Conjunctuurbeleid Keynes begrippenlijst

Een begrippenlijst voor conjunctuurbeleid volgens Keynes, gericht op belangrijke termen en concepten die relevant zijn voor het eindexamen economie.

NoahV9·32 flashcards·32 vragen
eindexameneconomicsmacro
0
Ken ik
1 / 32
0
Aan het leren
Voorkant

Wat is conjunctuurbeleid?

Tik om om te draaien
Achterkant

Beleidsmaatregelen gericht op het beïnvloeden van de economische cyclus.

Tik om om te draaien
Ken ik
Aan het leren

Quiz(32 vragen)

Vraag 1 van 32

1. Wat is het primaire doel van monetair beleid?

Termen in deze set(32)

Flashcards 1(16)

Wat is conjunctuurbeleid?

Beleidsmaatregelen gericht op het beïnvloeden van de economische cyclus.

Wat zijn de twee soorten conjunctuurbeleid?

Monetair beleid en fiscaal beleid.

Wat is monetair beleid?

Beleid van de centrale bank dat de geldhoeveelheid en rente beïnvloedt.

Vul in: De centrale bank verlaagt de rente __________.

om investeringen te stimuleren.

Wat is fiscaal beleid?

Beleid dat belasting- en overheidsuitgaven aanpast om de economie te beïnvloeden.

Waar leidt een verhoging van de belasting tot?

Minder consumptie → lagere vraag → afname van economische groei.

Waarvoor staat de term 'inflatie'?

Stijging van het algemeen prijsniveau van goederen en diensten.

Waaruit bestaat de consumentenprijsindex (CPI)?

Een mandje goederen en diensten die de uitgaven van huishoudens weergeven.

Waar leidt hoge inflatie vaak toe?

Erover heen: verminderde koopkracht, hogere rente, lagere investeringen.

Wat is het doel van Keynesiaans beleid?

De economie stimuleren tijdens een recessie door overheidsinterventie.

Wat betekent 'automatische stabilisatoren'?

Mechanismen die de economie stabiliseren zonder overheidsinterventie, zoals belastingen.

Wat is het effect van een economische expansie?

Stijgende werkgelegenheid, hogere consumptie en investeringen.

Waar leidt een economische krimp toe?

Hogere werkloosheid, lagere consumptie en dalende investeringen.

Wat is een recessie?

Twee achtereenvolgende kwartalen van negatieve economische groei.

Wat zijn transferbetalingen?

Betalingen van de overheid aan individuen zonder dat daar een directe tegenprestatie tegenover staat.

Wat is het gevolg van te veel overheidsuitgaven?

Tekorten → hogere schulden → risico van inflatie.

Flashcards 2(16)

Wat zijn de doelstellingen van conjunctuurbeleid?

- Vraag stabiliseren - Werkgelegenheid verhogen - Inflatie beheersen

Waaruit bestaat expansief beleid?

- Verlagen van belasting - Verhogen overheidsuitgaven - Lagere rente tarieven

Wat is een recessie?

Een periode van economische achteruitgang, gekenmerkt door dalende BBP en werkgelegenheid.

Vul de lege plek in: Conjunctuurbeleid is gericht op ___________.

stabilisatie van de economie.

Wat is het verschil tussen monetair en fiscaal beleid?

- Monetair: rente en geldhoeveelheid - Fiscaal: belastingen en overheidsuitgaven

Waar is de Keynesiaanse theorie op gericht?

Het stimuleren van vraag om economische groei te bevorderen.

Waar leidt een stijging van de rente vaak toe?

- Minder leningen - Lagere consumptie - Afname investeringen

Wat is het effect van een hogere belasting op de vraag?

- Verminderde koopkracht - Lagere consumptie - Afname van vraag

Wat zijn automatische stabilisatoren?

- Werkloosheidsuitkeringen - Progressieve belasting - Sociale uitkeringen

Vul de lege plek in: Conjunctuurbeleid kan ___________ zijn.

expansief of restrictief.

Wat is het doel van restrictief beleid?

Inflatie verminderen door vraag te verlagen.

Noem twee voorbeelden van expansief beleid.

- Belastingen verlagen - Overheidsinvesteringen verhogen

Wat is de taak van de centrale bank?

- Inflatie controleren - Rente vaststellen - Geldhoeveelheid reguleren

Wat is crowding out?

Wanneer overheidsuitgaven private investeringen verdringen.

Waar leidt een daling van de rente vaak toe?

- Meer investeringen - Toename consumptie

True or False: Conjunctuurbeleid is altijd effectief.

False - Effectiviteit hangt af van de economische situatie.

Vragen in deze set(32)

1. Wat is het primaire doel van monetair beleid?

A.De rente en geldhoeveelheid beïnvloeden.
B.Overheidsuitgaven verhogen.
C.Belastingtarieven verlagen.
D.Inflatie op een laag niveau houden.

2. Wat is een belangrijk doel van conjunctuurbeleid?

A.Vraag stabiliseren
B.Inflatie verhogen
C.Bestedingen verlagen
D.Export stimuleren

3. Welke maatregel is een voorbeeld van fiscaal beleid?

A.Verlaging van de inkomstenbelasting.
B.Verlaging van de rente door de centrale bank.
C.Verhoging van de geldhoeveelheid.
D.Verhoogde importtarieven.

4. Wat houdt het verlagen van belasting in binnen expansief beleid?

A.Verhogen van overheidsuitgaven
B.Verlagen van rente
C.Verhogen van koopkracht
D.Beperken van geldhoeveelheid

5. Wat gebeurt er als de centrale bank de rente verhoogt?

A.Investeringen kunnen dalen.
B.Consumptie neemt toe.
C.Inflatie stijgt.
D.Werkgelegenheid neemt toe.

6. Wat beschrijft een recessie het beste?

A.Stijgende werkgelegenheid
B.Stijgende inflatie
C.Daling van het BBP
D.Toename van investeringen

7. Wat betekent het als er sprake is van 'negatieve economische groei'?

A.De economie krimpt.
B.De economie groeit snel.
C.Inflatie is laag.
D.Werkgelegenheid stijgt.

8. Vul de lege plek in: Monetair beleid richt zich op ___________.

A.Belastingen
B.Rente en geldhoeveelheid
C.Overheidsuitgaven
D.Werkgelegenheid

9. Wat zijn automatische stabilisatoren?

A.Mechanismen die de economie stabiliseren zonder directe overheidsinterventie.
B.Beleidsmaatregelen die altijd door de overheid worden genomen.
C.Specifieke investeringen in infrastructuur.
D.Regels voor belastingtarieven.

10. Wat is een effect van een stijging van de rente?

A.Toename van consumptie
B.Meer leningen
C.Afname van investeringen
D.Verhoging van belasting

11. Wat is het gevolg van een stijging van de belastingtarieven?

A.Minder consumptie door huishoudens.
B.Hogere investeringen van bedrijven.
C.Toename van de economische groei.
D.Meer werkgelegenheid.

12. Wat beschrijft het verschil tussen financieel en monetair beleid?

A.Rente versus belasting
B.Overheidsuitgaven versus inkomen
C.Prijsstabiliteit versus werkgelegenheid
D.Consumptie versus sparen

13. Welke van de volgende situaties is geen gevolg van inflatie?

A.Verminderde koopkracht van consumenten.
B.Stijgende rente op leningen.
C.Omhooggaande werkloosheid.
D.Hogere prijzen van goederen.

14. Wat is het belangrijkste effect van automatische stabilisatoren?

A.Verlagen van inflatie
B.Verhogen van werkgelegenheid
C.Verhogen van overheidsschuld
D.Verminderen van economische schommelingen

15. Wat is een recessie?

A.Twee achtereenvolgende kwartalen van negatieve groei.
B.Een periode van sterke economische groei.
C.Een periode zonder inflatie.
D.Een situatie met stijgende werkgelegenheid.

16. Wat is een voorbeeld van restrictief beleid?

A.Inflatie verhogen
B.Belastingen verlagen
C.Rente verhogen
D.Overheidsuitgaven verhogen

17. Wat zijn transferbetalingen?

A.Betalingen zonder directe tegenprestatie.
B.Belastingen die door de overheid worden geheven.
C.Investeringen in infrastructuur.
D.Aankopen van goederen door de overheid.

18. Wat is een gevolg van fiscale stimulans in een economie?

A.Lagere overheidsuitgaven
B.Vermindering van belasting
C.Verlaging van de rente
D.Afname van het BBP

19. Wat is het effect van een economische expansie?

A.Stijgende werkgelegenheid en consumptie.
B.Hogere belastingtarieven.
C.Afname van investeringen.
D.Stijgende inflatie zonder groei.

20. Wat is het primaire doel van de centrale bank?

A.Inflatie verhogen
B.Rente verhogen
C.Stabiliteit van de economie
D.Verkleinen van overheidsschuld

21. Wat is een mogelijke oorzaak van hoge inflatie?

A.Te veel vraag naar producten.
B.Verhoogde spaarzin bij consumenten.
C.Minder overheidsuitgaven.
D.Stijgende werkloosheid.

22. Wat houdt het begrip 'crowding out' in?

A.Overheidsuitgaven verminderen private investeringen
B.Lagere rente stimuleert investeringen
C.Inflatie verhoogt de vraag
D.Stijgende belasting verlaagt consumptie

23. Welke van de volgende is een kenmerk van Keynesiaans beleid?

A.Overheidsinterventie tijdens recessies.
B.Minimaliseren van belastingtarieven.
C.Vermijden van overheidsuitgaven.
D.Vertrouwen op de markt voor oplossingen.

24. Wat is een effect van dalende rente?

A.Toename van belasting
B.Daling van investeringen
C.Toename van consumptie
D.Afname van werkgelegenheid

25. Wat kan een gevolg zijn van te veel overheidsuitgaven?

A.Hogere schulden en inflatierisico.
B.Verhoogde werkgelegenheid.
C.Stijgende belastinginkomsten.
D.Minder vraag naar leningen.

26. Wat is een kenmerk van expansief conjunctuurbeleid?

A.Verhoogde belastingen
B.Verlaagde overheidsschuld
C.Lagere rente
D.Afname van sociale uitkeringen

27. Wat gebeurt er bij een economische krimp?

A.Lagere consumptie en hogere werkloosheid.
B.Stijgende investeringen en groei.
C.Toename van het consumentenvertrouwen.
D.Hogere belastinginkomsten.

28. Wat kan een negatieve impact hebben op de economie?

A.Verhoging van belasting
B.Verlaging van rente
C.Stijgende werkgelegenheid
D.Toename van investeringen

29. Wat is de consumentenprijsindex (CPI)?

A.Een mandje goederen en diensten van huishoudens.
B.Een maatstaf voor de werkloosheid.
C.Een voorwaarde voor belastingverhogingen.
D.Een index van de overheidsschuld.

30. True or False: Monetair beleid heeft invloed op de inflatie.

A.True
B.False
C.Onzeker
D.Afhankelijk van overheid

31. Welk van de volgende is een voorbeeld van monetair beleid?

A.Verlagen van de rente door de centrale bank
B.Verhogen van overheidsuitgaven
C.Verhogen van belastingtarieven
D.Verlagen van btw-tarieven

32. Wat is een gevolg van restrictief beleid op de economie?

A.Vermindering van inflatie
B.Verhoogde werkgelegenheid
C.Toename van consumptie
D.Stijging van belastingtarieven

Gerelateerde sets

Maak je eigen studieset

Upload een PDF, plak je notities of beschrijf een onderwerp – AI genereert flashcards, quizzen en meer in seconden.