Propedeuse psychologie methoden van onderzoek oefenvragen

Oefenvragen voor propedeuse psychologie gericht op methoden van onderzoek, inclusief belangrijke termen en concepten.

FinnB8·56 flashcards·56 vragen
wopsychologygeneral
0
Ken ik
1 / 56
0
Aan het leren
Voorkant

Wat is een cross-sectioneel onderzoek?

Tik om om te draaien
Achterkant

Een onderzoek waarbij gegevens op één tijdstip worden verzameld. - Vaak gebruikt voor beschrijvende studies.

Tik om om te draaien
Ken ik
Aan het leren

Quiz(56 vragen)

Vraag 1 van 56

1. Wat is een kenmerk van cross-sectioneel onderzoek?

Termen in deze set(56)

Onderzoeksontwerpen(16)

Wat is een cross-sectioneel onderzoek?

Een onderzoek waarbij gegevens op één tijdstip worden verzameld. - Vaak gebruikt voor beschrijvende studies.

Wat is longitudinaal onderzoek?

Onderzoek waarbij dezelfde deelnemers over een langere periode worden gevolgd. - Maakt veranderingen in gedrag of eigenschappen zichtbaar.

Wat is het doel van experimenteel onderzoek?

Het vaststellen van causale verbanden door manipulatie van variabelen. - Het gebruik van controle- en experimentele groepen.

Vergelijk correlatie en causaliteit.

Correlatie: samenhang tussen twee variabelen. Causaliteit: één variabele beïnvloedt de andere.

Vul de lege plek in: Een __________ onderzoek onderzoekt de effecten van een behandeling.

experimenteel

Waarin verschilt kwalitatief onderzoek van kwantitatief onderzoek?

Kwalitatief: diepgaande, subjectieve data. Kwantitatief: numerieke, objectieve data.

Wat zijn de kenmerken van een gecontroleerd experiment?

- Randomisatie - Controlegroep - Manipulatie van de onafhankelijke variabele

Is een case study een breed of een diepgaand onderzoek?

Diepgaand onderzoek. - Gericht op een enkel geval of een kleine groep.

Noem een voordeel van longitudinaal onderzoek.

Geeft inzicht in veranderingen over tijd. - Maakt het mogelijk ontwikkelingspatronen te analyseren.

Vul de lege plek in: Bij een __________ onderzoek worden gegevens verzameld uit meerdere tijdstippen.

longitudinaal

Wat is de rol van de onafhankelijke variabele?

Deze wordt gemanipuleerd om het effect op de afhankelijke variabele te onderzoeken.

Is een correlatiestudie altijd een experiment?

Onjuist. - Correlatiestudies onderzoeken relaties zonder manipulatie.

Noem een voorbeeld van experimenteel onderzoek.

Studie waarin een medicijn wordt getest op effecten versus placebo.

Wat meet een cohortonderzoek?

De ontwikkeling van een groep mensen met een gemeenschappelijk kenmerk over tijd.

Wat is een belangrijk nadeel van cross-sectioneel onderzoek?

Het geeft geen informatie over veranderingen in de tijd. - Alleen een momentopname.

Wat veronderstelt een causale relatie?

Als A verandert, verandert ook B. - Er is een direct effect van A op B.

Dataverzameling(12)

Wat is kwalitatieve dataverzameling?

Vorm van dataverzameling gericht op beschrijvingen: - Interviews - Observaties - Focusgroepen

Vul in: Een vragenlijst is een __________ dataverzamelingsmethode.

kwantitatieve

True or False: Interviews zijn altijd kwantitatief.

False. Interviews zijn voornamelijk kwalitatief, gericht op diepte en context.

Wat is een voordeel van observatie?

Biedt directe gegevens in natuurlijke omgevingen. - Geen beïnvloeding door respondenten - Gedrag in real-time vastleggen

Wat zijn de kenmerken van een enquête?

- Gestandaardiseerd - Grootschalig - Snelle dataverzameling - Anoniem mogelijk

Geef een voorbeeld van secundaire dataverzameling.

Het analyseren van bestaande datasets, zoals CBS-gegevens of wetenschappelijke artikelen.

Vul in: __________ is een methode waarbij respondenten vragen beantwoorden op een schaal.

Likert-schaal

Wat is het verschil tussen experiment en correlatiestudie?

Experiment: oorzaak-gevolg relatie vastgesteld. Correlatiestudie: verband tussen variabelen zonder causaliteit.

Vul in: Met __________ verzamel je data via observaties, zonder te interfereren.

natuurlijke observatie

True or False: Focusgroepen zijn altijd representatief voor de gehele bevolking.

False. Focusgroepen zijn vaak niet representatief, maar bieden diepere inzichten.

Wat is een belangrijke overweging bij het gebruik van vragenlijsten?

Zorg voor duidelijke en begrijpelijke formuleringen. - Vermijd jargon - Gebruik neutrale taal

Waarom is triangulatie belangrijk in dataverzameling?

Verhoogt de validiteit door verschillende methoden of bronnen te combineren.

Data-analyse(14)

Wat is descriptieve statistiek?

Het beschrijven van gegevens met behulp van gemiddelden, mediaan, modus, en standaarddeviatie.

Hoe bereken je de mediaan?

Sorteer de gegevens en neem het middelste waarde. Bij een even aantal, gemiddeld de twee middelste.

True or False: Correlatie impliceert causaliteit.

False. Correlatie toont een relatie aan, maar geen oorzaak-gevolg verband.

Wat is het verschil tussen een steekproef en de populatie?

Een steekproef is een subset van de populatie, gebruikt voor analyse.

Invullen: De standaarddeviatie meet de __________ van de data.

variabiliteit.

Wat zijn de hoofdtypen data-analyse?

- Descriptieve statistiek - Inferentiële statistiek - Toetsing van hypothesen

Hoe wordt de variatie in data gemeten?

Met de standaarddeviatie en variantie.

Absolute frequentie vs. relatieve frequentie.

Absolute frequentie is het aantal keren dat een waarde voorkomt, relatieve frequentie is dit aantal gedeeld door het totaal.

Wat is een p-waarde?

De kans dat de resultaten van een test het gevolg zijn van toeval, meestal onder 0,05 significant.

Wat meet een regressieanalyse?

De relatie tussen een afhankelijke en een of meer onafhankelijke variabelen.

Voorbeeld van een correlatiecoëfficiënt?

De Pearson correlatiecoëfficiënt varieert van -1 tot 1; 0 betekent geen correlatie.

Wat is een hypothese?

Een testbare voorspelling over de relatie tussen variabelen.

Wat is de rol van een controlegroep?

Zorgt ervoor dat effecten van de onafhankelijke variabele kunnen worden geïsoleerd.

Invullen: Inferentiële statistiek maakt het mogelijk om __________ te extrapoleren naar de populatie.

conclusies.

Ethiek in onderzoek(14)

Wat is informed consent?

Informed consent is de toestemming van deelnemers na volledige informatie over het onderzoek. Dit omvat doel, methode, risico's en voordelen.

Waarom is anonimiteit belangrijk?

Anonimiteit beschermt de privacy van deelnemers. Het voorkomt dat persoonlijke gegevens aan specifieke individuen kunnen worden gekoppeld.

Vul de lege plek in: De __________ zorgt voor de bescherming van de deelnemer.

ethische code

Wat zijn de gevolgen van onvoldoende ethiek in onderzoek?

Gevolgen kunnen zijn: - Schending van vertrouwelijkheid - Negatieve psychologische effecten - Ongeldige resultaten

Wat houdt de deontologische benadering in?

De deontologische benadering focust op de plicht om ethische normen te volgen, ongeacht de gevolgen. Dit betekent dat onderzoek altijd ethisch verantwoord moet zijn.

Waar staat WMO voor?

WMO staat voor Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen. Het reguleert ethische aspecten van medisch onderzoek in Nederland.

Waaruit bestaat een ethische toetsing?

Ethische toetsing bestaat uit: - Beoordeling van risico's - Bescherming van deelnemers - Toestemming procedure

Waarvoor dient de Central Committee on Research Involving Human Subjects (CCMO)?

De CCMO beoordeelt onderzoek dat mensen betreft, om de rechten en veiligheid van deelnemers te waarborgen.

Waar ligt de grens tussen onderzoek en behandeling?

De grens ligt bij de primaire intentie: onderzoek heeft als doel kennisvergaring; behandeling heeft als doel gezondheidsverbetering.

Wat is het verschil tussen risico's en voordelen?

Risico's zijn mogelijke nadelen van deelname, zoals psychisch ongemak. Voordelen zijn mogelijke positieve uitkomsten voor de deelnemer of samenleving.

Vul de lege plek in: Onderzoekers moeten __________ bij het rapporteren van resultaten.

eerlijkheid

Waar is de APA-ethische richtlijn voor bedoeld?

De APA-ethische richtlijn biedt richtlijnen voor psychologen over het uitvoeren van ethisch verantwoord onderzoek.

Wat zijn kwetsbare groepen in onderzoek?

Kwetsbare groepen zijn mensen die extra bescherming nodig hebben, zoals kinderen, ouderen, en mensen met een verstandelijke beperking.

Wat is het belang van debriefing?

Debriefing biedt deelnemers informatie na het onderzoek, verduidelijkt misleiding en biedt ondersteuning indien nodig.

Vragen in deze set(56)

1. Wat is een kenmerk van cross-sectioneel onderzoek?

A.Gegevens worden op één tijdstip verzameld.
B.Deelnemers worden langdurig gevolgd.
C.Er is manipulatie van variabelen.
D.Resultaten zijn subjectief.

2. Wat is het belangrijkste kenmerk van kwalitatieve dataverzameling?

A.Het vastleggen van diepte en context
B.Het meten van gemiddelden
C.Het vergelijken van groepen
D.Het gebruik van statistische analyses

3. Wat is de belangrijkste functie van descriptieve statistiek?

A.Het beschrijven van gegevens
B.Het testen van hypothesen
C.Het extrapoleren naar de populatie
D.Het berekenen van p-waarden

4. Wat is de primaire bedoeling van informed consent?

A.De deelnemer voldoende informeren om toestemming te geven.
B.De resultaten van het onderzoek openbaar maken.
C.De deelnemers anonimiteit garanderen.
D.De ethische code opstellen voor het onderzoek.

5. Wat is een voordeel van longitudinaal onderzoek?

A.Het biedt een momentopname.
B.Het maakt het mogelijk om veranderingen in de tijd te observeren.
C.Het vereist minder tijd en middelen.
D.Het is altijd kwalitatief van aard.

6. Welke van de volgende is een voorbeeld van kwantitatieve dataverzameling?

A.Diepte-interviews
B.Observaties
C.Enquêtes
D.Focusgroepen

7. Hoe wordt de standaarddeviatie berekend?

A.Door de variantie te nemen
B.Door het gemiddelde te berekenen
C.Door de waarden te sorteren
D.Door de frequenties te tellen

8. Waarom is anonimiteit essentieel in psychologisch onderzoek?

A.Het waarborgt de integriteit van de onderzoeksresultaten.
B.Het beschermt de privacy van deelnemers.
C.Het helpt onderzoekers om gegevens beter te analyseren.
D.Het voorkomt dat gegevens verloren gaan.

9. Wat typeert experimenteel onderzoek?

A.Het evalueert enkel correlaties.
B.Het manipuleert onafhankelijke variabelen om causale relaties vast te stellen.
C.Het verzamelt alleen kwalitatieve data.
D.Het omvat geen controlegroep.

10. Wat is een nadeel van het gebruik van een focusgroep?

A.Het biedt rijke data
B.Het kan subjectieve bias introduceren
C.Het is tijdsefficiënt
D.Het kan anoniem zijn

11. Wat betekent een p-waarde kleiner dan 0,05?

A.De resultaten zijn significant
B.De hypothese is bewezen
C.De steekproef is te klein
D.Er is niets aan de hand

12. Vul de lege plek in: De __________ is verantwoordelijk voor de ethiek in medisch onderzoek.

A.WMO
B.CCMO
C.deontologische code
D.psychologische richtlijn

13. Wat is het verschil tussen correlatie en causaliteit?

A.Correlatie betekent dat A B beïnvloedt.
B.Causaliteit houdt in dat er een samenhang bestaat tussen A en B.
C.Correlatie wijst op een samenhang tussen twee variabelen, zonder dat de ene de andere beïnvloedt.
D.Causaliteit is alleen waar in experimenteel onderzoek.

14. Wat is het doel van triangulatie in onderzoek?

A.Om kosten te besparen
B.Om de dataverzameling te versnellen
C.Om de validiteit te verhogen
D.Om het aantal respondenten te vergroten

15. Wat is een voorbeeld van een afhankelijke variabele?

A.De testscore van een student
B.De tijd die studenten studeren
C.De leeftijd van de studenten
D.Het aantal studenten in een klas

16. Wat kan een gevolg zijn van onvoldoende ethisch onderzoek?

A.Verhoogde kwaliteit van de onderzoeksresultaten.
B.Schending van vertrouwelijkheid.
C.Betere samenwerking met deelnemers.
D.Toegenomen interesse in het onderzoek.

17. Welk type onderzoek is een case study?

A.Breed en oppervlakkig.
B.Diepgaand en gefocust op een klein aantal gevallen.
C.Kwantitatief met veel deelnemers.
D.Experimenteel met meerdere variabelen.

18. Wat beschrijft het best een Likert-schaal?

A.Een methode voor diepte-interviews
B.Een schaal voor het meten van meningen
C.Een observatie-instrument
D.Een analysemethode voor kwalitatieve data

19. Welke van de volgende is GEEN type data-analyse?

A.Descriptieve data-analyse
B.Inferentiële data-analyse
C.Correlatieve data-analyse
D.Kwantitatieve data-analyse

20. Wat kenmerkt de deontologische benadering in onderzoeksethiek?

A.De focus ligt op de gevolgen van het onderzoek.
B.De nadruk ligt op het volgen van ethische principes.
C.Het onderzoek moet altijd winstgevend zijn.
D.Onderzoekers moeten flexibiliteit in hun methoden hebben.

21. Wat meet cohortonderzoek?

A.De correlatie tussen twee variabelen.
B.De ontwikkeling van een groep mensen over tijd.
C.De effectiviteit van een behandeling.
D.De gemiddelde scores van een populatie.

22. Wat is een belangrijk voordeel van observatiemethoden?

A.Ze zijn altijd kwantitatief
B.Ze bieden directe gegevens zonder beïnvloeding
C.Ze zijn goedkoop en snel
D.Ze zijn altijd representatief

23. Wat geeft een correlatiecoëfficiënt aan?

A.De sterkte van de relatie tussen twee variabelen
B.De gemiddelde waarde van een dataset
C.De frequentie van een variabele
D.De variantie van een dataset

24. Wat is de rol van de WMO in onderzoek?

A.Het reguleren van financiële steun voor onderzoek.
B.Het vaststellen van ethische richtlijnen voor onderzoek met mensen.
C.Het bieden van trainingen voor onderzoekers.
D.Het publiceren van onderzoeksresultaten.

25. Wat is een belangrijk nadeel van cross-sectioneel onderzoek?

A.Het biedt inzicht in veranderingen over tijd.
B.Het is duur en tijdrovend.
C.Het levert alleen gegevens van één tijdstip en geen informatie over veranderingen in de tijd.
D.Het kan geen causale verbanden vaststellen.

26. Welke van de volgende is GEEN kenmerk van een enquête?

A.Gestandaardiseerd
B.Grootschalig
C.Faciliteert diepgaande gesprekken
D.Anoniem mogelijk

27. Wat is een hypothese?

A.Een gefundeerde conclusie
B.Een testbare voorspelling
C.Een onbetwistbare feit
D.Een willekeurige aanname

28. Wat zijn de belangrijkste elementen van een ethische toetsing?

A.Kwaliteit van de data, publicatie en marketing.
B.Beoordeling van risico's, bescherming van deelnemers en toestemming procedure.
C.Aantal deelnemers, locatie van het onderzoek en budget.
D.Aanwezigheid van experts, statistische betekenis en tijdschema.

29. Wat veronderstelt een causale relatie?

A.Dat A en B onafhankelijk van elkaar zijn.
B.Dat veranderingen in A leiden tot veranderingen in B.
C.Dat correlatie altijd causaliteit implicert.
D.Dat er geen experimentele manipulatie nodig is.

30. Wat maakt een experiment anders dan een correlatiestudie?

A.Experimentele groepen zijn groter
B.Experimentele studies zijn altijd kwalitatief
C.Experimentele studies tonen oorzaak-gevolgrelaties aan
D.Correlatiestudies zijn nooit statisch

31. Wat is het doel van inferentiële statistiek?

A.Het beschrijven van gegevens
B.Het maken van conclusies over een populatie
C.Het berekenen van gemiddelden
D.Het visualiseren van data

32. Wat is het doel van debriefing na een onderzoek?

A.De deelnemers belonen met geld.
B.Deelnemers informeren over de resultaten.
C.Deelnemers ondersteunen en misleiding verduidelijken.
D.Het onderzoek opnieuw in te dienen voor goedkeuring.

33. Welk type gegevens verzamelt kwantitatief onderzoek?

A.Diepgaande, subjectieve data.
B.Numerieke, objectieve data.
C.Kwalitatieve interviews.
D.Case studies.

34. Wat is een voorbeeld van secundaire dataverzameling?

A.Interviews afnemen bij respondenten
B.Data verzamelen via online enquêtes
C.Het analyseren van bestaande datasets
D.Observaties in het veld doen

35. Wat is de variantie?

A.De gemiddelde afstand van elke datawaarde tot het gemiddelde
B.De meest voorkomende waarde in een dataset
C.De totale som van alle waarden
D.De standaarddeviatie in het kwadraat

36. Wat is een kwetsbare groep in onderzoek?

A.Onafhankelijke onderzoekers.
B.Mensen die geen toestemming geven.
C.Kinderen en mensen met een verstandelijke beperking.
D.Volwassenen met een hoog inkomen.

37. Wat is een voorbeeld van een experimenteel onderzoek?

A.Een studie die peilt naar meningen.
B.Een medicijnstudie waarbij effecten worden vergeleken met placebo.
C.Een enquête over levensstijl.
D.Een observatiestudie van gedrag.

38. Waarom zijn duidelijke formuleringen belangrijk in vragenlijsten?

A.Om de tijd te verkorten
B.Om de kosten te verlagen
C.Om de betrouwbaarheid van antwoorden te waarborgen
D.Om de creativiteit van respondenten aan te moedigen

39. Wat meet een regressieanalyse?

A.De relatie tussen variabelen
B.De gemiddelde waarde van een dataset
C.De standaarddeviatie
D.De frequentie van een variabele

40. Wat wordt bedoeld met risico's in onderzoek?

A.Mogelijke voordelen voor de deelnemers.
B.Financiële implicaties van het onderzoek.
C.Mogelijke nadelen van deelname, zoals psychisch ongemak.
D.De tijd die deelnemers moeten investeren.

41. Wat is longitudinaal onderzoek?

A.Onderzoek op één tijdstip.
B.Onderzoek waarbij gegevens van meerdere tijdstippen worden verzameld.
C.Onderzoek zonder controle- of experimentele groepen.
D.Onderzoek naar één geval.

42. Wat beschrijft het beste natuurlijke observatie?

A.Waarneming met veel interactie
B.Waarneming zonder beïnvloeding
C.Waarneming in een laboratoriumsetting
D.Waarneming met vooraf gedefinieerde hypotheses

43. Wat is een controlegroep?

A.Een groep die de behandeling ontvangt
B.Een groep die geen behandeling ontvangt
C.Een groep die willekeurig wordt gekozen
D.Een groep die slechts tijdelijk wordt bestudeerd

44. Welke van de volgende is GEEN onderdeel van ethische richtlijnen?

A.Eerlijkheid bij rapporteren.
B.Informed consent.
C.Financiële winst voor onderzoekers.
D.Bescherming van deelnemers.

45. Wat is een voorbeeld van een kwalitatief onderzoeksmethode?

A.Enquête met gesloten vragen.
B.Case study met interviews.
C.Statistische analyse van data.
D.Experiment met controlegroepen.

46. Welke van de volgende methoden is het meest geschikt voor het verzamelen van rijke, gedetailleerde data?

A.Experimenten
B.Enquêtes
C.Interviews
D.Observaties

47. Wat is een voorbeeld van relatieve frequentie?

A.Aantal studenten met een 10
B.Aantal studenten in totaal
C.Aantal studenten met een 10 gedeeld door totaal aantal studenten
D.Aantal studenten met een 9

48. Waarvoor dient de APA-ethische richtlijn?

A.Het verbeteren van de gezondheid van deelnemers.
B.Het bieden van richtlijnen voor ethisch verantwoord onderzoek.
C.Het waarborgen van de anonimiteit van gegevens.
D.Het regelen van financiële ondersteuning voor onderzoek.

49. Wat doet een controlegroep in experimenteel onderzoek?

A.Deelt in de behandeling.
B.Ontvangt geen behandeling om vergelijkingen te maken.
C.Is altijd de grootste groep.
D.Wordt niet gebruikt in onderzoekers.

50. Hoe verschilt een steekproef van de populatie?

A.Een steekproef is groter dan de populatie
B.Een steekproef is representatief voor de populatie
C.Een steekproef bevat altijd minder data
D.Een steekproef is altijd random gekozen

51. Wat is de grens tussen onderzoek en behandeling?

A.De intentie: onderzoek is voor kennis, behandeling voor gezondheid.
B.De gebruikte methoden en technieken.
C.Het aantal deelnemers in het onderzoek.
D.De tijdsduur van het onderzoek.

52. Welk van de volgende is GEEN kenmerk van een gecontroleerd experiment?

A.Randomisatie.
B.Manipulatie van de onafhankelijke variabele.
C.Gebruik van kwalitatieve data.
D.Controle over de experimentele omstandigheden.

53. Wat is een belangrijk kenmerk van een normaalverdeling?

A.Symmetrie rond het gemiddelde
B.Alle waarden zijn gelijk
C.De spreiding is constant
D.Er zijn geen uitschieters

54. Wat is een belangrijke maatregel voor onderzoekers bij het rapporteren van resultaten?

A.Creativiteit in presentatie.
B.Eerlijkheid in rapportage.
C.Focus op positieve uitkomsten.
D.Vertrouwelijkheid van gegevens.

55. Wat is de rol van de afhankelijke variabele in een experiment?

A.Deze wordt gemanipuleerd door de onderzoeker.
B.Deze blijft constant tijdens het onderzoek.
C.Deze wordt gemeten om het effect van de onafhankelijke variabele te bepalen.
D.Deze is niet relevant voor de resultaten.

56. Welk type onderzoek is gericht op het vaststellen van een causaal verband tussen twee variabelen?

A.Experimenteel onderzoek
B.Cross-sectioneel onderzoek
C.Longitudinaal onderzoek
D.Kwalitatief onderzoek

Gerelateerde sets

Maak je eigen studieset

Upload een PDF, plak je notities of beschrijf een onderwerp – AI genereert flashcards, quizzen en meer in seconden.