Histologie weefseltypen oefenvragen

Oefenvragen over histologie en weefseltypen voor medische studenten in Nederland, gericht op belangrijke termen en concepten.

Eva46·64 flashcards·64 vragen
womedicineanatomy
0
Ken ik
1 / 64
0
Aan het leren
Voorkant

Wat zijn de vier hoofdweefseltypen?

Tik om om te draaien
Achterkant

1. Epitheleel weefsel 2. Bindweefsel 3. Spierweefsel 4. Zenuwweefsel

Tik om om te draaien
Ken ik
Aan het leren

Quiz(64 vragen)

Vraag 1 van 64

1. Wat is de belangrijkste functie van fixatie in histologie?

Termen in deze set(64)

Weefseltypen(16)

Wat zijn de vier hoofdweefseltypen?

1. Epitheleel weefsel 2. Bindweefsel 3. Spierweefsel 4. Zenuwweefsel

Wat is de functie van epitheleel weefsel?

Bescherming, absorptie, secretie en diffusie. Het vormt de oppervlakken van organen en het lichaam.

Vergelijk bindweefsel en epitheleel weefsel.

Bindweefsel: ondersteunt en verbindt. Epitheleel: bedekt en beschermt.

Vul het in: Spierweefsel bestaat uit ... soorten.

drie (glad, hart, skelet)

Wat is de rol van zenuwweefsel?

Zenuwweefsel is betrokken bij het verzenden van elektrische signalen door het lichaam.

Waaruit bestaat glad spierweefsel?

Glad spierweefsel bestaat uit niet-gecontroleerde, onwillekeurige spiercellen, zoals in de darmen.

Waar wordt hartspierweefsel gevonden?

Hartspierweefsel is uitsluitend te vinden in de hartwand.

Waar komt epitheleel weefsel voor?

Oppervlakten van de huid, binnenkant van organen, en klieren.

Waaruit bestaat bindweefsel?

- Vezels (collageen, elastisch) - Grondsubstantie - Cellulaire componenten

Wat zijn de kenmerken van skeletspierweefsel?

Gestreept, willekeurig, en hecht zich aan botten voor beweging.

Waar is zenuwweefsel primair verantwoordelijk voor?

Communicatie binnen het zenuwstelsel en het coördineren van lichaamsfuncties.

True or False: Epitheleel weefsel heeft een hoge regeneratiecapaciteit.

True - Epitheleel weefsel kan zich snel regenereren na beschadiging.

Wat is het belangrijkste verschil tussen sereus en slijmend epitheel?

Sereus epitheel produceert een dunne vloeistof; slijmend epitheel produceert slijm.

Geef een voorbeeld van bindweefsel.

Voorbeelden zijn vetweefsel, kraakbeen en bot.

Wat is de functie van adipose weefsel?

Opslag van energie, isolatie en bescherming van organen.

Wat zijn de kenmerken van zenuwweefsel?

- Bestaat uit neuronen en gliacellen - Geleidt elektrische impulsen - Belangrijk voor communicatie in het lichaam - Neuronen hebben lange uitlopers (axonen) voor signaaloverdracht.

Histologische technieken(16)

Wat is histologie?

Histologie is de studie van weefsels en hun microscopische structuren.

Wat zijn de belangrijkste stappen in histologische preparatie?

- Fixatie - Dehydratatie - Inbedden - Snijden - Kleuren

Wat is fixatie?

Fixatie is het proces waarbij weefsel wordt geconserveerd om afbraak te voorkomen, vaak met formaldehyde.

Wat is de functie van dehydratatie?

Dehydratatie verwijdert water uit het weefsel, zodat het in een wasmedium kan worden ingebed.

Vul de lege plek in: Inbedden gebeurt meestal in ________.

paraffine.

Waarvoor wordt hematoxylin gebruikt?

Hematoxylin kleurt celkernen paarsblauw en wordt vaak gebruikt in combinatie met eosine.

Wat is het doel van snijden?

Snijden maakt dunne secties van het weefsel voor microscopische analyse.

Wat is het verschil tussen cryostaten en microtomen?

Cryostaten snijden bevroren weefsel terwijl microtomen snijden in ingebed weefsel.

Wat is immunohistochemie?

Immunohistochemie is een techniek om specifieke eiwitten in weefsels te detecteren met behulp van antilichamen.

Waarvoor dient paraffine-inbedden?

Paraffine-inbedden stabiliseert het weefsel voor snijden en voorkomt schade tijdens de analyse.

Wat is de rol van eosine in histologie?

Eosine kleurt cytoplasma en extracellulaire matrix rozerood, wat contrast biedt met hematoxylin.

Waaruit bestaat een histologisch kleuringprotocol?

- Desinfecteren - Fixeren - Kleuren - Spoelen - Monteren

Wat is een histologische sectie?

Een histologische sectie is een dunne snede van weefsel die onder de microscoop wordt bekeken.

Wat zijn de effecten van inadequate fixatie?

- Weefseldegradatie - Verminderde kleuring - Slechte morphologische details

Vul de lege plek in: Histologische onderzoeksmethoden zijn essentieel voor ________.

diagnose en onderzoek.

Wat is de betekenis van een histologische analyse?

Een histologische analyse biedt inzicht in de celstructuur, functie en pathologie van weefsels.

Cellulaire structuren(16)

Welke organellen zijn verantwoordelijk voor energieproductie?

Mitochondriën. - Produceren ATP via cellulair metabolisme.

Wat is de functie van het endoplasmatisch reticulum?

Synthese van eiwitten en lipiden. - Ruw ER: eiwitsynthese. - Glad ER: lipidesynthese.

Waar bevinden ribosomen zich in de cel?

In het cytoplasma en op het ruw endoplasmatisch reticulum.

Waaruit bestaat het cytoskelet?

Microtubuli, microfilamenten en intermediaire filamenten. - Ondersteunt de celstructuur.

Waar is het Golgi-apparaat voor verantwoordelijk?

Modificatie, sortering en verpakking van eiwitten voor export.

Waarin verschillen prokaryote en eukaryote cellen?

Prokaryoten: geen kern, kleine. Eukaryoten: wel een kern, groter.

Wat is de rol van lysosomen?

Afbraak van afvalstoffen en cellulair materiaal via enzymen.

Wat zijn centriolen?

Structuren die betrokken zijn bij celdeling. - Organiseren de spoelfiguur.

Wat is de functie van het celmembraan?

Reguleert transport van stoffen in en uit de cel.

Vul de leegte in: Het __________ is verantwoordelijk voor de eiwitproductie.

Ribosoom.

Wat gebeurt er in de celkern?

Bevat DNA; reguleert genexpressie en celcyclus.

Wat is de functie van mitose?

Celdeling voor groei en herstel. - Produceert twee identieke dochtercellen.

Waarom zijn mitochondriën belangrijk?

Zorgen voor energieproductie in de vorm van ATP. - Belangrijk voor metabolisme.

Wat zijn vacuolen?

Bewaarplaatsen voor stoffen. - Belangrijk voor osmoregulatie.

Bevatten alle cellen een kern?

Nee, prokaryote cellen hebben geen kern.

Wat is de belangrijkste functie van het cytoplasma?

Biedt een omgeving voor chemische reacties en ondersteuning aan organellen.

Functionele histologie(16)

Wat is de functie van epitheelweefsel?

Epitheelweefsel bedekt oppervlakken en organen. - Bescherming - Absorptie - Secretie

Noem een voorbeeld van glad spierweefsel.

Glad spierweefsel bevindt zich in de wanden van organen zoals de darmen en bloedvaten.

Waaruit bestaat bindweefsel?

Bindweefsel bestaat uit cellen en intercellulaire substantie. - Steun - Verankering - Transport

Waarvoor dient zenuwweefsel?

Zenuwweefsel is verantwoordelijk voor communicatie in het lichaam. - Versturen van impulsen - Verwerken van informatie

Vul de lege plek in: Epitheelweefsel is betrokken bij ______.

absorptie en secretie.

Waar vind je overgangsepitheel?

Overgangsepitheel komt voor in de blaas, waar het kan rekken.

Echte of valse: Spierweefsel kan zichzelf regenereren.

Valse: Spierweefsel heeft beperkte regeneratiecapaciteit.

Hoe verschilt glad spierweefsel van dwarsgestreept spierweefsel?

Glad spierweefsel is onwillekeurig en niet gestreept; dwarsgestreept is willekeurig en gestreept.

Wat is de functie van adipose weefsel?

Adipose weefsel slaat vet op en fungeert als isolatie en energiebron.

Wat gebeurt er bij beschadiging van zenuwweefsel?

Herstel is beperkt. - Kans op blijvende schade - Functionele verliezen

Vergelijk de functies van bloed en lymfe.

Bloed transporteert zuurstof en voedingsstoffen; lymfe speelt een rol in immuniteit.

Vul de lege plek in: Bindweefsel ondersteunt ______.

organen en weefsels.

Wat zijn de kenmerken van exocriene klieren?

Exocriene klieren scheiden stoffen af via een afvoergang naar een oppervlakte.

Noem 2 functies van collageen in bindweefsel.

- Stevigheid - Ondersteuning

Wat is de rol van fibroblasten in bindweefsel?

Fibroblasten produceren vezels en de extracellulaire matrix.

Echte of valse: Epitheelweefsel is goed doorbloed.

Valse: Epitheelweefsel is avasculair, ontvangt voedingsstoffen via diffusie.

Vragen in deze set(64)

1. Wat is de belangrijkste functie van fixatie in histologie?

A.Het voorkomen van weefselafbraak.
B.Het vermeerderen van cellen.
C.Het verhogen van de waterinhoud.
D.Het verkleinen van de weefselstructuur.

2. Wat is de functie van spierweefsel?

A.Beweging
B.Bescherming
C.Absorptie
D.Secretie

3. Wat is de belangrijkste functie van epitheelweefsel?

A.Bedekken van oppervlakken
B.Opslag van vet
C.Transport van zuurstof
D.Regeneratie van zenuwcellen

4. Welk organel is betrokken bij de eiwitsynthese?

A.Ribosoom
B.Golgi-apparaat
C.Mitochondriën
D.Lysosomen

5. Welke kleurstof wordt vaak gebruikt in combinatie met eosine?

A.Hematoxylin.
B.Methyleengroen.
C.Carmin.
D.Fuchsine.

6. Welk weefsel type is betrokken bij de gevoelswaarneming?

A.Zenuwweefsel
B.Bindweefsel
C.Epitheleel weefsel
D.Spierweefsel

7. Waar bevindt zich glad spierweefsel?

A.In de huid
B.In de hartspier
C.In de darmen
D.In de botten

8. Wat is de primaire functie van mitochondriën?

A.Eiwitmodificatie
B.ATP-productie
C.Afbraak van afvalstoffen
D.Transport van stoffen

9. Welk proces volgt het snijden in de histologische voorbereiding?

A.Kleuren.
B.Fixatie.
C.Inbedden.
D.Dehydratatie.

10. Welk type weefsel bedekt de oppervlakken van organen?

A.Epitheleel weefsel
B.Bindweefsel
C.Spierweefsel
D.Zenuwweefsel

11. Wat is een kenmerk van bindweefsel?

A.Avasculair
B.Bevat veel zenuwen
C.Bestaat uit cellen en intercellulaire substantie
D.Heeft geen functie

12. Waar in de cel zijn lysosomen te vinden?

A.In het celmembraan
B.In het cytoplasma
C.Op het endoplasmatisch reticulum
D.In de celkern

13. Wat is een cryostaat?

A.Een apparaat voor het snijden van bevroren weefsel.
B.Een type kleurstof gebruikt in histologie.
C.Een techniek voor het inbedden van weefsel.
D.Een proces voor het fixeren van cellen.

14. Wat zijn de cellulaire componenten van bindweefsel?

A.Fibroblasten, vetcellen, immuncellen
B.Neuronen en gliacellen
C.Skeletspiercellen
D.Cilindercellen

15. Welk weefsel is verantwoordelijk voor het verzenden van impulsen?

A.Epitheelweefsel
B.Spierweefsel
C.Zenuwweefsel
D.Bindweefsel

16. Welke structuur ondersteunt de celstructuur en bestaat uit microtubuli?

A.Celmembraan
B.Cytoskelet
C.Endoplasmatisch reticulum
D.Ribosoom

17. Wat is de rol van dehydratatie in histologische technieken?

A.Het verwijderen van water uit het weefsel.
B.Het verhogen van de weefseltemperatuur.
C.Het verlagen van de pH-waarde.
D.Het toevoegen van kleurstoffen aan het weefsel.

18. Welk weefsel type heeft geen bloedvaten?

A.Epitheleel weefsel
B.Bindweefsel
C.Spierweefsel
D.Zenuwweefsel

19. Vul de lege plek in: Epitheelweefsel is betrokken bij ______.

A.Vertegenwoordiging
B.Regeneratie
C.Absorptie en secretie
D.Transport

20. Wat is de rol van het Golgi-apparaat in de cel?

A.Eiwitsynthese
B.Cellulaire ademhaling
C.Modificatie en verpakking van eiwitten
D.DNA-replicatie

21. Welke van de volgende bewerkingen is GEEN onderdeel van de histologische preparatie?

A.Snijden.
B.Kleineren.
C.Fixeren.
D.Kleuren.

22. Welk type spierweefsel is onwillekeurig?

A.Glad spierweefsel
B.Skeletspierweefsel
C.Hartspierweefsel
D.Alle bovenstaande

23. Waar vind je overgangsepitheel?

A.In de longen
B.In de blaaskap
C.In de darmen
D.In de huid

24. Welk type cel heeft geen celkern?

A.Eukaryote cel
B.Prokaryote cel
C.Dierlijke cel
D.Planten cel

25. Wat is een belangrijk kenmerk van immunohistochemie?

A.Het detecteren van specifieke eiwitten.
B.Het verminderen van weefselgrootte.
C.Het verhogen van de weefselhydratatie.
D.Het inbedden van weefsel in paraffine.

26. Wat is de rol van adipose weefsel?

A.Opslag van energie
B.Beweging
C.Communicatie
D.Regeneratie

27. Echte of valse: Spierweefsel heeft een hoge regeneratiecapaciteit.

A.Echt
B.Valse
C.Soms
D.Altijd

28. Wat is de functie van het endoplasmatisch reticulum?

A.Energieproductie
B.Synthese van eiwitten en lipiden
C.Afbraak van organellen
D.Transport van zuurstof

29. Welke van de volgende stappen komt direct na het fixeren?

A.Dehydratatie.
B.Kleuren.
C.Snijden.
D.Monteren.

30. Welk weefsel type heeft een hoge regeneratiecapaciteit?

A.Epitheleel weefsel
B.Zenuwweefsel
C.Bindweefsel
D.Kraakbeen

31. Hoe verschilt glad spierweefsel van dwarsgestreept spierweefsel?

A.Glad spierweefsel is willekeurig
B.Dwarsgestreept spierweefsel is onwillekeurig
C.Glad spierweefsel is onwillekeurig en niet gestreept
D.Dwarsgestreept spierweefsel is avasculair

32. Wat gebeurt er in de celkern?

A.Eiwitmodificatie
B.Cellulaire ademhaling
C.DNA-replicatie en genexpressie
D.Osmoregulatie

33. Wat is de functie van eosine in histologie?

A.Het kleuren van cytoplasma en extracellulaire matrix.
B.Het fixeren van weefsel.
C.Het verlagen van de pH-waarde.
D.Het verbeteren van de weefselstructuur.

34. Wat zijn de kenmerken van hartspierweefsel?

A.Gestreept en onwillekeurig
B.Gestreept en willekeurig
C.Glad en willekeurig
D.Glad en gestreept

35. Wat is een functie van adipose weefsel?

A.Transport van zuurstof
B.Isolatie en energieopslag
C.Ondersteuning van bloedvaten
D.Regeneratie van weefsel

36. Wat is de functie van vacuolen in een cel?

A.Energieproductie
B.Opslag van stoffen
C.Afbraak van eiwitten
D.Cellulaire ademhaling

37. Wat gebeurt er bij inadequate fixatie?

A.Verminderde kleuring.
B.Verhoogde weefselstabiliteit.
C.Betere weefselstructuur.
D.Toegenomen celvermeerdering.

38. Welk type weefsel vormt de meeste interne organen?

A.Epitheleel weefsel
B.Bindweefsel
C.Spierweefsel
D.Zenuwweefsel

39. Wat gebeurt er bij beschadiging van zenuwweefsel?

A.Volledig herstel is gegarandeerd
B.Herstel is beperkt
C.Zenuwcellen kunnen zich volledig regenereren
D.Er is geen kans op blijvende schade

40. Welke van de volgende structuren is NIET betrokken bij celdeling?

A.Centriolen
B.Cytoskelet
C.Ribosomen
D.Spindle fibers

41. Welk materiaal wordt vaak gebruikt voor inbedden van weefsel?

A.Paraffine.
B.Alcohol.
C.Formaldehyde.
D.Glycerine.

42. Welk type bindweefsel ondersteunt en verbindt andere weefsels?

A.Los bindweefsel
B.Hartspierweefsel
C.Kraakbeen
D.Epitheleel weefsel

43. Hoe vergelijkt bloed zich met lymfe?

A.Beide zijn essentieel voor zuurstoftransport
B.Bloed transporteert voedingsstoffen, lymfe ondersteunt immuniteit
C.Lymfe transporteert zuurstof, bloed voert afvalstoffen af
D.Bloed heeft geen cellen, lymfe wel

44. Wat is de functie van microfilamenten in het cytoskelet?

A.Transport van eiwitten
B.Celbeweging en structuur
C.Afbraak van organellen
D.Energieproductie

45. Wat is een histologische sectie?

A.Een dunne snede van weefsel.
B.Een type kleurstof.
C.Een methode voor fixatie.
D.Een proces voor het snijden van cellen.

46. Wat is een functie van zenuwweefsel?

A.Geleiden van elektrische impulsen
B.Regenereren van weefsels
C.Ondersteunen van organen
D.Produceren van slijm

47. Vul de lege plek in: Bindweefsel ondersteunt ______.

A.Cellulair metabolisme
B.Organen en weefsels
C.Zenuwgeleiding
D.Transport van zuurstof

48. Welk proces vindt plaats in het mitochondrium?

A.Eiwitsynthese
B.Aerobe respiratie
C.Fotosynthese
D.DNA-replicatie

49. Wat kan het gevolg zijn van slechte kleuring?

A.Slechte morphologische details.
B.Betere weefselobservatie.
C.Verhoogde helderheid.
D.Snellere diagnose.

50. Wat is de belangrijkste functie van sereus epitheel?

A.Produceert een dunne, gladde vloeistof
B.Produceert slijm
C.Regelt de ademhaling
D.Biedt structurele ondersteuning

51. Wat zijn de kenmerken van exocriene klieren?

A.Ze scheiden stoffen af in het bloed
B.Ze hebben geen afvoergang
C.Ze scheiden stoffen af naar een oppervlakte via een afvoergang
D.Ze produceren hormonen

52. Welke functie heeft het celmembraan?

A.Cellulaire ademhaling
B.Regulatie van transport
C.Eiwitmodificatie
D.DNA-replicatie

53. Welk onderdeel is GEEN onderdeel van een histologisch kleuringprotocol?

A.Desinfecteren.
B.Schoonmaken.
C.Spoelen.
D.Monteren.

54. Welke van de volgende weefsels is GEEN type spierweefsel?

A.Glad spierweefsel
B.Hartspierweefsel
C.Skeletspierweefsel
D.Bindweefsel

55. Noem twee functies van collageen in bindweefsel.

A.Stevigheid en ondersteuning
B.Transport van voedingsstoffen
C.Immuniteit en bescherming
D.Regeneratie van zenuwcellen

56. Wat gebeurt er als het Golgi-apparaat niet goed functioneert?

A.Verhoogde eiwitsynthese
B.Verstoorde eiwitexport
C.Geen celgroei
D.Minder energieproductie

57. Wat is het doel van histologisch onderzoek?

A.Diagnose en onderzoek.
B.Vermeerderen van weefsel.
C.Vermijden van kleuring.
D.Verhogen van waterinhoud.

58. Wat is een voorbeeld van een type epitheleel weefsel?

A.Plaveiselepitheel
B.Adipose weefsel
C.Kraakbeen
D.Zenuwweefsel

59. Wat is de rol van fibroblasten in bindweefsel?

A.Ze produceren collageen en elastine
B.Ze transporteren zuurstof
C.Ze zijn betrokken bij zenuwgeleiding
D.Ze veroorzaken ontstekingen

60. Wat zijn centriolen?

A.Structuren voor eiwitsynthese
B.Organellen voor energieproductie
C.Structuren die betrokken zijn bij celdeling
D.Celmembraancomponenten

61. Wat is de belangrijkste functie van dehydratatie tijdens de histologische preparatie?

A.Verwijderen van water om inbedden mogelijk te maken
B.Kleuren van de celkernen
C.Fixeren van het weefsel
D.Stabiliseren van de microscoopbeelden

62. Welk type weefsel is verantwoordelijk voor de beweging van het lichaam?

A.Spierweefsel
B.Epitheleel weefsel
C.Zenuwweefsel
D.Bindweefsel

63. Echte of valse: Epitheelweefsel is goed doorbloed.

A.Echt
B.Valse
C.Soms
D.Altijd

64. Wat is de functie van ribosomen in de cel?

A.Eiwitsynthese
B.Lipidesynthese
C.Energieproductie
D.Afbraak van afvalstoffen

Gerelateerde sets

Maak je eigen studieset

Upload een PDF, plak je notities of beschrijf een onderwerp – AI genereert flashcards, quizzen en meer in seconden.