Interne en externe validiteit samenvatting

Deze set van flashcards biedt een overzicht van interne en externe validiteit binnen de psychologie, met uitleg van belangrijke termen en concepten. Geschikt voor wo-studenten die zich voorbereiden op tentamens.

Sunny49·68 flashcards·68 vragen
wopsychologygeneral
0
Ken ik
1 / 68
0
Aan het leren
Voorkant

Wat is interne validiteit?

Tik om om te draaien
Achterkant

Interne validiteit verwijst naar de mate waarin een studie de causaliteit tussen variabelen kan vaststellen.

Tik om om te draaien
Ken ik
Aan het leren

Quiz(68 vragen)

Vraag 1 van 68

1. Wat beschrijft de interne validiteit het beste?

Termen in deze set(68)

Basisconcepten van validiteit(16)

Wat is interne validiteit?

Interne validiteit verwijst naar de mate waarin een studie de causaliteit tussen variabelen kan vaststellen.

Wat is externe validiteit?

Externe validiteit betreft de generaliseerbaarheid van onderzoeksresultaten naar andere contexten en populaties.

Vul de lege plek in: Interne validiteit is vooral belangrijk voor ______.

causaliteitsclaims in een experiment.

Waar of niet waar: Interne en externe validiteit zijn altijd in balans.

Niet waar. Een hoge interne validiteit kan leiden tot lagere externe validiteit, en vice versa.

Geef een voorbeeld van een bedreiging voor interne validiteit.

Verlies van deelnemers kan de resultaten beïnvloeden en de oorzaak-gevolg relatie verstoren.

Wat is een confounder?

Een confounder is een variabele die zowel de onafhankelijke als de afhankelijke variabele beïnvloedt, wat de interne validiteit ondermijnt.

Hoe beïnvloedt steekproefgrootte externe validiteit?

Een grotere steekproefgrootte kan leiden tot meer representatieve resultaten en dus hogere externe validiteit.

Wat is een voorbeeld van externe validiteit?

De resultaten van een laboratoriumexperiment dat ook toepasbaar is op de echte wereld.

Wat meet je met een validiteitsindex?

Een validiteitsindex meet in hoeverre een test het beoogde construct daadwerkelijk meet.

Vul de lege plek in: Externe validiteit is afhankelijk van ______.

de representativiteit van de steekproef.

Wat is het doel van randomisatie in onderzoek?

Randomisatie helpt om verstorende variabelen te controleren en de interne validiteit te verhogen.

Interne vs externe validiteit: wat is belangrijker?

Dit hangt af van het doel van het onderzoek; causale studies vereisen meestal hogere interne validiteit.

Wat is constructvaliditeit?

Constructvaliditeit is de mate waarin een test daadwerkelijk meet wat het beoogt te meten, gerelateerd aan zowel interne als externe validiteit.

Wat is het effect van experimentatorbias?

Experimentatorbias kan de resultaten vertekenen, wat de interne validiteit verlaagt.

Hoe kan je externe validiteit verhogen?

Door diverse steekproeven te gebruiken en variabelen te manipuleren die in de echte wereld voorkomen.

Wat is de relatie tussen betrouwbaarheid en validiteit?

Betrouwbaarheid is een voorwaarde voor validiteit; een onbetrouwbare test kan nooit valide zijn.

Interne validiteit(20)

Wat is interne validiteit?

Interne validiteit verwijst naar de mate waarin een studie de causaliteit tussen variabelen kan vaststellen.

Waarom is controle van verstorende variabelen belangrijk?

Verstorende variabelen kunnen de resultaten beïnvloeden, waardoor de interne validiteit vermindert. Dit leidt tot verkeerde conclusies.

Wat zijn confounders?

Confounders zijn variabelen die zowel de onafhankelijke als de afhankelijke variabele beïnvloeden, wat leidt tot verwarring in de resultaten.

Vul in: Hoe meer __________, hoe hoger de interne validiteit.

controlemechanismen

Wat is het effect van randomisatie?

Randomisatie helpt om bias en confounding te verminderen, waardoor de interne validiteit van een studie toeneemt.

Waarop duidt een hoge interne validiteit?

Een hoge interne validiteit duidt erop dat onderzoeksresultaten betrouwbaar zijn en dat de causale relatie juist is.

Wat zijn experimentele en controle groepen?

Experimentele groepen krijgen de behandeling, controle groepen niet. Dit helpt bij het vaststellen van causale effecten.

Wat is een voorbeeld van een bias?

Selectiebias kan optreden als deelnemers niet willekeurig worden gekozen, wat de interne validiteit beïnvloedt.

Wat gebeurt er bij een hoge uitval van deelnemers?

Een hoge uitval kan leiden tot vertekening van resultaten en vermindert de interne validiteit.

Waar staat 'Hawthorne-effect' voor?

Het Hawthorne-effect is de verandering in gedrag van deelnemers omdat ze weten dat ze worden bestudeerd, wat de resultaten beïnvloedt.

Wat is een experiment met herhaalde metingen?

Een experiment waarbij dezelfde deelnemers meerdere keren worden getest om de effecten van tijd en variatie te controleren.

Wat is het nut van blinding?

Blinding voorkomt dat de verwachtingen van deelnemers of onderzoekers de resultaten beïnvloeden, wat de interne validiteit verhoogt.

Vervang de term: 'interne validiteit' → __________.

causaliteit binnen het onderzoek

Wat is een threat to internal validity?

Factoren zoals geschiedenis, rijping, en instrumentatie kunnen de interne validiteit bedreigen door externe invloeden te introduceren.

Waarom zijn meetinstrumenten belangrijk?

Nauwkeurige meetinstrumenten zijn cruciaal om betrouwbare en valide resultaten te verkrijgen in psychologisch onderzoek.

Wat zijn de gevolgen van een verkeerde hypothese?

Een onjuiste hypothese kan leiden tot verkeerde conclusies, waardoor de interne validiteit van het onderzoek in gevaar komt.

Wat is het belang van een pilootstudie?

Een pilootstudie helpt om de haalbaarheid van het onderzoek te testen en eventuele methodologische problemen vroegtijdig op te sporen.

Wat zijn de voordelen van een longitudinaal onderzoek?

Longitudinaal onderzoek kan veranderingen in tijd vastleggen en biedt inzicht in causaal verband, wat de interne validiteit versterkt.

Wat houdt het placebo-effect in?

Het placebo-effect is een verbetering die optreedt wanneer deelnemers geloven dat ze een behandeling ontvangen, wat de interne validiteit kan beïnvloeden.

Welke factoren beïnvloeden de interne validiteit?

- Selectiebias - Verstorende variabelen - Meetfouten - Uitval van deelnemers Deze factoren kunnen de oorzaak-gevolgrelatie verstoren en de betrouwbaarheid van de resultaten verminderen.

Externe validiteit(16)

Wat is externe validiteit?

Externe validiteit verwijst naar de mate waarin onderzoeksresultaten kunnen worden gegeneraliseerd naar andere populaties, settings of tijdstippen.

Waarom is generaliseerbaarheid belangrijk?

Generaliseerbaarheid is belangrijk om te begrijpen of de bevindingen van een studie van toepassing zijn buiten de specifieke steekproef en context.

Noem een factor die externe validiteit beïnvloedt.

Steekproefgrootte, demografie of setting.

Waarvoor staat de term 'sample bias'?

Sample bias verwijst naar een situatie waarin de steekproef niet representatief is voor de populatie, wat de externe validiteit ondermijnt.

Waarbij moet je opletten bij het generaliseren naar andere culturen?

Culturele verschillen kunnen invloed hebben op gedragingen en attitudes, waardoor resultaten mogelijk niet hetzelfde zijn in andere culturen.

Vraag: Zijn labstudies altijd minder algemeen?

Niet noodzakelijk. Labstudies kunnen belangrijke inzichten bieden, maar de context kan de generaliseerbaarheid beperken.

Wat is de relatie tussen interne en externe validiteit?

Interne validiteit richt zich op de nauwkeurigheid van causale conclusies, terwijl externe validiteit zich richt op de generaliseerbaarheid van die conclusies.

Vul de leegte in: Een grotere steekproef vergroot de ________.

externe validiteit.

Klopt dit? "Externe validiteit is altijd beter bij veldonderzoek."

Onjuist; veldonderzoek kan externe validiteit vergroten, maar niet altijd. Context speelt een grote rol.

Wat is een voorbeeld van externe validiteit in actie?

Een onderzoek naar stressniveaus bij studenten kan worden gegeneraliseerd naar andere studentenpopulaties, maar niet naar werknemers.

Hoe kan tijd invloed hebben op externe validiteit?

Resultaten kunnen verouderen door maatschappelijke veranderingen, waardoor ze mogelijk niet meer relevant zijn.

Vraag: Wat zijn de implicaties van een beperkte externe validiteit?

Beperkingen kunnen leiden tot misinterpretaties van resultaten en een gebrek aan toepasbaarheid in de praktijk.

Wat betekent 'ecologische validiteit'?

Ecologische validiteit is de mate waarin onderzoeksbevindingen kunnen worden toegepast in de echte wereld.

Noem een voordeel van longitudinaal onderzoek.

Langdurige observaties kunnen ontwikkelingen in de tijd vastleggen, wat de externe validiteit kan verbeteren.

Wat is een bedreiging voor externe validiteit?

Selectiebias, waar specifieke groepen over- of ondervertegenwoordigd zijn in een studie.

Waarom is replicatie belangrijk?

Replicatie helpt om de generaliseerbaarheid van onderzoeksresultaten te bevestigen over verschillende contexten en populaties.

Toepassingen en voorbeelden(16)

Wat is een voorbeeld van interne validiteit?

Een gecontroleerde laboratoriumstudie met randomisatie.

Vul in: Een hoge interne validiteit betekent dat...

...de resultaten zeker zijn door de manipulatie.

Waarvoor is externe validiteit belangrijk?

Voor het generaliseren van resultaten naar andere populaties.

Waar kan interne validiteit in het gedrang komen?

- Selectiebias - Confounders - Verlies van deelnemers

Onderzoek met natuurlijke observatie: interne of externe validiteit?

Voornamelijk externe validiteit door de natuurlijke setting.

Wat is een voorbeeld van externe validiteit?

Een studie die de effecten van een behandeling op verschillende leeftijdsgroepen onderzoekt.

True or False: Een hoge interne validiteit garandeert externe validiteit.

False. Hoge interne validiteit garandeert niet dat de resultaten buiten de studie generaliseerbaar zijn.

Vergelijk interne en externe validiteit. Wat zijn de focuspunten?

Interne validiteit: causaliteit binnen de studie. Externe validiteit: generaliseerbaarheid naar de echte wereld.

Vul in: Een experiment met een controle- en experimentele groep verhoogt...

...de interne validiteit.

Gevolg van een te kleine steekproefgrootte?

Verminderde externe validiteit; resultaten zijn mogelijk niet representatief.

Wat is een voorbeeld van externe validiteit in een survey?

Een enquête die wordt afgenomen in verschillende landen om cultuurverschillen te onderzoeken.

Hoe beïnvloedt een veldexperiment de externe validiteit?

Het verhoogt de externe validiteit door het gebruik van een natuurlijke omgeving.

Wat is de rol van randomisatie?

Randomisatie verhoogt de interne validiteit door bias te minimaliseren.

Kan een longitudinaal onderzoek hoge externe validiteit hebben?

Ja, vooral als het onderzoek diverse deelnemers over tijd volgt.

Geef een oorzaak-gevolg relatie: Selectiebias → ...

...verstoorde interne validiteit.

Wat is het effect van confounders op onderzoeksresultaten?

Ze verminderen de interne validiteit door verwarring in de causaliteit.

Vragen in deze set(68)

1. Wat beschrijft de interne validiteit het beste?

A.De causaliteit tussen variabelen.
B.De generaliseerbaarheid van resultaten.
C.De invloed van externe factoren.
D.De betrouwbaarheid van de metingen.

2. Wat beschrijft interne validiteit het beste?

A.De mate van causaliteit tussen variabelen
B.De algemene toepasbaarheid van de resultaten
C.De tijdsduur van het onderzoek
D.De grootte van de steekproef

3. Wat is een voorbeeld van externe validiteit?

A.Een onderzoek naar het effect van slaap op studenten dat ook geldt voor werknemers.
B.Een laboratoriumexperiment over geheugen dat altijd geldig is voor ouderen.
C.Een enquête naar voorkeuren binnen een beperkte groep jongeren.
D.Een studie die alleen resultaten publiceert zonder context.

4. Wat is een voorbeeld van een studie met hoge interne validiteit?

A.Een laboratoriumexperiment met randomisatie
B.Een enquête onder verschillende bevolkingsgroepen
C.Observatie in een natuurlijke setting
D.Een longitudinaal onderzoek over meerdere jaren

5. Wat is het belangrijkste kenmerk van externe validiteit?

A.De nauwkeurigheid van metingen.
B.De mogelijkheid om resultaten te generaliseren.
C.De controle van verstorende variabelen.
D.De consistentie van resultaten.

6. Wat is een voorbeeld van een verstorende variabele?

A.Leeftijd van deelnemers
B.De gebruikte onderzoeksinstrumenten
C.De locatie van het onderzoek
D.De naam van de onderzoeker

7. Wat betekent 'representativiteit' in het kader van externe validiteit?

A.De mate waarin een steekproef de populatie weerspiegelt.
B.De tijdsduur van het onderzoek.
C.De grootte van de steekproef.
D.De specifieke setting van het onderzoek.

8. Wat wordt bedoeld met externe validiteit?

A.De mate waarin de resultaten generaliseerbaar zijn
B.De betrouwbaarheid van de meetinstrumenten
C.De causaliteit binnen de studie
D.De consistentie van de resultaten

9. Vul de lege plek in: Externe validiteit is afhankelijk van ______.

A.de representativiteit van de steekproef.
B.de nauwkeurigheid van de metingen.
C.de grootte van de steekproef.
D.de kracht van de correlatie.

10. Wat is het effect van een hoge uitvalpercentage van deelnemers?

A.Verhoogt de interne validiteit
B.Versterkt de controle van variabelen
C.Leidt tot vertekening van resultaten
D.Heeft geen effect

11. Welke van de volgende situaties kan de externe validiteit ondermijnen?

A.Een steekproef van 1000 mensen uit verschillende demografische groepen.
B.Een onderzoek dat alleen studenten van één universiteit ondervraagt.
C.Een longitudinaal onderzoek dat gedurende 10 jaar loopt.
D.Een veldonderzoek uitgevoerd in een stad.

12. Welk type onderzoek heeft waarschijnlijk de hoogste externe validiteit?

A.Veldexperiment in een natuurlijke omgeving
B.Gecontroleerd laboratoriumexperiment
C.Klein kwalitatief onderzoek
D.Studies met een beperkte steekproefgrootte

13. Wat is een belangrijke bedreiging voor de interne validiteit?

A.Verlies van deelnemers.
B.Een te grote steekproef.
C.Een goed gecontroleerd experiment.
D.Een hoge validiteitsindex.

14. Welke methode helpt de interne validiteit te verhogen?

A.Hawthorne-effect
B.Randomisatie
C.Selectiebias
D.Meetfouten

15. Wat is een mogelijke beperking van labstudies met betrekking tot externe validiteit?

A.Ze bieden een gecontroleerde omgeving met weinig verstoringen.
B.Ze kunnen niet altijd de echte wereld situaties simuleren.
C.Ze zijn vaak gebaseerd op een grote steekproef.
D.Ze worden altijd uitgevoerd in natuurlijke settings.

16. Wat is een gevolg van selectiebias?

A.Verstoorde interne validiteit
B.Verhoogde externe validiteit
C.Betrouwbare resultaten
D.Weinig impact op de studie

17. Wat is een confounder?

A.Een variabele die de afhankelijke variabele beïnvloedt.
B.Een onafhankelijke variabele.
C.Een variabele die de causaliteit verstoort.
D.Een test voor betrouwbaarheid.

18. Wat is een confounder?

A.Een variabele die alleen de afhankelijke variabele beïnvloedt
B.Een variabele die de onafhankelijke variabele beïnvloedt
C.Een variabele die beide variabelen beïnvloedt
D.Een variabele die niet relevant is voor het onderzoek

19. Welke factor kan de externe validiteit van een studie verbeteren?

A.Een grotere en diverse steekproef.
B.Een streng gecontroleerde labomgeving.
C.Een kortlopende studie.
D.Een onderzoek met een hoge interne validiteit.

20. Welk van de volgende is geen manier om interne validiteit te verhogen?

A.Randomisatie van deelnemers
B.Gebruik van een controlegroep
C.Veldobservatie
D.Gestandaardiseerde meetinstrumenten

21. Welke situatie zou de externe validiteit beïnvloeden?

A.Een laboratoriumexperiment dat niet representatief is voor de echte wereld.
B.Een experiment met hoge interne validiteit.
C.Een experiment dat alle variabelen controleert.
D.Een experiment met een kleine steekproef.

22. Wat is een voorbeeld van een bias die interne validiteit kan schaden?

A.Selectiebias
B.Randomisatie
C.Longitudinaal onderzoek
D.Blinding

23. Waarom kan de tijdsperiode waarin een studie is uitgevoerd invloed hebben op de externe validiteit?

A.Omdat maatschappelijke veranderingen de relevantie van de resultaten kunnen beïnvloeden.
B.Omdat oudere studies altijd betrouwbaarder zijn.
C.Omdat tijd geen invloed heeft op onderzoeksresultaten.
D.Omdat langere studies altijd meer gegevens bieden.

24. Waarom is randomisatie belangrijk in experimenten?

A.Het minimaliseert bias en verhoogt interne validiteit
B.Het maakt de resultaten moeilijker te begrijpen
C.Het zorgt voor grotere steekproefgroottes
D.Het vermindert de tijd die aan het onderzoek besteed moet worden

25. Wat meet een validiteitsindex?

A.De betrouwbaarheid van een test.
B.De mate waarin een test het beoogde construct meet.
C.De effectgrootte van een behandeling.
D.De steekproefgrootte van een studie.

26. Wat is het doel van blinding in een studie?

A.De deelnemers onwetend maken over de behandeling
B.De onderzoekers beïnvloeden de resultaten
C.De steekproefgrootte vergroten
D.De controlevariabelen versterken

27. Wat is een voorbeeld van ecologische validiteit?

A.Een studie naar stressniveaus die ook geldt voor werkomgevingen.
B.Een experiment uitgevoerd in een kunstmatige labomgeving.
C.Een test die alleen op schoolkinderen is uitgevoerd.
D.Een enquête die geen rekening houdt met culturele verschillen.

28. Wat is een voorbeeld van confounding?

A.Een factor die zowel de onafhankelijke als de afhankelijke variabele beïnvloedt
B.Een goed gedefinieerde hypothese
C.Een controle van alle variabelen
D.Een gerandomiseerde steekproef

29. Wat is het doel van randomisatie in onderzoek?

A.Om de steekproefgrootte te vergroten.
B.Om verstorende variabelen te controleren.
C.Om de externe validiteit te verhogen.
D.Om de interne validiteit te verlagen.

30. Wat is een bedreiging voor de interne validiteit?

A.Meetfouten
B.Tijdsduur van het onderzoek
C.De grootte van de steekproef
D.De naam van de onderzoeker

31. Welk van de volgende is GEEN bedreiging voor de externe validiteit?

A.Selectiebias.
B.Te kleine steekproef.
C.Inclusieve steekproef.
D.Culturele bias.

32. Wat is een voorbeeld van externe validiteit in een longitudinaal onderzoek?

A.Het volgen van een diverse groep mensen over meerdere jaren
B.Een korte enquête met een kleine steekproef
C.Een laboratoriumstudie met een beperkte tijdsduur
D.Een enkelvoudige meting op één moment

33. Wat is het effect van experimentatorbias?

A.Het verhoogt de externe validiteit.
B.Het verstoort de resultaten.
C.Het verbetert de interne validiteit.
D.Het heeft geen invloed op de resultaten.

34. Wat houdt het Hawthorne-effect in?

A.De onveranderlijkheid van onderzoeksresultaten
B.De verandering in gedrag door observatie
C.De invloed van externe invloeden
D.De effectiviteit van randomisatie

35. Waarom is replicatie belangrijk voor de externe validiteit?

A.Het bevestigt dat resultaten consistent zijn in verschillende contexten.
B.Het maakt het onderzoek makkelijker te begrijpen.
C.Het vermindert het aantal deelnemers dat nodig is.
D.Het verhoogt de interne validiteit van de studie.

36. Wat kan een effect hebben op de externe validiteit van een survey?

A.De representativiteit van de steekproef
B.De lengte van het onderzoek
C.Het aantal vragen in de enquête
D.De locatie van het onderzoek

37. Wat is constructvaliditeit?

A.De mate van betrouwbaarheid van een test.
B.De mate waarin een test meet wat het beoogt te meten.
C.De generaliseerbaarheid van een studie.
D.De causaliteit tussen variabelen.

38. Wat is een experimentele groep?

A.De groep die geen behandeling ontvangt
B.De groep die een placebo ontvangt
C.De groep die de behandeling ontvangt
D.De groep die random is geselecteerd

39. Wat speelt een rol bij het generaliseren van resultaten naar andere culturen?

A.Culturele verschillen in waarden en gedragingen.
B.Het aantal deelnemers in de studie.
C.De grootte van het onderzoeksbudget.
D.De lengte van het onderzoek.

40. Welk type studie kan interne validiteit het meest bedreigen?

A.Een niet-gecontroleerd observationeel onderzoek
B.Een gerandomiseerde gecontroleerde trial
C.Een experimenteel laboratoriumonderzoek
D.Een systematische review

41. Wat is een voorbeeld van een manier om externe validiteit te verhogen?

A.Diverse steekproeven gebruiken.
B.Een zeer gecontroleerd laboratorium opzetten.
C.De steekproefgrootte verkleinen.
D.De experimentator goed trainen.

42. Welke methode verbetert de controle over verstorende variabelen?

A.Gebruik van een controle groep
B.Zorgvuldig meten van uitkomsten
C.Vermijden van herhaalde metingen
D.Verhogen van de steekproefgrootte

43. Wat is een voordeel van longitudinaal onderzoek voor externe validiteit?

A.Het legt veranderingen in de tijd vast.
B.Het vereist altijd een grote steekproef.
C.Het is gemakkelijker te repliceren.
D.Het heeft geen invloed op culturele bias.

44. Wat is een gevolg van een te kleine steekproefgrootte?

A.Verminderde externe validiteit
B.Verhoogde interne validiteit
C.Betere controle over variabelen
D.Minder bias in de resultaten

45. Welk van de volgende is geen indicatie van interne validiteit?

A.Controle van extraneous variables.
B.Een goed gedefinieerde onafhankelijke variabele.
C.Een representatieve steekproef.
D.Een experimentele opzet.

46. Wat is het effect van het placebo-effect?

A.Het vermindert de interne validiteit
B.Het versterkt de hypothese
C.Het veroorzaakt verbeteringen zonder echte behandeling
D.Het heeft geen invloed op de resultaten

47. Welke uitspraak over externe validiteit is ONJUIST?

A.Externe validiteit is altijd beter bij veldonderzoek.
B.Externe validiteit kan variëren afhankelijk van de context.
C.Een grote steekproef kan de externe validiteit verbeteren.
D.Culturele aspecten zijn belangrijk bij generalisatie.

48. Welke uitspraak over interne en externe validiteit is correct?

A.Hoge interne validiteit garandeert geen hoge externe validiteit
B.Hoge externe validiteit garandeert hoge interne validiteit
C.Ze zijn onafhankelijk van elkaar
D.Ze zijn altijd gelijk

49. Wat is de relatie tussen betrouwbaarheid en validiteit?

A.Een onbetrouwbare test kan valide zijn.
B.Betrouwbaarheid is een voorwaarde voor validiteit.
C.Validiteit is belangrijker dan betrouwbaarheid.
D.Ze zijn onafhankelijk van elkaar.

50. Wat is een pilootstudie?

A.Een studie met veel deelnemers
B.Een voorstudie om methodologische problemen te identificeren
C.Een verslag over onderzoeksresultaten
D.Een experiment zonder controle groep

51. Wat betekent 'sample bias'?

A.Een niet-representatieve steekproef van de populatie.
B.Een grote en diverse steekproef.
C.Een onderzoek met hoge externe validiteit.
D.Een studie uitgevoerd in een labomgeving.

52. Hoe beïnvloedt een gecontroleerde experimentele setting de resultaten?

A.Het verhoogt de interne validiteit
B.Het vermindert de externe validiteit
C.Het maakt causale relaties onduidelijk
D.Het heeft geen effect op de validiteit

53. Wat is een effect van een hoge interne validiteit?

A.Verhoogde externe validiteit.
B.Verminderde externe validiteit.
C.Geen effect op validiteit.
D.Verhoogde betrouwbaarheid.

54. Wat is een longitudinaal onderzoek?

A.Een studie die in een kort tijdsbestek wordt uitgevoerd
B.Een studie die meerdere metingen over tijd uitvoert
C.Een experiment met een enkele meting
D.Een studie zonder controle groep

55. Hoe kan je de externe validiteit van een studie beoordelen?

A.Door te kijken naar de representativiteit van de steekproef.
B.Door alleen naar de interne validiteit te kijken.
C.Door te focussen op de lengte van het onderzoek.
D.Door te analyseren welke statistische methoden zijn gebruikt.

56. Wat is een voorbeeld van een situatie waarin externe validiteit in het gedrang komt?

A.Een laboratoriumexperiment met studenten als enige deelnemers
B.Een enquête onder een diverse bevolking
C.Een veldexperiment in verschillende landen
D.Een longitudinaal onderzoek met variabele deelnemers

57. Wat is een voorbeeld van een situatie met hoge externe validiteit?

A.Een laboratoriumexperiment met gecontroleerde condities.
B.Een veldonderzoek met een diverse steekproef.
C.Een experiment met alleen studenten.
D.Een studie met een kleine steekproef.

58. Wat zijn meetinstrumenten in psychologisch onderzoek?

A.De hypothesen van de studie
B.De statistische analyses
C.De tools voor het verzamelen van gegevens
D.De resultaten van de studie

59. Wat is een mogelijke uitkomst van beperkte externe validiteit?

A.Misinterpretatie van de onderzoeksresultaten.
B.Verhoogde wetenschappelijke erkenning.
C.Hogere tevredenheid onder deelnemers.
D.Betere replicatie van de studie.

60. Welke van de volgende opties versterkt interne validiteit het meest?

A.Toepassing van willekeurige toewijzing
B.Gebruik van meerdere meetinstrumenten
C.Veldobservatie in verschillende contexten
D.Interviewen van een grote groep mensen

61. Wat is het belangrijkste doel van interne validiteit in een experimentele studie?

A.Causaliteit vaststellen
B.Algemene toepasbaarheid vergroten
C.De steekproefgrootte optimaliseren
D.De rol van confounders negeren

62. Welke van de volgende is geen bedreiging voor interne validiteit?

A.Geschiedenis
B.Rijping
C.Randomisatie
D.Instrumentatie

63. Welke van de volgende uitspraken over externe validiteit is waar?

A.Externe validiteit is essentieel voor de generaliseerbaarheid van onderzoeksresultaten.
B.Externe validiteit heeft geen invloed op de toepasbaarheid van labstudies.
C.Externe validiteit is alleen relevant voor kwantitatief onderzoek.
D.Externe validiteit kan alleen worden beoordeeld na het voltooien van een studie.

64. Wat is een voorbeeld van een situatie waarin de interne validiteit in het gedrang komt?

A.Een onderzoek met een controle- en experimentele groep.
B.Een study met significante uitval van deelnemers.
C.Een laboratoriumexperiment met strikte controlemethoden.
D.Een survey die in verschillende landen is afgenomen.

65. Wat is het gevolg van een verkeerde hypothese?

A.Verhoogde interne validiteit
B.Verkeerde conclusies
C.Versterkte data-analyse
D.Onveranderde resultaten

66. Wat is het belang van controlemechanismen?

A.Ze verminderen de steekproefgrootte
B.Ze verhogen de kans op bias
C.Ze verbeteren de interne validiteit
D.Ze zijn alleen nodig in experimentele studies

67. Hoe beïnvloedt de keuze van de steekproef de interne validiteit?

A.Het heeft geen invloed
B.Een grotere steekproef verhoogt de validiteit automatisch
C.Willekeurige steekproeven verminderen bias
D.Kleine steekproeven zijn altijd beter

68. Wat is een effect van randomisatie in een experimentele opzet?

A.Het vermindert bias en confounding.
B.Het verhoogt de steekproefgrootte.
C.Het maakt de resultaten moeilijker te interpreteren.
D.Het elimineert de controle groep.

Gerelateerde sets

Maak je eigen studieset

Upload een PDF, plak je notities of beschrijf een onderwerp – AI genereert flashcards, quizzen en meer in seconden.