Samenvatting: Actief en passief transport door membranen

Deze spiekbrief bevat belangrijke begrippen, formules en verschillen tussen actief en passief transport door membranen, gericht op eindexamenleerlingen in Nederland.

Wolf11·36 flashcards·36 vragen
eindexamenbiologycell_biology
0
Ken ik
1 / 36
0
Aan het leren
Voorkant

Actief transport → ...

Tik om om te draaien
Achterkant

Verbruik van energie (ATP) om stoffen door een membraan te verplaatsen.

Tik om om te draaien
Ken ik
Aan het leren

Quiz(36 vragen)

Vraag 1 van 36

1. Wat is de functie van de natrium-kaliumpomp?

Termen in deze set(36)

Flashcards 1(18)

Actief transport → ...

Verbruik van energie (ATP) om stoffen door een membraan te verplaatsen.

Passief transport → ...

Beweging van stoffen zonder energieverbruik, zoals diffusie en osmose.

Diffusie → ...

Verspreiding van stoffen van hoge naar lage concentratie.

Osmose → ...

Specifieke diffusie van water door een semipermeabel membraan.

Voorbeeld van actief transport → ...

Natrium-kaliumpomp: verplaatst Na+ naar buiten en K+ naar binnen.

Wat is een semipermeabel membraan?

Een membraan dat selectief doorlaatbaar is voor bepaalde stoffen.

Verschil tussen actief en passief transport → ...

Actief transport vereist energie; passief transport niet.

Wat is concentratiegradiënt?

Het verschil in concentratie van een stof over een afstand.

Verschil tussen diffusie en osmose → ...

Diffusie: alle stoffen; osmose: specifiek voor water.

Formule voor osmotische druk → ...

extOsmotischedruk=iimesCimesRimesT\displaystyle ext{Osmotische druk} = i imes C imes R imes T.

Wat is endocytose?

Proces waarbij cellen stoffen opnemen door het omhulsel van de membraan.

Wat is exocytose?

Het proces waarin cellen stoffen afgeven via de celmembraan.

True or False: Actief transport gebeurt altijd met behulp van carrier-eiwitten.

True. Carrier-eiwitten zijn essentieel voor actief transport.

Invloed van temperatuur op transport → ...

Hogere temperatuur versnelt diffusie; lagere temperatuur vertraagt.

Vul in: Osmose is de diffusie van ______.

water.

Wat is plasmolyse?

Het verschrompelen van een plantencel door waterverlies.

Bijvoorbeeld stoffen die passief transporteren → ...

O2, CO2, en kleine moleculen.

Wat bepaalt de snelheid van diffusie?

Concentratie, temperatuur, en grootte van de moleculen.

Flashcards 2(18)

Actief transport →

Transport dat energie vereist om stoffen tegen hun concentratiegradiënt in te verplaatsen.

Passief transport voorbeelden:

- Diffusie - Osmose - Gefaciliteerde diffusie

Wat is diffusie?

De beweging van moleculen van een hoge naar een lage concentratie zonder energiegebruik.

Osmose →

Beweging van water door een semi-permeabele membraan van een hoge naar een lage concentratie van opgeloste stoffen.

Wat is gefaciliteerde diffusie?

Transport van stoffen door een membraan met behulp van transporteiwitten, zonder energie.

Wat is een semi-permeabel membraan?

Een membraan dat selectief doorlaatbaar is voor bepaalde stoffen.

Actief transport energiebron:

ATP (adenosinetrifosfaat) is de primaire energiebron.

Verschil actief en passief transport:

Actief: Energie nodig. Passief: Geen energie nodig.

Voorbeeld actief transport:

Natrium-kaliumpomp: Na+ naar buiten, K+ naar binnen.

Wat is endocytose?

Het proces waarbij cellen stoffen opnemen door het omsluiten ervan met het celmembraan.

Wat is exocytose?

Het proces waarbij cellen stoffen uitscheiden door vesikels te versmelten met het celmembraan.

Wat meet osmotische druk?

De kracht die nodig is om osmose tegen te gaan.

Wat doet een concentratiegradiënt?

Het bepaalt de richting van de diffusie; van hoog naar laag.

Wat is een voorbeeld van gefaciliteerde diffusie?

Glucose transport via GLUT-eiwitten.

Verschil tussen osmotische en hydrostatische druk:

Osmotisch: van opgeloste stoffen. Hydrostatisch: van vloeistofdruk.

Wat is een osmotische oplossing?

Een oplossing met een specifieke concentratie van opgeloste stoffen in verhouding tot een andere oplossing.

Wat gebeurt er met cellen in een hypotone oplossing?

Cellen zwellen op en kunnen barsten door wateropname.

Wat is de rol van ionenkanalen?

Ze faciliteren passief transport van ionen door het celmembraan.

Vragen in deze set(36)

1. Wat is de functie van de natrium-kaliumpomp?

A.Verplaatsen van Na+ naar buiten en K+ naar binnen
B.Verplaatsen van glucose naar binnen
C.Verplaatsen van water naar buiten
D.Verplaatsen van eiwitten naar binnen

2. Wat is actief transport?

A.Transport dat energie vereist.
B.Transport zonder energiegebruik.
C.Transport dat alleen in planten voorkomt.
D.Transport alleen door diffusie.

3. Wat is niet kenmerkend voor passief transport?

A.Geen energieverbruik
B.Diffusie van stoffen
C.Transport tegen de concentratiegradiënt
D.Osmose van water

4. Wat is een voorbeeld van passief transport?

A.Osmose
B.Natrium-kaliumpomp
C.Endocytose
D.Exocytose

5. Wat beschrijft het concept van concentratiegradiënt?

A.Het verschil in temperatuur tussen twee gebieden
B.Het verschil in sterkte van een elektrische stroom
C.Het verschil in concentratie van een stof over een afstand
D.Het verschil in pH-waarde tussen twee oplossingen

6. Wat gebeurt er bij diffusie?

A.Moleculen bewegen van hoge naar lage concentratie.
B.Moleculen verbruiken energie om zich te verplaatsen.
C.Moleculen bewegen alleen in vloeistoffen.
D.Moleculen bewegen van lage naar hoge concentratie.

7. Welke van de volgende stoffen kan passief door een membraan diffunderen?

A.Glucose
B.O2
C.Na+
D.K+

8. Wat is het kenmerk van een semi-permeabel membraan?

A.Selectief doorlaatbaar voor bepaalde stoffen.
B.Volledig doorlaatbaar voor alle stoffen.
C.Alleen doorlaatbaar voor water.
D.Niet doorlaatbaar voor ionen.

9. Wat is de correcte definitie van osmose?

A.Beweging van glucose door een membraan
B.Verspreiding van ionen
C.Specifieke diffusie van water door een semipermeabel membraan
D.Beweging van zuurstofmoleculen

10. Wat is gefaciliteerde diffusie?

A.Transport via transporteiwitten zonder energie.
B.Transport dat energie nodig heeft.
C.Transport van één soort molecuul.
D.Transport dat alleen in dieren voorkomt.

11. Wat is een semipermeabel membraan?

A.Een membraan dat alles doorlaat
B.Een membraan dat selectief doorlaatbaar is voor sommige stoffen
C.Een membraan dat geen stoffen doorlaat
D.Een membraan dat alleen water doorlaat

12. Wat is een natrium-kaliumpomp?

A.Een voorbeeld van actief transport.
B.Een passief transportmechanisme.
C.Een soort eiwit dat water transporteert.
D.Een membraan dat geen ionen doorlaat.

13. Welke van de volgende processen vereist energie?

A.Diffusie
B.Osmose
C.Actief transport
D.Faciliteerde diffusie

14. Wat is endocytose?

A.Opname van stoffen door het celmembraan.
B.Uitscheiding van stoffen door het celmembraan.
C.Transport van water door diffusie.
D.Verplaatsing van ionen door een membraan.

15. Wat is plasmolyse?

A.Het opzwellen van een cel
B.Het verschrompelen van een plantencel door waterverlies
C.De opname van stoffen door de cel
D.De afgifte van stoffen door de cel

16. Wat meet osmotische druk?

A.Kracht om osmose tegen te gaan.
B.Druk van ionen in een oplossing.
C.Temperatuur van een oplossing.
D.Volume van een cel.

17. Wat is een voorbeeld van endocytose?

A.De opname van zuurstof door een cel
B.De verplaatsing van glucose door een membraan
C.De opname van grote deeltjes door een cel
D.De afgifte van hormonen door een cel

18. Wat doet een concentratiegradiënt?

A.Bepaalt de richting van diffusie.
B.Verhoogt de osmotische druk.
C.Regelt de temperatuur van de cel.
D.Beïnvloedt alleen actief transport.

19. Wat gebeurt er als de temperatuur stijgt met betrekking tot diffusie?

A.Diffusie vertraagt
B.Diffusie stopt helemaal
C.Diffusie versnelt
D.Diffusie heeft geen invloed

20. Wat is een voorbeeld van gefaciliteerde diffusie?

A.Glucose transport via GLUT-eiwitten.
B.Beweging van water door osmose.
C.Uitscheiding van hormonen.
D.Verplaatsing van zuurstof door cellen.

21. Welke van de volgende uitspraken is waar over actief transport?

A.Het gebeurt altijd in één richting
B.Het vereist carrier-eiwitten
C.Het vindt alleen plaats in plantencellen
D.Het verbruikt geen energie

22. Wat gebeurt er met cellen in een hypotone oplossing?

A.Cellen zwellen op en kunnen barsten.
B.Cellen krimpen door waterverlies.
C.Cellen blijven gelijk in grootte.
D.Cellen scheiden water uit.

23. Wat is de formule voor osmotische druk?

A.Osmotische druk = C/R/T
B.Osmotische druk = i × C × R × T
C.Osmotische druk = R × T/C
D.Osmotische druk = i + C - R

24. Wat is de rol van ionenkanalen?

A.Faciliteren passief transport van ionen.
B.Voorkomen iontransport.
C.Verbruiken energie voor transport.
D.Transporteren water.

25. Wat is het belangrijkste verschil tussen diffusie en osmose?

A.Diffusie vereist energie, osmose niet
B.Osmose is specifiek voor water, diffusie voor alle stoffen
C.Diffusie gebeurt alleen in gasvorm
D.Osmose vindt alleen plaats in dieren

26. Wat is een osmotische oplossing?

A.Oplossing met specifieke concentratie van opgeloste stoffen.
B.Oplossing zonder opgeloste stoffen.
C.Oplossing met alleen gasvormige stoffen.
D.Oplossing die altijd hypotone is.

27. Vul in: Osmose is de diffusie van ______.

A.Eiwitten
B.Zouten
C.Water
D.Glucose

28. Wat is het verschil tussen osmotische en hydrostatische druk?

A.Osmotisch van opgeloste stoffen, hydrostatisch van vloeistofdruk.
B.Beide zijn hetzelfde.
C.Osmotisch is altijd lager.
D.Hydrostatisch heeft geen invloed op cellen.

29. Wat bepaalt de snelheid van diffusie?

A.Het soort membraan
B.Concentratie, temperatuur en grootte van moleculen
C.De vorm van de cel
D.De aanwezigheid van enzymen

30. Wat is een voorbeeld van passief transport dat geen energie verbruikt?

A.Diffusie van zuurstof.
B.Natrium-kaliumpomp.
C.Endocytose van glucose.
D.Exocytose van hormonen.

31. Welke van de volgende processen is geen voorbeeld van passief transport?

A.Osmose
B.Diffusie
C.Faciliteerde diffusie
D.Natrium-kaliumpomp

32. Welke van de volgende processen vereist geen energie?

A.Osmose
B.Actief transport
C.Endocytose
D.Exocytose

33. Wat is de hoofdfunctie van actief transport in een cel?

A.Verplaatsen van stoffen tegen een concentratiegradiënt
B.Verspreiden van stoffen zonder energieverbruik
C.Verhogen van de temperatuur binnen de cel
D.Transporteren van water door het membraan

34. Wat is de belangrijkste energiebron voor actief transport in cellen?

A.ATP
B.NADH
C.ADP
D.FADH2

35. Welke van de volgende uitspraken is waar over diffusie?

A.Het vereist energie om plaats te vinden
B.Het vindt plaats van lage naar hoge concentratie
C.Het is een passief proces
D.Het omvat alleen watermoleculen

36. Welke van de volgende processen is GEEN voorbeeld van passief transport?

A.Osmose
B.Diffusie
C.Endocytose
D.Gefaciliteerde diffusie

Gerelateerde sets

Maak je eigen studieset

Upload een PDF, plak je notities of beschrijf een onderwerp – AI genereert flashcards, quizzen en meer in seconden.