Eindexamen conjunctuur flashcards

Eindexamen conjunctuur flashcards voor macro-economie, gericht op belangrijke termen en concepten.

LiamVisserfl·18 flashcards·15 vragen
eindexameneconomicsmacro
0
Ken ik
1 / 18
0
Aan het leren
Voorkant

Wat is conjunctuur?

Tik om om te draaien
Achterkant

Conjunctuur verwijst naar de schommelingen in de economische activiteit van een land in de tijd.

Tik om om te draaien
Ken ik
Aan het leren

Quiz(15 vragen)

Vraag 1 van 15

1. Wat is een andere naam voor een periode van economische groei?

Termen in deze set(18)

Wat is conjunctuur?

Conjunctuur verwijst naar de schommelingen in de economische activiteit van een land in de tijd.

Wat zijn de fasen van de conjunctuurlijn?

De fasen zijn: hoogconjunctuur, laagconjunctuur, recessie en herstel.

Wat betekent hoogconjunctuur?

Hoogconjunctuur is een periode van sterke economische groei en hoge werkgelegenheid.

Wat is een recessie?

Een recessie is een periode waarin de economische groei afneemt en de werkloosheid toeneemt.

Wat is de rol van de centrale bank?

De centrale bank beheert de geldhoeveelheid en rente om de economie te stabiliseren.

Wat is inflatie?

Inflatie is de stijging van het algemene prijsniveau van goederen en diensten.

Hoe wordt inflatie gemeten?

Inflatie wordt gemeten met de consumentenprijsindex (CPI) en de producentenprijsindex (PPI).

Wat zijn economische indicatoren?

Economische indicatoren zijn statistieken die de staat van de economie weergeven, zoals BBP, werkloosheid en inflatie.

Wat is het bruto binnenlands product (BBP)?

BBP is de totale waarde van alle goederen en diensten die in een land in een jaar worden geproduceerd.

Wat is werkloosheid?

Werkloosheid is het percentage van de beroepsbevolking dat geen werk heeft maar wel actief naar werk zoekt.

Wat zijn conjunctuurcycli?

Conjunctuurcycli zijn de natuurlijke fluctuaties van de economie, met periodes van groei en krimp.

Wat is de productiecapaciteit?

De productiecapaciteit is de maximale output die een economie kan produceren met de beschikbare middelen.

Vul de lege plek in: Conjuncturele ___ is de tijdelijke verandering in de economie.

schommelingen

Wat is de term voor deflatie?

Deflatie is de afname van het algemene prijsniveau van goederen en diensten.

Wat beïnvloedt de conjunctuur?

Factoren zoals consumentenvertrouwen, investeringen, overheidsbeleid en externe schokken beïnvloeden de conjunctuur.

Wat is het consumentenvertrouwen?

Consumentenvertrouwen is een indicator van hoe optimistisch of pessimistisch consumenten zijn over de economie.

Wat is een economische schok?

Een economische schok is een onverwachte gebeurtenis die een grote impact heeft op de economie.

Waar staat de term 'crowding out' voor?

Crowding out verwijst naar het fenomeen waarbij overheidsuitgaven particuliere investeringen verdringen.

Vragen in deze set(15)

1. Wat is een andere naam voor een periode van economische groei?

A.Recessie
B.Herstel
C.Hoogconjunctuur
D.Deflatie

2. Wat is een gevolg van inflatie?

A.Stijging van de werkloosheid
B.Verhoogde koopkracht
C.Stijgende prijzen
D.Lagere rente

3. Welke van de volgende is een economische indicator?

A.Aantal kinderen
B.BBP
C.Temperatuur
D.Afstand in kilometers

4. Wat gebeurt er bij een recessie?

A.De economie groeit snel
B.De werkloosheid daalt
C.De economie krimpt
D.Inflatie neemt af

5. Wat is deflatie?

A.Stijging van prijzen
B.Daling van prijzen
C.Stabiliteit in prijzen
D.Onzekerheid in economie

6. Wat is een conjunctuurcyclus?

A.Een permanente groei
B.Schommelingen in economische activiteit
C.Verslechtering van de economie
D.Vaste economische maatregelen

7. Wat beïnvloedt het consumentenvertrouwen?

A.Inflatie
B.Verloop van de rente
C.Internationale handel
D.Alle bovenstaande

8. Wat is een belangrijke functie van de centrale bank?

A.Reguleren van de beurs
B.Beheren van de geldhoeveelheid
C.Vaststellen van belastingen
D.Controleren van loonprijzen

9. Wat is werkloosheid?

A.Mensen met banen
B.Mensen zonder werk
C.Mensen op pensioen
D.Mensen in opleiding

10. Wat zijn economische schokken?

A.Plannen voor de toekomst
B.Veranderingen in belasting
C.Onverwachte gebeurtenissen
D.Stabiele economische groei

11. Wat betekent 'crowding out'?

A.Overheidsuitgaven verdringen particuliere investeringen
B.Particuliere investeringen verhogen
C.Inflatie vermindert
D.Werkloosheid daalt

12. Wat is de productiecapaciteit?

A.Maximale uitgaven
B.Maximale output
C.Minimale werkloosheid
D.Minimale prijzen

13. Wat is een gevolg van hoge inflatie?

A.Stijgende koopkracht
B.Minder sparen
C.Grotere investeringen
D.Verhoogde werkgelegenheid

14. Wat is een recessie?

A.Periode van economische groei
B.Periode van economische krimp
C.Geen verandering in economie
D.Alleen stijgende werkgelegenheid

15. Wat gebeurt er bij hoogconjunctuur?

A.Economie krimpt
B.Werkloosheid stijgt
C.Economie groeit snel
D.Deflatie treedt op

Gerelateerde sets

Maak je eigen studieset

Upload een PDF, plak je notities of beschrijf een onderwerp – AI genereert flashcards, quizzen en meer in seconden.