Farmacodynamiek en receptoren

Deze begrippenlijst behandelt de farmacodynamiek en de rol van receptoren in de farmacologie, met relevante terminologie en uitleg voor studenten in de geneeskunde.

LucasVanDijkf5·80 flashcards·80 vragen
womedicinepharmacology
0
Ken ik
1 / 80
0
Aan het leren
Voorkant

Wat is farmacodynamiek?

Tik om om te draaien
Achterkant

De tak van de farmacologie die bestudeert wat geneesmiddelen met het lichaam doen, inclusief hun werking op receptoren.

Tik om om te draaien
Ken ik
Aan het leren

Quiz(80 vragen)

Vraag 1 van 80

1. Wat is een agonist?

Termen in deze set(80)

Basisbegrippen van farmacodynamiek(20)

Wat is farmacodynamiek?

De tak van de farmacologie die bestudeert wat geneesmiddelen met het lichaam doen, inclusief hun werking op receptoren.

Receptoren spelen een rol bij?

De interactie tussen een geneesmiddel en een cel, wat leidt tot een farmacologisch effect.

Wat is een agonist?

Een stof die zich bindt aan een receptor en deze activeert, wat leidt tot een biologisch effect.

Waarvoor staat de term 'antagonist'?

Een molecuul dat zich bindt aan een receptor maar deze niet activeert, waardoor het effect van een agonist wordt geblokkeerd.

Vul de lege plaats in: Een _______ is een stof die de werking van een agonist vermindert.

antagonist

Wat is het verschil tussen selectieve en niet-selectieve receptoren?

Selectieve receptoren reageren op specifieke stoffen, terwijl niet-selectieve receptoren door verschillende stoffen geactiveerd kunnen worden.

Fysiologische effecten van geneesmiddelen zijn?

De veranderingen in het lichaam die optreden als gevolg van de werking van een geneesmiddel, zoals pijnverlichting of verlaging van de bloeddruk.

Hoe beïnvloedt een dosis-responsrelatie de farmacodynamiek?

Het beschrijft de relatie tussen de dosis van een geneesmiddel en de intensiteit van de respons, wat helpt bij het bepalen van de effectiviteit en veiligheid.

Wat betekent de term 'therapeutische index'?

De verhouding tussen de minimale effectieve dosis en de minimale toxische dosis van een geneesmiddel, die de veiligheid van het geneesmiddel aangeeft.

Wat zijn bijwerkingen?

Ongewenste effecten die optreden naast de beoogde therapeutische effecten van een geneesmiddel.

Waar wordt farmacodynamiek vaak toegepast?

Bij het ontwikkelen van nieuwe geneesmiddelen, om de effecten op patiënten te begrijpen.

Wat is 'bioavailability'?

De fractie van een toegediende dosis geneesmiddel die in de systemische circulatie terechtkomt en beschikbaar is voor werking.

Wat gebeurt er met een receptor bij 'downregulation'?

Het aantal receptoren op een celoppervlak neemt af, vaak als gevolg van langdurige blootstelling aan een agonist.

Wat is een 'full agonist'?

Een agonist die de maximale respons op een receptor kan induceren, in tegenstelling tot een 'partial agonist'.

Vul de lege plaats in: Een _______ heeft een lagere effectiviteit dan een full agonist.

partial agonist

Waaruit bestaat een 'signaaltransductieroute'?

Een serie biochemische reacties die beginnen met de receptoractivatie en leiden tot een cellulaire respons.

Wat zijn 'second messengers'?

Moleculen die signalen binnenin de cellen doorgeven na activatie van een receptor, zoals cAMP of calcium-ionen.

Wat is de rol van 'affiniteits' in farmacodynamiek?

Het bepaalt hoe sterk een geneesmiddel aan een receptor bindt; hogere affiniteit betekent een sterkere binding.

Wat betekent 'tolerantie' in de farmacologie?

Een afname van de reactie op een geneesmiddel na herhaaldelijk gebruik, waardoor hogere doses nodig zijn voor hetzelfde effect.

Wat beschrijft de term 'potentie'?

De hoeveelheid van een geneesmiddel die nodig is om een bepaald effect te bereiken; een hoger potentieel betekent een lagere dosis nodig.

Receptorfuncties en -types(20)

Wat is een ionotroop receptor?

Een receptor die ionkanalen opent bij binding van een ligand, wat directe veranderingen in de celactiviteit veroorzaakt.

Verschil tussen ionotroop en metabotroop?

Ionotroop: directe ionstroom. Metabotroop: indirect via signaaltransductie.

Waarvoor dient een G-eiwit gekoppelde receptor?

Zij activeert intrazellulaire signaalroutes door interactie met G-eiwitten, wat leidt tot diverse cellulaire reacties.

Wat zijn tyrosine kinase receptoren?

Receptoren die enzymatische activiteit vertonen bij ligandbinding, vaak betrokken bij celgroei en differentiatie.

Noem een voorbeeld van een metabotrope receptor.

De adrenerge receptor; deze reguleert reacties op adrenaline en noradrenaline.

Wat is een ligand?

Een molecule die bindt aan een receptor en een biochemische reactie op gang brengt.

Noem twee typen receptoren.

1. Ionotrope receptoren 2. Metabotrope receptoren

Wat is de functie van een nucleaire receptor?

Zij reguleert genexpressie na binding met lipofiele liganden zoals steroïden.

Waarvoor staat 'GPCR'?

G-proteïne gekoppelde receptor; een veelvoorkomend type metabotrope receptor.

Waar bevinden zich receptoren meestal?

In de celmembranen of in de celkern, afhankelijk van het type receptor.

Vervang de lege plek: '____ receptoren zijn belangrijk voor snelle synaptische signalering.'

Ionotrope; zij veroorzaken snelle veranderingen in membraanpotentiaal.

Wat gebeurt er bij receptoractivatie?

Het kan leiden tot een cascade van intracellulaire signalen die de celactiviteit beïnvloeden.

Wat zijn purinerge receptoren?

Receptoren die reageren op purines zoals ATP, betrokken bij verschillende fysiologische processen.

Valse of ware: Ionotrope receptoren zijn langzame signaalgevers.

Valse. Ionotrope receptoren geven snelle signalen door ionstromen.

Hoe worden receptoren gekarakteriseerd?

Op basis van hun structuur, type ligand en het type celrespons dat ze genereren.

Wat is een hoge-affiniteit receptor?

Deze receptor bindt liganden sterk, zelfs bij lage concentraties; cruciaal voor gevoelige reacties.

Wat is een antagonistische werking?

Een ligand die de werking van een receptor blokkeert zonder deze te activeren.

Vul in: '____ receptoren zijn betrokken bij de immuunrespons.'

Cytokine; ze spelen een rol in de communicatie tussen immuuncellen.

Wat doet een allosterische modulator?

Het bindt aan een andere plek dan de ligand en verandert zo de receptorfunctie.

Wat zijn chemokine receptoren?

Receptoren die betrokken zijn bij het aantrekken van immuuncellen naar ontstekingsplaatsen.

Mechanismen van geneesmiddelwerking(20)

Agonist

Een stof die een receptor activeert en een biologische respons induceert.

Antagonist vs. Agonist

Antagonist blokkeert receptoren, agonist activeert ze.

Hoe werkt een enzymremmer?

Vertraagt of stopt enzymactiviteit, waardoor metabolisme van stoffen vermindert.

Receptor affiniteit

De sterkte van de binding tussen een ligand en zijn receptor.

Wat is een allosterische modulator?

Een stof die de werking van een receptor beïnvloedt zonder deze te activeren.

Fill in the blank: Een __________ verlaagt het effect van een agonist.

Antagonist.

Effect van dosis-respons relatie

Toont hoe de respons op een geneesmiddel varieert met de dosis. Kenmerken: - Maximale effect - Grenswaarde

Wat is een competatieve antagonisme?

Blokkade van de receptor door gelijkenis met de agonist.

True or False: Receptoren zijn alleen op celmembranen aanwezig.

False - Ze kunnen ook intracellulair zijn.

Second messengers

Moleculen die signalen binnen de cel overbrengen na activering van receptoren.

Wat zijn ionkanalen?

Receptoren die ionen doorlaten bij activatie, cruciaal voor zenuwsignalen.

Effect van farmacokinetiek

Bepaalde duur en intensiteit van geneesmiddelwerking. Belangrijk: absorptie, distributie, metabolisme, excretie.

Hoe beïnvloedt de pH de geneesmiddelwerking?

De oplosbaarheid en absorptie van geneesmiddelen kan veranderen met pH-niveau.

Wat is een prodrug?

Een inactieve stof die in het lichaam wordt omgezet in een actieve vorm.

Signaaltransductie

Het proces waarbij een extracellulair signaal omgezet wordt naar een cellulair antwoord.

Verschil tussen directe en indirecte werking

Directe werking: binding aan receptor. Indirecte werking: bemiddeld via andere moleculen.

Wat is desensitisatie?

Verminderde respons op een geneesmiddel na herhaalde blootstelling.

Agonisten kunnen ook __________ zijn.

Partialen, die een submaximale respons geven.

Effecten van langdurige blootstelling aan agonisten

Kan leiden tot receptor downregulatie of desensitisatie.

Hoe beïnvloedt temperatuur de enzymactiviteit?

Bij hogere temperatuur neemt de enzymactiviteit toe, tot een optimum.

Therapeutische en bijwerkingen(20)

Wat zijn therapeutische effecten?

De gewenste effecten van een geneesmiddel. Voorbeelden zijn pijnverlichting, ontstekingsremming en verlaging van de bloeddruk.

Wat zijn bijwerkingen?

Ongewenste effecten van een geneesmiddel. Ze kunnen mild tot ernstig zijn, bijvoorbeeld misselijkheid of allergische reacties.

Vul de blanco in: Bijwerkingen kunnen _______ of _______ zijn.

acute; chronisch

Waarop zijn bijwerkingen vaak gebaseerd?

Op de farmacologische werking van het geneesmiddel en interacties met andere stoffen.

Therapeutische index → definitie?

De verhouding tussen de effectieve dosis en de toxische dosis van een geneesmiddel. Hoe groter de index, hoe veiliger het geneesmiddel.

Waaruit bestaat een bijwerkingenprofiel?

Een lijst van mogelijke bijwerkingen, hun frequentie en ernst. Dit helpt bij risico-evaluatie.

Waarop heeft het geneesmiddel werking?

Het beïnvloedt specifieke receptoren in het lichaam, wat leidt tot therapeutische effecten en bijwerkingen.

Bijwerkingen kunnen ook optreden door _______.

Overdosering of interacties met andere geneesmiddelen.

Waar of niet waar: Bijwerkingen zijn altijd ernstig.

Niet waar. Veel bijwerkingen zijn mild en tijdelijk.

Geef een voorbeeld van een geneesmiddel met veel bijwerkingen.

Chemotherapie middelen zoals cisplatine, die misselijkheid en haarverlies veroorzaken.

Wat is een cumulatieve bijwerking?

Een bijwerking die toeneemt bij herhaalde toediening van een geneesmiddel, bijvoorbeeld levertoxiteit bij paracetamol.

Hoe kunnen bijwerkingen worden geminimaliseerd?

Door de laagste effectieve dosis te gebruiken en het geneesmiddel geleidelijk in te voeren.

Wat is een idiosyncratische reactie?

Een onvoorspelbare en ongebruikelijke reactie op een geneesmiddel, niet gerelateerd aan de dosis.

Wat is polyfarmacie?

Het gebruik van meerdere geneesmiddelen tegelijkertijd, wat het risico op bijwerkingen verhoogt.

Wat zijn milieu-effecten van geneesmiddelen?

Bijwerkingen op het milieu, zoals watervervuiling door geneesmiddelen die in rioolwater terechtkomen.

Wat houdt farmacogenetica in?

De studie van hoe genetische variaties de respons op geneesmiddelen beïnvloeden, inclusief bijwerkingen.

Korte uitleg over placebo-effect?

Een verbetering van symptomen door de verwachting van een behandeling, zonder werkzame stof.

Wat zijn langetermijneffecten?

Effecten die zich pas na langdurig gebruik van een geneesmiddel manifesteren, zoals orgaanschade.

Wat doet een bijsluiter?

Geeft informatie over gebruik, mogelijke bijwerkingen en interacties van een geneesmiddel.

Geef een voorbeeld van een geneesmiddel met een smalle therapeutische index.

Digoxine, waarbij de effectieve en toxische dosis dicht bij elkaar liggen.

Vragen in deze set(80)

1. Wat is een agonist?

A.Een stof die een receptor activeert en een biologische respons induceert.
B.Een stof die een receptor blokkeert.
C.Een inactieve stof die een actieve vorm aanneemt.
D.Een molecuul dat signalen binnen een cel overbrengt.

2. Wat bestudeert farmacodynamiek?

A.De interactie tussen geneesmiddelen en receptoren
B.De absorptie van geneesmiddelen in het lichaam
C.De bijwerkingen van geneesmiddelen
D.De ontwikkeling van nieuwe geneesmiddelen

3. Wat zijn therapeutische effecten?

A.De gewenste effecten van een geneesmiddel.
B.De ongewenste effecten van een geneesmiddel.
C.De bijwerkingen van een geneesmiddel.
D.De interacties tussen verschillende geneesmiddelen.

4. Wat is de belangrijkste functie van G-eiwit gekoppelde receptoren?

A.Activatie van signaalroutes binnen de cel.
B.Direct openen van ionkanalen.
C.Activering van genexpressie.
D.Transport van moleculen door de celmembraan.

5. Hoe verschilt een antagonist van een agonist?

A.Een antagonist blokkeert receptoren, agonist activeert ze.
B.Een antagonist verhoogt de enzymactiviteit.
C.Een antagonist is altijd een prodrug.
D.Een antagonist versterkt de werking van agonisten.

6. Wat is de rol van receptoren in farmacodynamiek?

A.Zij binden alleen aan agonisten
B.Zij activeren cellen om een farmacologisch effect te veroorzaken
C.Zij reduceren de effectiviteit van geneesmiddelen
D.Zij voorkomen de opname van geneesmiddelen

7. Wat zijn bijwerkingen?

A.De ongewenste effecten van een geneesmiddel.
B.Effecten die altijd ernstig zijn.
C.Therapeutische effecten van een geneesmiddel.
D.De dosis van een geneesmiddel.

8. Wat is een kenmerk van ionotrope receptoren?

A.Ze veroorzaken snelle veranderingen in de celactiviteit.
B.Ze zijn altijd verbonden met enzymatische activiteit.
C.Ze functioneren alleen in de celkern.
D.Ze hebben een lange tijdsduur van werking.

9. Wat is de rol van een enzymremmer?

A.Het stopt de enzymactiviteit en vermindert metabolisme.
B.Het activeert enzymen voor een snellere reactie.
C.Het beïnvloedt de receptor affiniteit.
D.Het verhoogt de oplosbaarheid van geneesmiddelen.

10. Wat is een agonist?

A.Een stof die receptoren activeert
B.Een stof die de werking van een antagonist versterkt
C.Een stof die geen effect heeft op receptoren
D.Een stof die de opname van geneesmiddelen vergemakkelijkt

11. Bijwerkingen kunnen _______ of _______ zijn.

A.chronisch; acuut
B.goed; slecht
C.erfelijk; verworven
D.zeldzaam; frequent

12. Welk type receptor is typisch voor langdurige cellulaire effecten?

A.Metabotrope receptoren.
B.Ionotrope receptoren.
C.Nucleaire receptoren.
D.G-eiwit gekoppelde receptoren.

13. Wat betekent receptor affiniteit?

A.De sterkte van de binding tussen een ligand en zijn receptor.
B.De snelheid waarmee een geneesmiddel afgebroken wordt.
C.De mate van biologische respons.
D.De hoeveelheid actieve stof in een prodrug.

14. Wat doet een antagonist?

A.Stimuleert de receptoractiviteit
B.Blokkeert de werking van een agonist
C.Verhoogt de afbraak van geneesmiddelen
D.Versterkt de bijwerkingen van geneesmiddelen

15. Waarop zijn bijwerkingen vaak gebaseerd?

A.Op de farmacologische werking van het geneesmiddel.
B.Op de prijs van het geneesmiddel.
C.Op de leeftijd van de patiënt.
D.Op de tijd van inname.

16. Wat doet een antagonistische ligand?

A.Blokkeert de werking van een receptor.
B.Activeert de receptor en stimuleert de activiteit.
C.Verandert de receptorstructuur.
D.Bindt niet aan een receptor.

17. Wat is een allosterische modulator?

A.Een stof die de werking van een receptor beïnvloedt zonder deze te activeren.
B.Een stof die altijd als agonist fungeert.
C.Een antagonist die alleen werkt bij hoge concentraties.
D.Een molecuul dat enzymactiviteit verhoogt.

18. Wat is een 'partial agonist'?

A.Een stof met een hogere effectiviteit dan een full agonist
B.Een stof die een deel van de receptoractiviteit opwekt
C.Een stof die nooit aan een receptor bindt
D.Een stof die uitsluitend als antagonist functioneert

19. Wat is de therapeutische index?

A.De verhouding tussen effectieve en toxische dosis.
B.De totale dosis van een geneesmiddel.
C.De tijdsduur van de werking van een geneesmiddel.
D.De frequentie van bijwerkingen.

20. Wat is een belangrijk kenmerk van tyrosine kinase receptoren?

A.Ze vertonen enzymatische activiteit bij ligandbinding.
B.Ze zijn altijd met G-eiwitten gekoppeld.
C.Ze reageren uitsluitend op ionen.
D.Ze zijn betrokken bij snelle synaptische signalering.

21. Wat is een competitief antagonisme?

A.Blokkade van de receptor door gelijkenis met de agonist.
B.Activering van een receptor door een antagonist.
C.De werking van een geneesmiddel die niet afhankelijk is van de receptor.
D.Versterking van de agonistactiviteit.

22. Wat beschrijft de dosis-responsrelatie?

A.De hoeveelheid van een geneesmiddel die de bijwerkingen veroorzaakt
B.De relatie tussen de dosis en de intensiteit van de respons
C.De snelheid waarmee een geneesmiddel afgebroken wordt
D.De totale hoeveelheid geneesmiddel in het lichaam

23. Waaruit bestaat een bijwerkingenprofiel?

A.Een lijst van mogelijke bijwerkingen.
B.Een samenvatting van de ingrediënten.
C.De medische geschiedenis van de patiënt.
D.De prijs van het geneesmiddel.

24. Welke receptor is betrokken bij de immuunrespons?

A.Cytokine receptoren.
B.Ionotrope receptoren.
C.Metabotrope receptoren.
D.Nucleaire receptoren.

25. Wat is een tweede boodschapper?

A.Een molecule die signalen binnen de cel overbrengt na receptoractivatie.
B.Een stof die enzymactiviteit remt.
C.Een type receptor dat ionen reguleert.
D.Een agonist die een maximale respons genereert.

26. Wat is de therapeutische index?

A.De verhouding tussen de minimale effectieve en toxische dosis
B.De tijd die nodig is voor een geneesmiddel om effect te hebben
C.De snelheid van afbraak van het geneesmiddel
D.De concentratie van het geneesmiddel in het bloed

27. Waarop heeft het geneesmiddel werking?

A.Op specifieke receptoren in het lichaam.
B.Op de omgeving van de patiënt.
C.Op de leverfunctie.
D.Op de bloeddruk alleen.

28. Welk type receptor activeert een cascade van intracellulaire signalen?

A.Metabotrope receptoren.
B.Ionotrope receptoren.
C.Nucleaire receptoren.
D.Kernreceptoren.

29. Wat zijn ionkanalen?

A.Receptoren die ionen doorlaten bij activatie.
B.Enzymen die de afbraak van stoffen bevorderen.
C.Antagonisten die de werking van agonisten blokkeren.
D.Boodschappers die informatie binnen cellen overdragen.

30. Wat zijn bijwerkingen?

A.De gewenste effecten van een geneesmiddel
B.Ongewenste effecten naast de beoogde therapeutische effecten
C.De metabolisme van een geneesmiddel
D.De absorptie van een geneesmiddel

31. Bijwerkingen kunnen ook optreden door _______.

A.Overdosering.
B.De prijs van het geneesmiddel.
C.De tijd van inname.
D.Het leervermogen van de patiënt.

32. Wat zijn chemokine receptoren?

A.Receptoren die immuuncellen naar ontstekingsplaatsen trekken.
B.Receptoren die genezing bevorderen.
C.Receptoren die ionen transporteren.
D.Receptoren die genexpressie reguleren.

33. Wat beschrijft de dosis-respons relatie?

A.Hoe de respons op een geneesmiddel varieert met de dosis.
B.De snelheid van enzymactiviteit bij verschillende concentraties.
C.De tijd die nodig is voor een geneesmiddel om te werken.
D.De verhouding tussen agonisten en antagonisten.

34. Wat betekent 'bioavailability'?

A.De snelheid van opname van een geneesmiddel
B.De fractie van een dosis die in de circulatie terechtkomt
C.De verhouding tussen effectieve en toxische dosis
D.De totale hoeveelheid geneesmiddel in het lichaam

35. Waar of niet waar: Bijwerkingen zijn altijd ernstig.

A.Niet waar.
B.Waar.
C.Afhankelijk van de dosering.
D.Afhankelijk van de patiënt.

36. Wat is een voorbeeld van een metabotrope receptor?

A.Adrenerge receptor.
B.Nicotinereceptor.
C.GABA-receptor.
D.Serotonine receptor type 3.

37. Hoe beïnvloedt pH de werking van geneesmiddelen?

A.Het kan de oplosbaarheid en absorptie van geneesmiddelen veranderen.
B.Het heeft geen effect op de werking van geneesmiddelen.
C.Het alleen de enzymactiviteit beïnvloedt.
D.Het verhoogt de affiniteit van agonisten.

38. Wat gebeurt er bij 'downregulation' van receptoren?

A.Het aantal receptoren op het celoppervlak neemt toe
B.Receptoren worden uitschakeld
C.Het aantal receptoren op het celoppervlak neemt af
D.Receptoren worden gevoeliger voor agonisten

39. Geef een voorbeeld van een geneesmiddel met veel bijwerkingen.

A.Cisplatine.
B.Paracetamol.
C.Ibuprofen.
D.Aspirine.

40. Wat is een allosterische modulator?

A.Een stof die de receptorfunctie verandert zonder direct aan de actieve plaats te binden.
B.Een molecule die de receptor volledig blokkeert.
C.Een molecule die dezelfde werking heeft als de ligand.
D.Een receptor die reageert op ATP.

41. Wat is een prodrug?

A.Een inactieve stof die in het lichaam wordt omgezet in een actieve vorm.
B.Een actieve stof die enzymactiviteit verhoogt.
C.Een molecule die de receptor blokkeert.
D.Een antagonist die altijd effectief is.

42. Wat zijn second messengers?

A.Moleculen die receptoren activeren
B.Moleculen die signalen binnenin cellen doorgeven
C.Moleculen die geneesmiddelen afbreken
D.Moleculen die alleen in de buitenwereld werken

43. Wat is een cumulatieve bijwerking?

A.Een bijwerking die toeneemt bij herhaalde toediening.
B.Een bijwerking die altijd optreedt.
C.Een bijwerking die alleen bij kinderen voorkomt.
D.Een bijwerking die niet kan worden voorspeld.

44. Wat zijn purinerge receptoren?

A.Receptoren die reageren op purines zoals ATP.
B.Receptoren die alleen op aminozuren reageren.
C.Receptoren die betrokken zijn bij neurotransmissie.
D.Receptoren die genexpressie reguleren.

45. Wat is signaaltransductie?

A.Het proces waarbij een extracellulair signaal omgezet wordt naar een cellulair antwoord.
B.De afbraak van enzymen binnen de cel.
C.De binding van een agonist aan een antagonist.
D.De verhoging van de receptor affiniteit.

46. Wat betekent 'tolerantie' in de farmacologie?

A.Een verhoogde reactie op een geneesmiddel
B.Een afname van de reactie na herhaaldelijk gebruik
C.Een constante respons op een geneesmiddel
D.Een onmiddellijke reactie op een geneesmiddel

47. Hoe kunnen bijwerkingen worden geminimaliseerd?

A.Door de laagste effectieve dosis te gebruiken.
B.Door het geneesmiddel altijd in hoge dosering te nemen.
C.Door het geneesmiddel met alcohol in te nemen.
D.Door het geneesmiddel nooit te nemen.

48. Wat gebeurt er bij receptoractivatie?

A.Er ontstaat een cascade van intracellulaire signalen.
B.De receptor wordt permanent inactief.
C.De receptor verplaatst zich naar de celkern.
D.De receptor wordt afgebroken.

49. Wat is het verschil tussen directe en indirecte werking?

A.Directe werking: binding aan receptor; indirecte: bemiddeld via andere moleculen.
B.Directe werking: enzymactiviteit; indirecte: receptoractiviteit.
C.Directe werking: agonist; indirecte: antagonist.
D.Directe werking: alleen in zenuwcellen; indirecte: in alle cellen.

50. Wat beschrijft de term 'potentie'?

A.De snelheid van de werking van een geneesmiddel
B.De hoeveelheid nodig om een bepaald effect te bereiken
C.De duur van de werking van een geneesmiddel
D.De frequentie van toediening

51. Wat is een idiosyncratische reactie?

A.Een onvoorspelbare reactie op een geneesmiddel.
B.Een veelvoorkomende bijwerking.
C.Een bijwerking die altijd optreedt.
D.Een reactie die alleen bij ouderen voorkomt.

52. Welk type receptor is meestal snel werkend?

A.Ionotrope receptoren.
B.Metabotrope receptoren.
C.Nucleaire receptoren.
D.G-eiwit gekoppelde receptoren.

53. Wat is desensitisatie?

A.Verminderde respons op een geneesmiddel na herhaalde blootstelling.
B.Verhoogde respons na langdurige behandeling.
C.De afbraak van een agonist in het lichaam.
D.De omzetting van een prodrug naar een actieve vorm.

54. Wat is een 'full agonist'?

A.Een stof die nooit aan een receptor bindt
B.Een agonist die de maximale respons kan induceren
C.Een agonist die altijd werkt als een antagonist
D.Een stof met een lagere effectiviteit dan een partial agonist

55. Wat is polyfarmacie?

A.Het gebruik van meerdere geneesmiddelen tegelijkertijd.
B.Het gebruik van een enkel geneesmiddel.
C.Het gebruik van geneesmiddelen zonder bijwerkingen.
D.Het gebruik van alternatieve geneeswijzen.

56. Wat is een hoge-affiniteit receptor?

A.Bindt liganden sterk bij lage concentraties.
B.Bindt alleen aan hoge concentraties van liganden.
C.Reageert nooit met liganden.
D.Heeft geen specifieke structuur.

57. Wat zijn partiële agonisten?

A.Agonisten die een submaximale respons geven.
B.Antagonisten die receptoren volledig blokkeren.
C.Activeert geen receptoractiviteit.
D.Versterkt altijd de werking van een volledige agonist.

58. Welke term verwijst naar de sterkte van de binding tussen een geneesmiddel en een receptor?

A.Selectiviteit
B.Affiniteits
C.Potentie
D.Tolerantie

59. Wat zijn milieu-effecten van geneesmiddelen?

A.Bijwerkingen op het milieu.
B.Bijwerkingen op mensen.
C.Bijwerkingen die alleen optreden in ziekenhuizen.
D.Bijwerkingen die geen invloed hebben op het milieu.

60. Vervang de lege plek: '____ receptoren zijn belangrijk voor synaptische signalering.'

A.Ionotrope.
B.Metabotrope.
C.Nucleaire.
D.G-eiwit gekoppelde.

61. Wat is het effect van langdurige blootstelling aan agonisten?

A.Kan leiden tot receptor downregulatie of desensitisatie.
B.Verhoogt altijd de effectiviteit van het geneesmiddel.
C.Versterkt de werking van antagonisten.
D.Geeft geen veranderingen in receptoractiviteit.

62. Wat is een belangrijke toepassing van farmacodynamiek in de geneeskunde?

A.De ontwikkeling van vaccins
B.Het begrijpen van de effecten van geneesmiddelen op patiënten
C.De berekening van bijwerkingen
D.De marketing van geneesmiddelen

63. Wat houdt farmacogenetica in?

A.De studie van genetische variaties en geneesmiddelrespons.
B.De studie van bijwerkingen van geneesmiddelen.
C.De studie van de kosten van geneesmiddelen.
D.De studie van de geschiedenis van geneesmiddelen.

64. Welk type receptor heeft een directe invloed op ionstromen?

A.Ionotrope receptoren.
B.Metabotrope receptoren.
C.G-eiwit gekoppelde receptoren.
D.Nucleaire receptoren.

65. Hoe beïnvloedt temperatuur de enzymactiviteit?

A.Bij hogere temperatuur neemt de enzymactiviteit toe, tot een optimum.
B.Bij lagere temperatuur is enzymactiviteit altijd hoog.
C.Temperatuur heeft geen invloed op enzymen.
D.Enzymactiviteit neemt exponentieel toe met temperatuur.

66. Welke van de volgende is GEEN type receptor?

A.Ionotroop
B.Metabotroop
C.Neurotroop
D.Tyrosine kinase

67. Korte uitleg over placebo-effect?

A.Een verbetering door de verwachting van een behandeling.
B.Een verbetering door een werkzame stof.
C.Een bijwerking van een geneesmiddel.
D.Een type bijwerking.

68. Wat is een belangrijk verschil tussen ionotrope en metabotrope receptoren?

A.Ionotrope receptoren werken snel, terwijl metabotrope receptoren trager werken.
B.Metabotrope receptoren zijn altijd nucleair.
C.Ionotrope receptoren zijn alleen intracellulair.
D.Metabotrope receptoren hebben geen ligandbinding nodig.

69. Wat is de functie van een antagonistische stof in farmacodynamiek?

A.Blokkeren van receptoren
B.Activeren van enzymen
C.Versterken van agonisten
D.Verhogen van metabolisme

70. Wat kan leiden tot een verhoogde tolerantie voor een geneesmiddel?

A.Verhoogde receptoractiviteit
B.Langdurig gebruik van het geneesmiddel
C.Verhoogde dosis van het geneesmiddel
D.Verandering in de samenstelling van het geneesmiddel

71. Wat zijn langetermijneffecten?

A.Effecten die pas na langdurig gebruik optreden.
B.Effecten die onmiddellijk optreden.
C.Effecten die nooit optreden.
D.Effecten die alleen bij kinderen optreden.

72. Welk type receptor bindt lipofiele liganden?

A.Nucleaire receptoren.
B.Ionotrope receptoren.
C.G-eiwit gekoppelde receptoren.
D.Cytokine receptoren.

73. Welke term beschrijft een stof die de effectiviteit van een agonist verlaagt zonder zelf een reactie te veroorzaken?

A.Agonist
B.Antagonist
C.Allosterische modulator
D.Enzymremmer

74. Wat beschrijft de rol van een antagonist in de farmacodynamiek?

A.Het blokkeren van de werking van een agonist.
B.Het activeren van een receptor voor een biologisch effect.
C.Het verhogen van de dosis-responsrelatie.
D.Het verminderen van bijwerkingen van een geneesmiddel.

75. Wat doet een bijsluiter?

A.Geeft informatie over gebruik en bijwerkingen.
B.Geeft informatie over de prijs.
C.Geeft informatie over de fabrikant.
D.Geeft informatie over de distributie.

76. Wat is de functie van een metabotrope receptor?

A.Zij activeert signaaltransductieroutes via G-eiwitten.
B.Zij opent ionkanalen direct na ligandbinding.
C.Zij reguleert genexpressie zonder liganden.
D.Zij fungeert als een antagonist voor andere receptoren.

77. Wat gebeurt er bij langdurige blootstelling aan een agonist?

A.Verhoogde receptoractiviteit
B.Receptor downregulatie
C.Verandering in enzymactiviteit
D.Toename van ligandconcentratie

78. Wat is het belangrijkste kenmerk van selectieve receptoren?

A.Ze reageren enkel op specifieke stoffen.
B.Ze zijn altijd actief zonder binding.
C.Ze leiden nooit tot een biologische respons.
D.Ze zijn alleen aanwezig in het centrale zenuwstelsel.

79. Geef een voorbeeld van een geneesmiddel met een smalle therapeutische index.

A.Digoxine.
B.Paracetamol.
C.Ibuprofen.
D.Aspirine.

80. Welk type receptor speelt een rol bij snelle synaptische communicatie?

A.Metabotrope receptoren
B.Ionotrope receptoren
C.Tyrosine kinase receptoren
D.Nucleaire receptoren

Gerelateerde sets

Maak je eigen studieset

Upload een PDF, plak je notities of beschrijf een onderwerp – AI genereert flashcards, quizzen en meer in seconden.