Farmacokinetiek ADME tentamenvragen

Studiekaarten over farmacokinetiek, gericht op ADME-processen en relevante termen voor tentamens in de geneeskunde.

JesseHendriksdt·64 flashcards·64 vragen
womedicinepharmacology
0
Ken ik
1 / 64
0
Aan het leren
Voorkant

Wat betekent ADME?

Tik om om te draaien
Achterkant

ADME staat voor Absorptie, Distributie, Metabolisme en Excretie. Het beschrijft hoe een geneesmiddel zich in het lichaam gedraagt.

Tik om om te draaien
Ken ik
Aan het leren

Quiz(64 vragen)

Vraag 1 van 64

1. Wat betekent de term 'absorptie' in farmacokinetiek?

Termen in deze set(64)

ADME Basisprincipes(16)

Wat betekent ADME?

ADME staat voor Absorptie, Distributie, Metabolisme en Excretie. Het beschrijft hoe een geneesmiddel zich in het lichaam gedraagt.

Vul de lege plek in: ADME zijn de vier ________ van farmacokinetiek.

Fasen.

Wat is absorptie?

Het proces waarbij een geneesmiddel in de bloedbaan komt na toediening. Dit kan via orale, intraveneuze of andere routes.

Waar hangt de absorptiesnelheid van af?

- Oplosbaarheid van het medicijn - Toedieningsroute - Maaginhoud - Doorbloeding van het gebied.

Waar staat biologische beschikbaarheid voor?

Biologische beschikbaarheid is de fractie van een toegediende dosis die daadwerkelijk in de circulatie komt. Dit is cruciaal voor de effectiviteit van een medicijn.

Waaruit bestaat distributie?

Distributie is het proces waarbij een geneesmiddel zich verspreidt door het lichaam. Factoren zijn weefselbinding, bloedstroom en doorlaatbaarheid van celmembranen.

Wat is de rol van metabolisme?

Metabolisme is de biochemische omzetting van geneesmiddelen in het lichaam. Dit kan leiden tot actieve of inactieve metabolieten.

Vul de lege plek in: De lever speelt een cruciale rol in het ________ van geneesmiddelen.

Metabolisme.

Wat is excretie?

Excretie is het proces waarbij geneesmiddelen en hun metabolieten uit het lichaam worden verwijderd, voornamelijk via urine of ontlasting.

Wat is de relatie tussen metabolisme en drug-interacties?

Metabolisme kan worden beïnvloed door andere stoffen, wat kan leiden tot verhoogde of verlaagde effectiviteit of toxiciteit van geneesmiddelen.

Waar vindt de meeste metabolisme plaats?

De meeste metabolisme vindt plaats in de lever, waar enzymen geneesmiddelen omzetten.

Wat is een voorbeeld van een invloed op de absorptie?

De aanwezigheid van voedsel kan de absorptie van sommige geneesmiddelen verhogen of verlagen.

Wat zijn de belangrijkste factoren voor distributie?

- Lipofilie van het medicijn - Bloedstroom naar weefsels - Weefselbinding.

Vul de lege plek in: De halfwaardetijd van een geneesmiddel is de tijd die nodig is om de plasmaconcentratie met ______ te verminderen.

De helft.

Wat is het effect van een hoge eiwitbinding op verdeling?

Geneesmiddelen die sterk aan eiwitten binden, hebben vaak een beperkte distributie naar weefsels, wat de effectiviteit kan beïnvloeden.

Waar staat de term 'clearance' voor?

Clearance is de snelheid waarmee een geneesmiddel uit de circulatie wordt verwijderd. Het wordt vaak uitgedrukt in liter per uur.

Absorptie en Verdeling(16)

Wat is absorptie?

Het proces waarbij een medicijn in de bloedbaan komt vanuit de toedieningsplaats.

Eén voorbeeld van een absorptiemechanisme.

Diffusie: passieve beweging van medicijnmoleculen door celmembranen.

Waar hangt de absorptiesnelheid van af?

Oplosbaarheid, doorlaatbaarheid van de membraan en bloeddoorstroming.

Wat is biologische beschikbaarheid?

Het percentage van een toegediende dosis dat ongewijzigd in de circulatie komt.

Vervang het woord: 'Transport' in de zin: 'Transport van medicijnen is cruciaal'.

'Distributie'.

Waar worden medicijnen meestal geabsorbeerd?

Hoofdzakelijk in de maag en darmen.

Wat is het effect van pH op absorptie?

Zure medicijnen worden beter geabsorbeerd in een zure omgeving, zoals de maag.

Verschil tussen actieve en passieve diffusie.

Actieve diffusie vereist energie; passieve diffusie niet.

Wat is de rol van bloeddoorstroming in absorptie?

Hogere bloeddoorstroming versnelt absorptie door betere opname in de circulatie.

Wat is een voorbeeld van een lipofiele stof?

Oliezuur, dat goed door celmembranen kan diffunderen.

Wat zijn transporteiwitten?

Eiwitten die medicijnen actief door celmembranen transporteren.

Waar of niet waar: 'Medicijnen worden altijd volledig geabsorbeerd'.

Niet waar: absorptie is vaak incompleet.

Wat beïnvloedt de verdeling van medicijnen?

Vetweefsel, eiwitbinding, en perfusie van organen.

Voorbeeld van een medicijn dat een hoge eiwitbinding heeft.

Warfarine, dat sterk aan plasma-eiwitten bindt.

Vul de lege ruimte in: 'Lipofiele stoffen hebben een _______ distributie'.

'Grotere'.

Wat is de impact van leeftijd op absorptie?

Ouderen hebben vaak een verminderde gastro-intestinale absorptie.

Metabolisme en Excretie(16)

Wat is het primaire metabolisme?

Het primaire metabolisme is de eerste stap in de afbraak van geneesmiddelen, vaak via enzymatische activiteit in de lever. Dit proces omvat omzettingen die de oplosbaarheid en uitscheiding verbeteren.

Welke rol speelt CYP450 in metabolisme?

CYP450-enzymen zijn essentieel voor de oxidatie van veel medicijnen. Ze faciliteren conversies die de biotransformatie van stoffen bevorderen, wat leidt tot inactivatie of activering.

Waar vindt de meeste medicijnmetabolisme plaats?

De lever. Dit orgaan bevat een hoge concentratie aan metaboliserende enzymen, waardoor het een cruciale rol speelt in het afbreken van geneesmiddelen.

Vul in: De belangrijkste fase van metabolisme is fase ____.

Fase I. Dit betreft de modificatie van de chemische structuur van geneesmiddelen, doorgaans door oxidatie, reductie of hydrolyse.

Wat is het verschil tussen fase I en fase II metabolisme?

Fase I omvat modificatie van het molecuul, terwijl fase II conjugatie is, waarbij een geneesmiddel wordt verbonden met een andere stof, waardoor het vaak gemakkelijker uitscheidbaar is.

Waar worden metabolieten meestal geëlimineerd?

Voornamelijk via de nieren. Metabolieten worden in de urine uitgescheiden na filtratie en secretie.

Waar leidt een verhoogde enzymactiviteit tot in het metabolisme?

- Versnelde afbraak van medicijnen - Mogelijke verminderde effectiviteit - Verhoogde kans op metabolieten met bijwerkingen

Waarvoor dient het concept van 'first-pass effect'?

Het first-pass effect beschrijft de vermindering van een geneesmiddel door de lever voordat het in de circulatie komt. Dit is belangrijk voor orale medicatie.

Wat is de functie van glucuronidering in fase II metabolisme?

Glucuronidering voegt glucuronzuur toe aan een geneesmiddel, wat de wateroplosbaarheid verhoogt en uitscheiding vergemakkelijkt.

Waar bestaat de eliminatie van een geneesmiddel uit?

Eliminatie bestaat uit metabolisme en uitscheiding. Geneesmiddelen worden gemetaboliseerd en vervolgens uitgescheiden via urine, gal of andere lichaamsvloeistoffen.

Wat is een voorbeeld van een geneesmiddel met nulde-orde kinetiek?

Alcohol. Bij een hoge concentratie in het bloed wordt het met een constante snelheid gemetaboliseerd, ongeacht de concentratie.

Wat zijn de gevolgen van leverinsufficiëntie voor medicijnmetabolisme?

Leverinsufficiëntie kan leiden tot: - Verminderde medicijnmetabolisme - Verhoogde bijwerkingen - Verlengde halfwaardetijd van geneesmiddelen

Ja of Nee: Metabolieten zijn altijd inactief.

Nee. Sommige metabolieten kunnen actief zijn en zelfs bijwerkingen veroorzaken.

Wat is een 'halfwaardetijd' in metabolisme?

De tijd die nodig is voor de concentratie van een geneesmiddel in het plasma om met de helft te verminderen, een belangrijke parameter voor medicijnwerking en dosering.

Welk effect heeft een hoge eiwitbinding op de uitscheiding?

Hoge eiwitbinding kan de uitscheiding vertragen, omdat gebonden geneesmiddelen minder beschikbaar zijn voor filtratie in de nieren.

Wat zijn de belangrijkste routes van excretie?

- Nier (urine) - Lever (gal) - Longen (gas) - Huid (transpiratie)

Farmacokinetische Parameters(16)

Wat is de halfwaardetijd?

De tijd die nodig is om de concentratie van een medicijn in het plasma met de helft te verminderen.

Biologische beschikbaarheid (F) definieer.

De fractie van een toegediende dosis die ongewijzigd in de systemische cirkels komt. Vaak uitgedrukt als percentage.

Waar of niet waar: Biologische beschikbaarheid is altijd 100%.

Niet waar. Bij orale toediening is de F vaak minder dan 100% door metabolisme.

Vul in: Clearnace (Cl) wordt gemeten in _______.

L/h (liter per uur).

Wat is de formule voor klaring?

De formule is: Cl=dosisAUC\displaystyle Cl = \frac{dosis}{AUC}, waarbij AUC staat voor 'Area Under the Curve'.

Vergelijk: Eliminatie en klaring.

Eliminatie is het proces van verwijderen uit het lichaam; klaring is de snelheid van eliminatie per eenheid plasmakoncentratie.

Hoe beïnvloedt de halfwaardetijd de dosering?

Een langere halfwaardetijd betekent minder frequente toediening; kortere tijd vereist meer frequentie of hogere dosis.

Wat is steady state?

De toestand waarin de inname van een medicijn gelijk is aan de eliminatie, resulterend in constante plasmaconcentratie.

Wat beïnvloedt de biologische beschikbaarheid?

- Toedieningsweg - First-pass metabolisme - Oplosbaarheid van het medicijn.

Vul in: Een medicijn met een hoge klaring heeft _______ eliminatie.

Snelle.

Waar of niet waar: Een medicijn met een lange halfwaardetijd heeft een hoge biologische beschikbaarheid.

Niet waar. De halfwaardetijd en biologische beschikbaarheid zijn onafhankelijk van elkaar.

Wat is het effect van leeftijd op klaring?

Ouderen hebben vaak verminderde klaring door verminderde lever- en nierfunctie.

Wat is AUC?

AUC staat voor 'Area Under the Curve' en geeft de totale blootstelling aan een medicijn in het plasma weer.

Hoe wordt het volume van distributie (Vd) beïnvloed?

Door lipofilie van het medicijn, weefselbinding, en lichaamsgewicht van de patiënt.

Vul in: Bij nul orde kinetiek is de eliminatiesnelheid ______.

Constant.

Wat is de relatie tussen Vd en halfwaardetijd?

Een groter Vd resulteert in een langere halfwaardetijd, omdat er meer medicijn in het weefsel is opgeslagen.

Vragen in deze set(64)

1. Wat betekent de term 'absorptie' in farmacokinetiek?

A.Het proces waarbij een geneesmiddel in de bloedbaan komt.
B.De biochemische omzetting van geneesmiddelen.
C.De snelheid van uitscheiding van geneesmiddelen.
D.De verspreiding van geneesmiddelen door het lichaam.

2. Wat is de biologische beschikbaarheid (F) van een medicijn?

A.De fractie van een dosis die ongewijzigd in de systemische circulatie komt.
B.De snelheid waarmee een medicijn uit het lichaam wordt geëlimineerd.
C.De totale hoeveelheid medicijn die in het weefsel wordt opgeslagen.
D.De tijd die nodig is om de plasmaconcentratie te halveren.

3. Wat beschrijft de term 'absorptie' in farmacokinetiek?

A.Het proces waarbij een medicijn in de bloedbaan komt.
B.Het proces van medicijnmetabolisme in de lever.
C.De wijze waarop medicijnen zich door het lichaam verspreiden.
D.De eliminatie van medicijnen uit het lichaam.

4. Wat beschrijft de rol van CYP450-enzymen in het metabolisme?

A.Ze zijn verantwoordelijk voor de oxidatie van veel geneesmiddelen.
B.Ze zijn uitsluitend betrokken bij fase II metabolisme.
C.Ze voegen glucuronzuur toe aan geneesmiddelen.
D.Ze zijn de belangrijkste uitscheidingsroute voor metabolieten.

5. Welke factor beïnvloedt de biologische beschikbaarheid van een geneesmiddel het meest?

A.De toedieningsroute.
B.De temperatuur van de omgeving.
C.Het gewicht van de patiënt.
D.De verpakking van het medicijn.

6. Wat beïnvloedt de biologische beschikbaarheid van een medicijn het meest?

A.De toedieningsweg.
B.De gewicht van de patiënt.
C.De kleur van de tablet.
D.De verpakking van het medicijn.

7. Welk mechanisme is een voorbeeld van passieve diffusie?

A.Medicijnen die door een celmembraan bewegen zonder energieverbruik.
B.Medicijnen die actief worden getransporteerd door transporteiwitten.
C.Medicijnen die worden opgenomen via endocytose.
D.Medicijnen die specifiek binden aan receptoren op celmembranen.

8. Waar vindt de meeste metabolisme van geneesmiddelen plaats?

A.In de lever.
B.In de nieren.
C.In de longen.
D.In de dikke darm.

9. Wat is de rol van de lever in de farmacokinetiek?

A.Het metabolisme van geneesmiddelen.
B.De absorptie van geneesmiddelen.
C.De distributie van geneesmiddelen.
D.De excretie van geneesmiddelen.

10. Wat is de relatie tussen volume van distributie (Vd) en plasmaconcentratie?

A.Een groter Vd leidt tot een lagere plasmaconcentratie.
B.Een groter Vd heeft geen effect op plasmaconcentratie.
C.Een groter Vd leidt tot een hogere plasmaconcentratie.
D.Een groter Vd vermindert de biologische beschikbaarheid.

11. Welke factor beïnvloedt NIET de absorptiesnelheid?

A.Oplosbaarheid van het medicijn.
B.De snelheid van de hartslag.
C.Doorlaatbaarheid van de membraan.
D.Bloeddoorstroming.

12. Wat is het primaire metabolisme?

A.De eerste fase van geneesmiddelenafbraak.
B.De fase waarin geneesmiddelen worden uitgescheiden.
C.De omzetting van metabolieten in actieve stoffen.
D.De fase van glucuronidering.

13. Welk proces beschrijft de term 'excretie'?

A.De omzetting van geneesmiddelen in het lichaam.
B.De verwijdering van geneesmiddelen uit het lichaam.
C.De verspreiding van geneesmiddelen naar weefsels.
D.De opname van geneesmiddelen in de bloedbaan.

14. Wat is de halfwaardetijd van een medicijn?

A.De tijd die nodig is om de concentratie in plasma met de helft te verminderen.
B.De tijd die nodig is om het medicijn volledig uit het lichaam te verwijderen.
C.De tijd die nodig is voor het medicijn om zijn werking te beginnen.
D.De totale tijd dat het medicijn werkzaam is.

15. Wat betekent biologische beschikbaarheid?

A.Het percentage van een dosis dat in de circulatie komt.
B.De snelheid waarmee een medicijn wordt uitgescheiden.
C.De oplosbaarheid van een medicijn in water.
D.De mate waarin een medicijn aan eiwitten bindt.

16. Wat gebeurt er bij een verhoogde enzymactiviteit?

A.De afbraak van geneesmiddelen wordt versneld.
B.De leverfunctie verbetert.
C.De halfwaardetijd van geneesmiddelen neemt toe.
D.De uitscheiding via de huid stijgt.

17. Welke van de volgende factoren is NIET van invloed op de absorptiesnelheid?

A.Oplosbaarheid van het medicijn.
B.De leeftijd van de patiënt.
C.Doorbloeding van het gebied.
D.Maaginhoud.

18. Wat is AUC?

A.De totale blootstelling aan een medicijn in het plasma.
B.De snelheid van eliminatie van een medicijn.
C.De verhouding van medicijn in weefsels versus plasma.
D.De tijdsduur dat een medicijn werkzaam is.

19. Wat is de impact van pH op de absorptie van medicijnen?

A.Zure medicijnen worden beter geabsorbeerd in een zure omgeving.
B.Alle medicijnen worden beter geabsorbeerd in een basische omgeving.
C.De pH heeft geen effect op absorptie.
D.Alkalische medicijnen worden beter geabsorbeerd in de maag.

20. Welke fase betreft de modificatie van de chemische structuur van geneesmiddelen?

A.Fase I metabolisme.
B.Fase II metabolisme.
C.Eliminatie.
D.Absorptie.

21. Wat betekent de term 'distributie' in farmacokinetiek?

A.De verspreiding van een geneesmiddel door het lichaam.
B.De verwijdering van een geneesmiddel uit het lichaam.
C.De snelheid van opname in de bloedbaan.
D.De omzetting van een geneesmiddel in actieve metabolieten.

22. Wat is de formule voor klaring (Cl)?

A.Cl = dosis / AUC.
B.Cl = AUC / dosis.
C.Cl = dosis x tijd.
D.Cl = AUC x tijd.

23. Wat is een kenmerk van actieve diffusie?

A.Het vereist energie om medicijnen te transporteren.
B.Het vindt altijd plaats zonder eiwitten.
C.Het is sneller dan passieve diffusie.
D.Het gebeurt alleen in de bloedbaan.

24. Wat is de rol van glucuronidering?

A.Het verhoogt de wateroplosbaarheid van geneesmiddelen.
B.Het leidt tot de afbraak van geneesmiddelen.
C.Het verlaagt de biologische beschikbaarheid.
D.Het vertraagt de uitscheiding.

25. Wat is de halfwaardetijd van een geneesmiddel?

A.De tijd die nodig is om de plasmaspanning met de helft te verminderen.
B.De tijd die nodig is om geneesmiddelen volledig uit te scheiden.
C.De tijd die nodig is voor volledige absorptie.
D.De tijd dat een geneesmiddel werkzaam is.

26. Welke van de volgende factoren heeft de grootste invloed op de klaring (Cl)?

A.Lever- en nierfunctie.
B.De vorm van het medicijn.
C.De kleur van de tablet.
D.De verpakking van het medicijn.

27. Wat is het effect van bloeddoorstroming op de absorptie?

A.Hogere bloeddoorstroming versnelt de absorptie.
B.Bloeddoorstroming heeft geen effect op absorptie.
C.Langzamere bloeddoorstroming verhoogt absorptie.
D.Bloeddoorstroming verlaagt de biologische beschikbaarheid.

28. Wat is een voorbeeld van nulde-orde kinetiek?

A.Alcohol.
B.Aspirine.
C.Ibuprofen.
D.Paracetamol.

29. Wat is een voorbeeld van een invloed op de distributie van medicijnen?

A.Eiwitbinding in het bloed.
B.Oplosbaarheid van het medicijn.
C.De pH van de maaginhoud.
D.De toedieningsroute.

30. Bij welke kinetiek is de eliminatiesnelheid constant?

A.Nul orde kinetiek.
B.Eerste orde kinetiek.
C.Tweede orde kinetiek.
D.Derde orde kinetiek.

31. Welke stof is typisch lipofiel?

A.Oliezuur.
B.Water.
C.Zout.
D.Glucose.

32. Waar worden de meeste metabolieten geëlimineerd?

A.Via de nieren.
B.Via de lever.
C.Via de huid.
D.Via de longen.

33. Waar vindt het meeste metabolisme van geneesmiddelen plaats?

A.In de lever.
B.In de nieren.
C.In de longen.
D.In de huid.

34. Wat is het effect van een hoge klaring op de eliminatie van een medicijn?

A.Snelle eliminatie.
B.Langzame eliminatie.
C.Geen effect op eliminatie.
D.Verhoogde biologische beschikbaarheid.

35. Wat zijn transporteiwitten?

A.Eiwitten die medicijnen door celmembranen transporteren.
B.Eiwitten die de werking van medicijnen remmen.
C.Eiwitten die medicijnen inactiveren.
D.Eiwitten die alleen in de lever voorkomen.

36. Wat is het 'first-pass effect'?

A.De afname van een geneesmiddel door de lever voor het in de circulatie komt.
B.De snelheid van uitscheiding van geneesmiddelen.
C.De absorptie van geneesmiddelen door de darmen.
D.De binding van geneesmiddelen aan plasma-eiwitten.

37. Wat beschrijft de term 'clearance'?

A.De snelheid waarmee een geneesmiddel uit de circulatie wordt verwijderd.
B.De mate van eiwitbinding van een geneesmiddel.
C.De absorptiesnelheid van een geneesmiddel.
D.De totale hoeveelheid geneesmiddel in het lichaam.

38. Waar of niet waar: Een medicijn met een lange halfwaardetijd vereist meer frequente toediening.

A.Niet waar.
B.Waar.
C.Soms waar.
D.Altijd waar.

39. Waar of niet waar: 'Medicijnen worden altijd volledig geabsorbeerd'.

A.Niet waar.
B.Waar.
C.Alleen bij intraveneuze toediening waar.
D.Alleen bij orale toediening niet waar.

40. Wat is een veelvoorkomend gevolg van leverinsufficiëntie?

A.Vertraagd metabolisme van geneesmiddelen.
B.Verhoogde speekselproductie.
C.Snellere uitscheiding van metabolieten.
D.Verminderde eiwitbinding.

41. Welke factor kan de effectiviteit van een geneesmiddel beïnvloeden door interactie met metabolisme?

A.Een andere medicatie.
B.De lichaamsgewicht van de patiënt.
C.De leeftijd van de patiënt.
D.De temperatuur van de omgeving.

42. Wat is steady state in farmacokinetiek?

A.Wanneer inname en eliminatie van een medicijn gelijk zijn.
B.Wanneer een medicijn volledig is uitgescheiden.
C.Wanneer de hoogste concentratie in plasma is bereikt.
D.Wanneer de minste bijwerkingen optreden.

43. Welk van de volgende factoren beïnvloedt de verdeling van medicijnen niet?

A.Vetweefsel.
B.Eiwitbinding.
C.De pH van de urine.
D.Perfusie van organen.

44. Wat is de halfwaardetijd van een geneesmiddel?

A.De tijd die nodig is om de concentratie met de helft te verminderen.
B.De tijd tussen toediening en maximale werking.
C.De tijd die nodig is voor volledige uitscheiding.
D.De tijd tussen twee doses.

45. Welk van de volgende is een voorbeeld van een metaboliet?

A.Een afbraakproduct van een geneesmiddel.
B.Een geneesmiddel dat direct wordt toegediend.
C.Een geneesmiddel dat via de huid wordt opgenomen.
D.Een geneesmiddel dat enkel via de mond wordt ingenomen.

46. Hoe beïnvloedt leeftijd de klaring van een medicijn?

A.Ouderen hebben vaak verminderde klaring.
B.Jongeren hebben altijd hogere klaring.
C.Leeftijd heeft geen effect op klaring.
D.Klaring neemt toe met de leeftijd.

47. Een voorbeeld van een medicijn met hoge eiwitbinding is:

A.Warfarine.
B.Paracetamol.
C.Ibuprofen.
D.Aspirine.

48. Wat is de functie van fase II metabolisme?

A.Conjugatie van geneesmiddelen met andere stoffen.
B.Oxidatie van geneesmiddelen.
C.Hydrolyse van geneesmiddelen.
D.Filtratie van metabolieten.

49. Wat kan de absorptie van een geneesmiddel verhogen?

A.De aanwezigheid van voedsel.
B.Een hoge eiwitbinding.
C.Een lage oplosbaarheid.
D.Een intraveneuze toediening.

50. Wat is de belangrijkste reden voor first-pass metabolisme?

A.Het medicijn passeert de lever na orale inname.
B.Het medicijn wordt sneller uitgescheiden door de nieren.
C.Het medicijn wordt beter opgenomen in de darmen.
D.Het medicijn heeft een hogere biologische beschikbaarheid bij injectie.

51. Vul de lege ruimte in: 'Lipofiele stoffen hebben een _______ distributie'.

A.Grotere.
B.Kleinere.
C.Geen.
D.Lagere.

52. Wat is een veelvoorkomende uitscheidingsroute voor metabolieten?

A.Via de urine.
B.Via de gal.
C.Via de huid.
D.Via de maag.

53. Wat is het effect van een hoge lipofiliteit op distributie?

A.Het verhoogt de distributie naar vetweefsel.
B.Het verlaagt de distributie naar organen.
C.Het heeft geen effect op distributie.
D.Het verhoogt de eiwitbinding.

54. Wat is een belangrijk effect van lipofilie op het volume van distributie (Vd)?

A.Het vergroot het Vd.
B.Het verkleint het Vd.
C.Het heeft geen effect op het Vd.
D.Het verhoogt de klaring.

55. Hoe beïnvloedt leeftijd de absorptie van medicijnen?

A.Ouderen hebben vaak een verminderde absorptie.
B.Jongeren absorberen medicijnen beter.
C.Leeftijd heeft geen invloed op absorptie.
D.Ouderen absorberen medicijnen altijd volledig.

56. Wat is de impact van hoge eiwitbinding op medicijnmetabolisme?

A.Het vertraagt de uitscheiding van geneesmiddelen.
B.Het versnelt de afbraak van geneesmiddelen.
C.Het verhoogt de effectiviteit van geneesmiddelen.
D.Het heeft geen effect.

57. Welke van de volgende uitspraken over metabolisme is ONJUIST?

A.Het vindt voornamelijk plaats in de lever.
B.Het kan leiden tot actieve metabolieten.
C.Het is nooit een noodzakelijke stap.
D.Het kan de effectiviteit van een geneesmiddel beïnvloeden.

58. Wat is het verband tussen biologische beschikbaarheid en first-pass metabolisme?

A.First-pass metabolisme kan de biologische beschikbaarheid verlagen.
B.First-pass metabolisme verhoogt de biologische beschikbaarheid.
C.Ze zijn onafhankelijk van elkaar.
D.First-pass metabolisme heeft alleen invloed op intraveneuze toediening.

59. Wat is de belangrijkste reden dat medicijnen vaak via de mond worden ingenomen?

A.A) Hoge absorptie in de maag en darmen
B.B) Altijd volledige bioavailability
C.C) Snellere werking dan injecties
D.D) Makkelijker te doseren bij intraveneuze toediening

60. Welk proces is NIET betrokken bij metabolisme?

A.Uitscheiding.
B.Oxidatie.
C.Conjugatie.
D.Hydrolyse.

61. Wat is de belangrijkste reden dat de biologische beschikbaarheid van een geneesmiddel kan variëren tussen verschillende toedieningsroutes?

A.A) Verschillende absorptiesnelheden
B.B) De temperatuur van het geneesmiddel
C.C) De smaak van het geneesmiddel
D.D) De kleur van de verpakking

62. Wat is de invloed van een verhoogde volume van distributie (Vd) op de halfwaardetijd (t1/2) van een medicijn?

A.Een langere halfwaardetijd
B.Een kortere halfwaardetijd
C.Geen invloed op de halfwaardetijd
D.Verhoogde eliminatiesnelheid

63. Welk van de volgende mechanisme is GEEN voorbeeld van actieve transport?

A.A) Endocytose
B.B) Exocytose
C.C) Passieve diffusie
D.D) Carrier-eiwit gemedieerd transport

64. Wat is de impact van een verhoogde glucuronidering op de uitscheiding van een geneesmiddel?

A.Verhoogde wateroplosbaarheid en snellere uitscheiding
B.Vertraagde uitscheiding door verhoogde eiwitbinding
C.Geen effect op de uitscheiding
D.Verhoogde absorptie van het geneesmiddel

Gerelateerde sets

Maak je eigen studieset

Upload een PDF, plak je notities of beschrijf een onderwerp – AI genereert flashcards, quizzen en meer in seconden.