejudices.'

Waar. Categorisatie kan leiden tot negatieve vooroordelen over uit-groepen.

Hoe beïnvloedt sociale categorisatie ons gedrag?

Het kan leiden tot bevoordeeld gedrag naar in-groepleden en vijandigheid tegenover uit-groepleden.

Wat is de relatie tussen sociale categorisatie en identiteit?

Sociale categorisatie draagt bij aan het vormen van onze sociale identiteit en zelfconcept.

Geef een voorbeeld van categorisatie in werkcontext.

Medewerkers worden ingedeeld op basis van functie of afdeling, wat samenwerking kan beïnvloeden.

Vul het in: Sociale categorisatie kan leiden tot _______ in besluitvorming.

bias. Dit beïnvloedt objectiviteit en eerlijkheid.

Wat is een negatieve impact van sociale categorisatie?

Het kan leiden tot desensibilisatie voor de problemen van uit-groepen, wat sociale afstand creëert.

Vergelijk in-groepen en uit-groepen.

In-groepen: vrienden en bondgenoten. Uit-groepen: vreemden of concurrenten.

Impact en toepassingen(16)

Wat is de impact van sociale identiteit?

Sociale identiteit beïnvloedt ons gedrag, sociale interacties en hoe we onszelf waarnemen.

Toepassing in de arbeidsmarkt:

- Groepsidentiteit kan invloed hebben op recrutering. - Diversiteit bevorderen kan teams verbeteren.

Waarvoor wordt sociale identiteitstheorie gebruikt?

In de psychologie voor het begrijpen van groepsgedrag en intergroepsconflicten.

Wat is een voorbeeld van sociale identiteit in sport?

Fans identificeren zich met hun team, wat cohesie en rivaliteit creëert.

Waar leidt sociale categorisatie vaak toe?

Vooroordelen en stereotypen tegenover uit-groepen.

Vervang de lege ruimte: In-groepen bieden ________ aan leden.

- Sociale steun - Identiteit - Veiligheid

Wat is de relatie tussen sociale identiteit en zelfwaardering?

Een sterke sociale identiteit kan de zelfwaardering verhogen.

Zijn in-groepen altijd positief?

Nee, ze kunnen ook leiden tot discriminatie en uitsluiting.

Wat zijn de gevolgen van negatieve groepsidentiteit?

- Verminderde zelfwaardering - Versterking van stereotypering

Wat kan sociale identiteitstheorie verklaren?

Intergroepsconflicten en discriminatie tussen groepen.

Hoe bevordert sociale identiteit cohesie?

Het creëert een gevoel van samenhorigheid en verbondenheid binnen de groep.

Wat is een risico van sterke groepsidentiteit?

Groepsdenken kan leiden tot slechte besluitvorming.

Waarop richt sociale identiteitstheorie zich?

Op de manier waarop mensen zichzelf definiëren in relatie tot groepen.

Wat is een relevant voorbeeld in onderwijs?

Groepsprojecten kunnen sociale identiteiten versterken en samenwerking bevorderen.

Wat stimuleert sociale identiteit binnen culturen?

Cultuur vormt groepsidentiteiten die ons gedrag en normen beïnvloeden.

Vervang de lege ruimte: Sociale identiteit kan ________ beïnvloeden.

- Politieke opvattingen - Consumentengedrag - Sociale interacties

Vragen in deze set(63)

1. Wat is het primaire doel van sociale categorisatie?

A.Individuen indelen in groepen
B.Het creëren van nieuwe identiteiten
C.Het verminderen van groepsconflicten
D.Het bevorderen van individualisme

2. Wat is sociale identiteit?

A.Het deel van een individu dat voortkomt uit sociale groepen.
B.De manier waarop individuen zich presenteren in de maatschappij.
C.Een psychologisch probleem dat ontstaat door groepsdruk.
D.De persoonlijke voorkeuren van een individu.

3. Wat is een mogelijke uitwerking van sociale identiteit op werkplekken?

A.Grotere samenwerking binnen teams.
B.Minder aandacht voor diversiteit.
C.Verhoogde concurrentie tussen medewerkers.
D.Afname van groepsbinding.

4. Wat is een kenmerk van een in-groep?

A.Sterke binding
B.Weinig identificatie
C.Negatieve stereotypering
D.Distance van anderen

5. Welke van de volgende situaties is een voorbeeld van sociale categorisatie?

A.Een vriend die je steunt in moeilijke tijden
B.Een team dat samenwerkt aan een project
C.Mensen die zich inschrijven voor een sportteam
D.Iemand die een nieuwe hobby begint

6. Wat zijn in-groepen?

A.Groepen die als minderwaardig worden gezien.
B.Groepen waarmee een individu zich identificeert.
C.Groepen die altijd concurreren met uit-groepen.
D.Groepen zonder enige sociale samenhang.

7. Wat is een gevolg van negatieve sociale categorisatie?

A.Versterking van groepsidentiteit.
B.Verbeterde intergroepsrelaties.
C.Ontstaan van vooroordelen.
D.Toename van sociale steun.

8. Wat beschrijft een uit-groep het beste?

A.Groep met veel overeenkomsten
B.Sociale groep waar iemand zich niet mee identificeert
C.Groep met hoge normen
D.Een groep die altijd positieve feedback geeft

9. Wat is in-groep bias?

A.Een voorkeur voor leden van de eigen groep
B.Negatieve gevoelens richting vreemden
C.Een onverschilligheid voor groepsleden
D.Een gelijke behandeling van alle groepen

10. Wat zijn uit-groepen?

A.Groepen waarmee men zich sterk identificeert.
B.Groepen waartoe men geen lid is en soms negatieve gevoelens over heeft.
C.Groepen die altijd positieve stereotypering ondergaan.
D.Groepen die nooit met elkaar in conflict komen.

11. Welk aspect wordt beïnvloed door sociale identiteit in politieke contexten?

A.Groepsdynamiek.
B.Persoonlijke voorkeuren.
C.Cultuurverschillen.
D.Wijzigingen in wetgeving.

12. Waarom ontstaan in-groepen?

A.Door groepsdruk
B.Door behoefte aan identificatie
C.Door sociale categorisatie
D.Door competitieve elementen

13. Welke uitspraak is NIET waar over sociale categorisatie?

A.Het leidt vaak tot stereotypering.
B.Het bevordert objectieve besluitvorming.
C.Het kan vooroordelen versterken.
D.Het beïnvloedt sociale interacties.

14. Hoe beïnvloedt sociale categorisatie ons gedrag?

A.Het bevordert samenwerking tussen uit-groepen.
B.Het leidt tot ingroup bias en voorkeur voor eigen groepsleden.
C.Het vermindert conflicten tussen verschillende groepen.
D.Het heeft geen invloed op ons gedrag.

15. Wat is de impact van sociale identiteit op zelfwaardering?

A.Het heeft geen impact.
B.Het vermindert zelfwaardering.
C.Het kan zelfwaardering verhogen.
D.Het creëert conflicten.

16. Welke factor beïnvloedt gedrag binnen een groep?

A.Persoonlijke voorkeur
B.Groepsdruk
C.Individuele normen
D.Onbekendheid met de groep

17. Hoe beïnvloedt sociale categorisatie onze empathie?

A.Het verhoogt empathie voor uit-groepen.
B.Het heeft geen invloed op empathie.
C.Het vermindert empathie voor uit-groepen.
D.Het creëert empathie tussen onbekenden.

18. Vul de lege plek in: Sociale identiteitstheorie stelt dat de sociale groepen waarop we ons baseren onze _____ en _____ beïnvloeden.

A.zelfbeeld; gedrag
B.opleiding; sociale status
C.inkomen; vrijetijdsbesteding
D.hobby's; interesses

19. Welke van de volgende opties is GEEN gevolg van in-groepen?

A.Sociale steun.
B.Uitsluiting van anderen.
C.Verhoogde samenwerking.
D.Identificatie met rivalen.

20. Wat is het belangrijkste verschil tussen in-groep en uit-groep?

A.Identificatie versus afstand
B.Gelijke waarden
C.Hogere status
D.Rivaliteit

21. Wat is een positief gevolg van sociale categorisatie?

A.Het versterkt groepscohesie.
B.Het leidt altijd tot conflicten.
C.Het bevordert discriminatie.
D.Het vermindert groepsidentiteit.

22. Waar leidt een positieve sociale identiteit toe?

A.Tot verhoogd zelfvertrouwen en sociale cohesie.
B.Tot sociale isolatie en eenzaamheid.
C.Tot conflicten met andere groepen.
D.Tot een negatieve kijk op zichzelf.

23. Hoe kan sociale identiteit de sportcultuur beïnvloeden?

A.Door rivaliteit tussen teams.
B.Door het verminderen van fanatisme.
C.Door eenheid tussen verschillende sporten.
D.Door individuele prestaties te benadrukken.

24. Leidt in-groep voorkeur altijd tot discriminatie?

A.Ja, dat is altijd het geval
B.Nee, nooit
C.Soms, afhankelijk van de situatie
D.Altijd positief

25. Welk voorbeeld illustreert sociale categorisatie in de werkcontext?

A.Collega's die samen lunchen
B.Medewerkers ingedeeld op afdeling
C.Een team dat samenwerkt aan een project
D.Een werknemer die zijn functie verandert

26. Waaruit bestaat de basis van sociale identiteitstheorie?

A.Sociale categorisatie, sociale identificatie en sociale vergelijking.
B.Ethniciteit, cultuur en geschiedenis.
C.Persoonlijke voorkeuren, hobby's en vrijetijdsbesteding.
D.Familie, vrienden en werkomgeving.

27. Wat kan sociale identiteitstheorie verklaren in een onderwijssetting?

A.Het belang van individuele taken.
B.De rol van groepsprojecten.
C.De invloed van online leren.
D.De variatie in lesmethoden.

28. Wat omvat sociale identiteit?

A.Persoonlijke voorkeuren
B.Groepslidmaatschappen en sociale waarden
C.Alleen persoonlijke ervaringen
D.Individuele prestaties

29. Wat kan sociale categorisatie veroorzaken in termen van besluitvorming?

A.Verbeterde creativiteit
B.Onpartijdigheid
C.Vooroordelen
D.Gelijkwaardige behandeling

30. Is sociale identiteitstheorie alleen van toepassing op grote groepen?

A.Ja, alleen grote groepen zijn relevant.
B.Nee, het is ook van toepassing op kleine groepen.
C.Ja, kleine groepen hebben geen sociale identiteit.
D.Nee, het geldt alleen voor individuele relaties.

31. Wat is een belangrijk kenmerk van sociale identiteit in maatschappij?

A.Het leidt altijd tot positieve uitkomsten.
B.Het vormt groepsnormen en waarden.
C.Het heeft geen invloed op gedrag.
D.Het is alleen relevant voor kleine groepen.

32. Wat is een voorbeeld van in-groep gedrag?

A.Negatieve commentaren over anderen
B.Teamleden die elkaar aanmoedigen
C.Neutraal gedrag in een groep
D.Afstand nemen van groepsleden

33. Wat is een gevolg van het indelen in uit-groepen?

A.Verhoogde samenwerking
B.Verminderde conflicten
C.Sociale afstand
D.Verhoogde empathie

34. Wat is sociale vergelijking?

A.Het vergelijken van sociale media profielen.
B.Het beoordelen van de eigen in-groep ten opzichte van uit-groepen.
C.Een manier om conflicten te vermijden.
D.Het analyseren van groepsdynamiek.

35. Wat is een mogelijke toepassing van sociale identiteit in de gezondheidszorg?

A.Verhoogde samenwerking tussen zorgverleners.
B.Minder aandacht voor diversiteit.
C.Vermindering van patiënttevredenheid.
D.Afname van culturele competentie.

36. Wat zijn sociale categorisaties?

A.Individuele voorkeuren
B.Mentale indelingen van mensen in groepen
C.Emotionele reacties op groepen
D.Persoonlijke ervaringen

37. Wat is een voorbeeld van stereotypevorming door sociale categorisatie?

A.Iedereen in een team heeft gelijke vaardigheden.
B.Vrouwen worden gezien als minder competatief.
C.Mensen met dezelfde functie werken goed samen.
D.Collega's delen altijd informatie.

38. Geef een voorbeeld van sociale categorisatie.

A.Een student die zichzelf als ‘Nederlander’ en ‘HBO-student’ beschrijft.
B.Iemand die een onopvallende kledingsstijl kiest.
C.Een persoon die alleen met vrienden uit dezelfde stad omgaat.
D.Een bedrijf dat alleen lokale producten verkoopt.

39. Hoe beïnvloedt sociale identiteit consumentengedrag?

A.Het heeft geen effect op koopbeslissingen.
B.Het bevordert merkenbinding binnen groepen.
C.Het vermindert de keuzevrijheid.
D.Het leidt tot gelijkblijvende voorkeuren.

40. Wat is waar over in-groepen?

A.Ze hebben altijd een negatieve invloed
B.Ze bieden steun en identificatie
C.Ze zijn niet relevant voor sociale identiteit
D.Ze creëren alleen competitie

41. Hoe beïnvloedt sociale categorisatie onze sociale identiteit?

A.Het creëert verwarring over identiteit.
B.Het versterkt onze zelfconcept.
C.Het heeft geen effect op identiteit.
D.Het vermindert groepslidmaatschap.

42. Wat is het effect van negatieve stereotypen?

A.Ze zorgen voor een betere samenwerking tussen groepen.
B.Ze kunnen vooroordelen en discriminatie bevorderen.
C.Ze verminderen sociale spanningen.
D.Ze maken groepsidentiteit sterker.

43. Wat kan sociale categorisatie aansteken in intergroepsconflicten?

A.Verhoogde empathie.
B.Verminderde rivaliteit.
C.Onderscheid tussen in-groepen en uit-groepen.
D.Versterkte samenwerking.

44. Hoe kan in-groep plaatsing zelfvertrouwen beïnvloeden?

A.Het verlaagt altijd zelfvertrouwen
B.Het kan zelfvertrouwen verhogen
C.Het heeft geen effect op zelfvertrouwen
D.Het leidt tot competitie binnen de groep

45. Wat betekent het als mensen zich identificeren met een in-groep?

A.Ze voelen geen emotionele band.
B.Ze ervaren sociale isolatie.
C.Ze zijn meer geneigd om andere groepen te wantrouwen.
D.Ze zijn minder competitief.

46. Wat zijn de gevolgen van ingroup bias?

A.Verhoogde samenwerking en voorkeur voor ingroup-leden.
B.Minoriteitsgroepen worden beter begrepen.
C.Er ontstaat meer gelijkheid tussen groepen.
D.Het leidt tot volledige neutraliteit.

47. Wat gebeurt er als een groep te veel groepsidentiteit ervaart?

A.Het leidt tot innovatie.
B.Het bevordert open communicatie.
C.Het kan leiden tot groepsdenken.
D.Het vermindert groepscohesie.

48. Wat is het effect van groepsdruk op besluitvorming?

A.Verhoogt altijd de creativiteit
B.Leidt tot conformiteit
C.Versterkt individuele keuzes
D.Heeft geen effect

49. Wat is het effect van sociale categorisatie op groepsdynamiek?

A.Het bevordert samenwerking.
B.Het versterkt rivaliteit.
C.Het vermindert groepsidentiteit.
D.Het leidt altijd tot harmonie.

50. Vul in: Sociale identiteitstheorie benadrukt het belang van _____ in sociale interacties.

A.groepen
B.individuen
C.frequentie
D.communicatie

51. Welke rol speelt sociale identiteit in diversiteit op de werkvloer?

A.Het vermijdt conflicten volledig.
B.Het vermindert de waarde van verschillende perspectieven.
C.Het bevordert inclusie en creativiteit.
D.Het heeft geen impact op de werkomgeving.

52. Wat is de rol van stereotypen binnen in-groepen?

A.Ze bevorderen objectiviteit
B.Ze leiden tot snelle informatieverwerking
C.Ze zijn altijd positief
D.Ze hebben geen invloed

53. Hoe kan sociale categorisatie ons dagelijks leven beïnvloeden?

A.Het bevordert diversiteit.
B.Het vermindert sociale interacties.
C.Het beïnvloedt onze keuzes en relaties.
D.Het heeft geen invloed op ons gedrag.

54. Hoe ondersteunt sociale identiteitstheorie leiderschap?

A.Door individuen te isoleren in hun rol.
B.Door ingroup-identiteit te gebruiken voor cohesie.
C.Door alleen prestaties te waarderen.
D.Door neutrale communicatie aan te moedigen.

55. In hoeverre kan sociale identiteit de perceptie van tijd beïnvloeden?

A.Het heeft geen effect op tijdsbeleving.
B.Het creëert een gevoel van urgentie.
C.Het verandert de manier waarop tijd gemeten wordt.
D.Het beïnvloedt alleen jongere groepen.

56. Wat is een voorbeeld van uit-groep discriminatie?

A.Leden van een team die elkaar aanmoedigen
B.Voorkeur bij sollicitaties voor leden van dezelfde groep
C.Een neutrale beoordeling van kandidaten
D.Open communicatie tussen groepen

57. Welke van de volgende effecten is een gevolg van sociale categorisatie?

A.Stereotypen en vooroordelen
B.Verhoogde empathie voor uit-groepen
C.Gelijke behandeling van alle groepen
D.Verminderde sociale cohesie

58. Wat is de relatie tussen sociale identiteit en zelfbeeld?

A.Een sterkere sociale identiteit leidt vaak tot een negatief zelfbeeld.
B.Een sterkere sociale identiteit leidt vaak tot een positiever zelfbeeld.
C.Sociale identiteit heeft geen effect op het zelfbeeld.
D.Zelfbeeld is altijd onafhankelijk van sociale groepen.

59. Wat is een voorbeeld van sociale identiteit binnen culturele contexten?

A.Uniformiteit in gedrag.
B.Diversiteit in tradities.
C.Beperkte groepsidentiteit.
D.Afwezigheid van culturele normen.

60. Wat is de impact van groepslidmaatschap op zelfbeeld?

A.Verhoogt altijd negatief zelfbeeld
B.Heeft geen effect op zelfbeeld
C.Verbetert zelfbeeld als de in-groep succesvol is
D.Vermindert groepsbinding

61. Wat is de rol van sociale identiteit bij conflicten?

A.Het vermindert de competitie tussen groepen.
B.Het stimuleert vijandigheid tussen in-groepen en uit-groepen.
C.Het leidt tot meer begrip tussen verschillende groepen.
D.Het heeft geen rol in conflicten.

62. Wat is een mogelijke invloed van sociale identiteit op de samenwerking binnen teams?

A.Sociale identiteit bevordert cohesie en samenwerking.
B.Sociale identiteit vermindert de communicatie tussen teamleden.
C.Sociale identiteit heeft geen invloed op de werkrelaties.
D.Sociale identiteit leidt altijd tot conflicten binnen teams.

63. Waar of niet waar: In-groepen zijn altijd positief.

A.Waar
B.Niet waar
C.Altijd neutraal
D.Afhankelijk van de context

Gerelateerde sets

Maak je eigen studieset

Upload een PDF, plak je notities of beschrijf een onderwerp – AI genereert flashcards, quizzen en meer in seconden.