Bystander effect en prosociaal gedrag begrippen

Deze begrippenlijst behandelt het bystander effect en prosociaal gedrag, waaronder belangrijke termen en concepten binnen de sociale psychologie. Het biedt inzicht in hoe en waarom mensen in noodsituaties al dan niet handelen en de sociale invloeden daarop.

FinnOtter·30 flashcards·30 vragen
wopsychologysocial
0
Ken ik
1 / 30
0
Aan het leren
Voorkant

Wat is het bystander effect?

Tik om om te draaien
Achterkant

Het bystander effect is een sociaal psychologisch fenomeen waarbij individuen minder geneigd zijn om hulp te bieden in een noodsituatie wanneer andere mensen aanwezig zijn.

Tik om om te draaien
Ken ik
Aan het leren

Quiz(30 vragen)

Vraag 1 van 30

1. Wat is prosociaal gedrag?

Termen in deze set(30)

Bystander Effect(16)

Wat is het bystander effect?

Het bystander effect is een sociaal psychologisch fenomeen waarbij individuen minder geneigd zijn om hulp te bieden in een noodsituatie wanneer andere mensen aanwezig zijn.

Vul in: Hoe meer ____ aanwezig zijn, hoe minder kans op hulp.

bystanders

Wat gebeurt er bij de diffusie van verantwoordelijkheid?

Bij de diffusie van verantwoordelijkheid voelen individuen zich minder persoonlijk verantwoordelijk om te handelen, omdat anderen ook aanwezig zijn. Dit vermindert de kans op hulp.

Is het bystander effect absoluut?

Onjuist. Het bystander effect is niet altijd aanwezig; factoren zoals persoonlijke connectie kunnen de hulpbereidheid verhogen.

Voorbeeld van het bystander effect.

Tijdens een straatroof zien meerdere mensen het voorval gebeuren, maar niemand grijpt in omdat ze denken dat iemand anders het wel zal doen.

Wat is sociale vergelijking?

Sociale vergelijking is het proces waarbij individuen hun gedrag en reacties afstemmen op die van anderen, wat ook invloed kan hebben op de hulpverlening in noodsituaties.

Vul in: Het effect waarbij mensen zich om hen heen kijken voor sociale ____ is een kenmerk van het bystander effect.

normen

Wat is de rol van anonimiteit bij het bystander effect?

Anonimiteit kan het gevoel van verantwoordelijkheid verminderen, waardoor mensen minder snel hulp bieden. Ze voelen zich minder zichtbaar en verantwoordelijk.

Vergelijk: Bystander effect vs. prosociaal gedrag.

Bystander effect: minder hulp in groep. Prosociaal gedrag: actieve hulpverlening, vaak individueel of in kleine groepen.

Wat is het 'situationele' aspect van het bystander effect?

Het situationele aspect verwijst naar de omstandigheden die invloed hebben op de beslissing om hulp te bieden, zoals de grootte van de groep en de ernst van de situatie.

Vul in: Een factor die het bystander effect kan verminderen is ____.

een persoonlijke connectie met het slachtoffer.

Wat is de impact van het aantal getuigen op het bieden van hulp?

Hoe meer getuigen, hoe minder kans op hulp, vanwege de diffusie van verantwoordelijkheid en sociale normen.

Wat is de theorie van het omstandereffect?

De theorie stelt dat mensen in groepssituaties minder geneigd zijn om te helpen, omdat ze denken dat anderen ook zullen ingrijpen.

Is het bystander effect alleen van toepassing in gevaarlijke situaties?

Onjuist. Het kan ook voorkomen in minder dringende situaties, zoals iemand die hulp nodig heeft bij het dragen van zware tassen.

Wat is de relatie tussen training en het bystander effect?

Training kan individuen voorbereiden en bewust maken van het bystander effect, waardoor ze eerder geneigd zijn om hulp te bieden.

Vul in: Het gevoel van ____ kan invloed hebben op de bereidheid om te helpen.

urgentheid

Prosociaal Gedrag(14)

Wat is prosociaal gedrag?

Gedrag dat gericht is op het helpen van anderen, zonder persoonlijke winst. Voorbeelden zijn vrijwilligerswerk en het helpen van iemand in nood.

Noem een factor die prosociaal gedrag bevordert.

Empathie - Het vermogen om de gevoelens van anderen te begrijpen en te delen, stimuleert het verlangen om te helpen.

Vult de zin in: Prosociaal gedrag is vaak afhankelijk van __________.

sociale normen en verwachtingen.

Wat is het effect van groepsdruk op prosociaal gedrag?

Groepsdruk kan zowel positief als negatief zijn. Het kan mensen aanmoedigen om te helpen, maar ook om niets te doen.

Waar is prosociaal gedrag vooral zichtbaar?

In noodsituaties zoals ongelukken of natuurrampen, waarbij mensen vaak samenkomen om te helpen.

Is het waar dat mensen eerder geneigd zijn te helpen als ze zich schuldig voelen?

Waar - Schuldgevoel kan leiden tot prosociaal gedrag als een manier om het morele evenwicht te herstellen.

Vergelijk altruïsme en egoïsme.

Altruïsme: handelen voor anderen zonder eigenbelang. Egoïsme: handelen voor eigen voordeel.

Effect van bekendheid op hulpgedrag?

Bekendheid met het slachtoffer vergroot de kans op hulp. Mensen voelen zich meer betrokken bij bekenden.

Wat zijn sociale normen?

Ongeschreven regels die gedrag in een samenleving sturen. Ze kunnen prosociaal gedrag aanmoedigen of ontmoedigen.

Vul in: Hoe groter de groep, hoe __________ de kans op hulp.

kleiner - Dit fenomeen staat bekend als het bystander effect.

Waarom helpt iemand sneller in een kleinere groep?

In een kleinere groep voelt men zich verantwoordelijker en minder geneigd om te wachten op iemand anders.

Wat is de rol van zichtbaarheid in prosociaal gedrag?

Zichtbaarheid van een situatie verhoogt de kans op hulp. Mensen zijn sneller geneigd te reageren als ze een noodsituatie rechtstreeks waarnemen.

Hoe beïnvloedt leeftijd prosociaal gedrag?

Jongeren vertonen vaak meer impulsief gedrag, terwijl volwassenheid vaak leidt tot meer doordachte hulpacties.

Wat is 'sociale afstand'?

De perceptie van nabijheid tot anderen beïnvloedt de bereidheid om te helpen. Hoe dichterbij, hoe groter de kans op hulp.

Vragen in deze set(30)

1. Wat is prosociaal gedrag?

A.Gedrag dat gericht is op het helpen van anderen, zonder persoonlijke winst.
B.Gedrag dat alleen in groepen voorkomt.
C.Handelen zonder rekening te houden met anderen.
D.Acties die uitsluitend voor eigenbelang zijn.

2. Wat is de belangrijkste reden waarom mensen vaak niet helpen in een noodsituatie wanneer er anderen aanwezig zijn?

A.Bystander effect
B.Sociale druk
C.Persoonlijke angst
D.Onwetendheid

3. Welke factor bevordert prosociaal gedrag het meest?

A.Empathie
B.Competitie
C.Afgunst
D.Desinteresse

4. Wat gebeurt er vaak in groepssituaties wanneer iemand hulp nodig heeft?

A.Mensen bieden automatisch hulp
B.Mensen kijken naar anderen voor actie
C.Iedereen handelt onafhankelijk
D.Er is altijd een leider die helpt

5. Vul in: Prosociaal gedrag is vaak afhankelijk van __________.

A.sociale normen en verwachtingen
B.individuele voorkeuren
C.financiële voordelen
D.liefde en genegenheid

6. Welke factor kan het bystander effect verminderen?

A.Persoonlijke connectie met het slachtoffer
B.Aantal getuigen
C.Afstand tot het voorval
D.Anonymiteit van de omstanders

7. Wat is het effect van groepsdruk op prosociaal gedrag?

A.Het leidt altijd tot meer hulp.
B.Het heeft geen invloed op hulpgedrag.
C.Het kan zowel positief als negatief zijn.
D.Het zorgt ervoor dat niemand helpt.

8. Wat is het effect van anonimiteit op de bereidheid om hulp te bieden?

A.Het verhoogt de verantwoordelijkheidsgevoel
B.Het vermindert de kans op hulp
C.Het heeft geen effect
D.Het vermindert sociale druk

9. Waar komt prosociaal gedrag vaak het meest voor?

A.In noodsituaties zoals ongelukken.
B.Bij persoonlijke vriendschappen.
C.In competitieve omgevingen.
D.Tijdens feestelijke evenementen.

10. Wat is sociale vergelijking in de context van het bystander effect?

A.Het afstemmen van gedrag op anderen
B.Het vergelijken van hulpacties
C.Het negeren van groepsnormen
D.Het actief ingrijpen

11. Is het waar dat schuldgevoel leidt tot meer hulp gedrag?

A.Ja, schuldgevoel kan motiveren om te helpen.
B.Nee, schuldgevoel heeft geen effect.
C.Ja, maar alleen in formele situaties.
D.Nee, het maakt mensen juist passief.

12. In welke situatie is het bystander effect waarschijnlijker aanwezig?

A.Wanneer iemand alleen is
B.Wanneer er veel mensen zijn
C.Wanneer de noodsituatie duidelijk is
D.Wanneer een expert aanwezig is

13. Wat is het verschil tussen altruïsme en egoïsme?

A.Altruïsme is handelen voor anderen, egoïsme voor jezelf.
B.Altruïsme is altijd niet-ethisch, egoïsme is ethisch.
C.Beide zijn dezelfde concepten.
D.Altruïsme is alleen verbonden met familie.

14. Wat is het verschil tussen het bystander effect en prosociaal gedrag?

A.Bystander effect is passief, prosociaal gedrag is actief
B.Bystander effect is altijd aanwezig, prosociaal gedrag nooit
C.Bystander effect betreft alleen individuen, prosociaal gedrag alleen groepen
D.Bystander effect is effectief, prosociaal gedrag niet

15. Hoe beïnvloedt bekendheid met het slachtoffer hulpgedrag?

A.Het vermindert de kans op hulp.
B.Het heeft geen effect.
C.Het vergroot de kans op hulp.
D.Het maakt mensen bang om te helpen.

16. Wat betekent diffusie van verantwoordelijkheid?

A.Verantwoordelijkheid wordt gedeeld onder de omstanders
B.Iedereen voelt zich verantwoordelijk
C.Verantwoordelijkheid ligt altijd bij een individu
D.Het heeft geen invloed op hulpverlening

17. Wat zijn sociale normen?

A.Ongeschreven regels die gedrag aansteken.
B.Wettelijke verplichtingen.
C.Persoonlijke voorkeuren.
D.Cultuurverschillen.

18. Wat is de rol van urgentie in het bystander effect?

A.Het heeft geen rol
B.Het vermindert de effectiviteit van hulp
C.Het verhoogt de kans op hulpverlening
D.Het maakt omstanders onverschillig

19. Vul in: Hoe groter de groep, hoe __________ de kans op hulp.

A.kleiner
B.groter
C.onveranderd
D.complexer

20. Hoe kan training helpen bij het verminderen van het bystander effect?

A.Het maakt mensen bang om te helpen
B.Het bereidt mensen voor om hulp te bieden
C.Het vermindert sociale druk
D.Het moedigt competitie aan

21. Waarom helpen mensen sneller in kleinere groepen?

A.Ze voelen zich verantwoordelijker.
B.Er zijn meer middelen beschikbaar.
C.Het is makkelijker om hulp te coördineren.
D.Mensen zijn minder verlegen.

22. Wat is een voorbeeld van het bystander effect?

A.Iemand valt op straat en één persoon helpt onmiddellijk
B.Mensen kijken toe terwijl iemand valt, maar bieden geen hulp
C.Iedereen helpt bij een straatfeest
D.Een groep vrienden helpt een oudere dame

23. Wat is de rol van zichtbaarheid in prosociaal gedrag?

A.Zichtbaarheid vermindert de kans op hulp.
B.Zichtbaarheid heeft geen invloed.
C.Zichtbaarheid vergroot de kans op hulp.
D.Zichtbaarheid is altijd irrelevant.

24. Is het bystander effect altijd aanwezig in elke noodsituatie?

A.Ja, altijd
B.Nee, afhankelijk van de situatie
C.Ja, maar alleen in drukke gebieden
D.Nee, alleen bij onbekenden

25. Hoe beïnvloedt leeftijd prosociaal gedrag?

A.Jongeren zijn altijd minder hulpvaardig.
B.Leeftijd heeft geen invloed op gedrag.
C.Ouderen zijn vaak meer doordacht in hun hulpacties.
D.Alle leeftijden helpen evenveel.

26. Wat kan de sociale norm rond hulpverlening beïnvloeden?

A.Het aantal getuigen
B.De tijd van de dag
C.De locatie
D.De kleur van de kleding

27. Wat is 'sociale afstand'?

A.De perceptie van nabijheid tot anderen.
B.De fysieke afstand tussen mensen.
C.De emotionele afstand in relaties.
D.De afstand in tijd tussen gebeurtenissen.

28. Wat is een belangrijke factor die kan bijdragen aan de bereidheid om te helpen?

A.Duidelijke communicatie van de nood
B.Afwezigheid van andere mensen
C.Persoonlijke voorkeuren
D.Langdurige aanwezigheid

29. Wat is een voorbeeld van sociale druk in de context van het bystander effect?

A.Iemand biedt hulp ongeacht wat anderen doen
B.Mensen kijken naar elkaar voordat ze handelen
C.Iedereen negeert de situatie
D.Er is geen druk aanwezig

30. Wat is de invloed van de groepsgrootte op het bieden van hulp in een noodsituatie?

A.Hoe groter de groep, hoe minder kans op hulp.
B.Groepsgrootte heeft geen invloed op hulpverlening.
C.Hoe kleiner de groep, hoe minder kans op hulp.
D.Groepsgrootte beïnvloedt alleen het type hulp dat geboden wordt.

Gerelateerde sets

Maak je eigen studieset

Upload een PDF, plak je notities of beschrijf een onderwerp – AI genereert flashcards, quizzen en meer in seconden.