Natuurlijke selectie flashcards

Studie flashcards over natuurlijke selectie in de evolutie.

Fox31·22 flashcards·16 vragen
eindexamenbiologyevolution
0
Ken ik
1 / 22
0
Aan het leren
Voorkant

Wat is natuurlijke selectie?

Tik om om te draaien
Achterkant

Natuurlijke selectie is het proces waarbij organismen met gunstige eigenschappen beter overleven en zich voortplanten.

Tik om om te draaien
Ken ik
Aan het leren

Quiz(16 vragen)

Vraag 1 van 16

1. Wat is de rol van variatie in natuurlijke selectie?

Termen in deze set(22)

Wat is natuurlijke selectie?

Natuurlijke selectie is het proces waarbij organismen met gunstige eigenschappen beter overleven en zich voortplanten.

Wie introduceerde het concept van natuurlijke selectie?

Charles Darwin introduceerde het concept van natuurlijke selectie in zijn boek 'On the Origin of Species' in 1859.

Vul in: Natuurlijke selectie leidt tot _______.

evolutie, omdat het de frequentie van genen in een populatie verandert.

Waar is variatie in een populatie belangrijk voor?

Variatie is belangrijk omdat het de basis vormt voor natuurlijke selectie, doordat sommige varianten beter aangepast zijn aan hun omgeving.

Wat is een voorbeeld van natuurlijke selectie?

De schraalbloemige heide die zich aanpast aan droge omstandigheden door kleinere bladeren te ontwikkelen.

Wat zijn de vier hoofdcomponenten van natuurlijke selectie?

Variatie, erfelijkheid, overlevingsdruk en reproductieve voordelen.

Wat is het resultaat van natuurlijke selectie?

Het resultaat is een populatie die beter is aangepast aan zijn omgeving, wat leidt tot evolutie.

Wat is 'survival of the fittest'?

Het idee dat de organismen die het beste aangepast zijn aan hun omgeving, het meest waarschijnlijk zullen overleven en zich voortplanten.

Vul in: Natuurlijke selectie is een mechanisme van _______.

evolutie, dat de adaptatie van soorten beïnvloedt.

Wat is het belang van erfelijkheid in natuurlijke selectie?

Erfelijkheid zorgt ervoor dat gunstige eigenschappen doorgegeven worden aan volgende generaties.

Waarvoor staat de afkorting 'DNA'?

Deoxyribonucleïnezuur, het molecuul dat genetische informatie draagt.

True or False: Natuurlijke selectie kan alleen positieve veranderingen in een soort veroorzaken.

False. Natuurlijke selectie kan ook leiden tot het verdwijnen van bepaalde genen.

Wat is een aanpassing?

Een aanpassing is een erfelijke eigenschap die de kans op overleven en voortplanting vergroot.

Wat is een voorbeeld van een niet-genetische verandering?

Veranderingen in gedrag of levensstijl die niet door erfelijkheid zijn beïnvloed.

Vul in: Natuurlijke selectie vindt plaats in _______.

populaties, niet in individuele organismen.

Wat is het verschil tussen natuurlijke selectie en kunstmatige selectie?

Bij natuurlijke selectie kiezen de organismen zelf; bij kunstmatige selectie kiezen mensen.

Wat zijn fossielen?

Fossielen zijn resten of afdrukken van organismen die in het verleden leefden, en ze bieden bewijs voor evolutie.

Wat is seksuele selectie?

Seksuele selectie is een vorm van natuurlijke selectie waarbij voorkeur voor bepaalde seksuele kenmerken leidt tot een grotere kans op voortplanting.

Wat is genetische drift?

Genetische drift is een willekeurig proces dat leidt tot veranderingen in genfrequenties in een populatie, onafhankelijk van natuurlijke selectie.

Vul in: De theorie van de evolutie legt uit hoe _______ kunnen ontstaan.

nieuwe soorten, door het proces van natuurlijke selectie.

Wat is een voorbeeld van co-evolutie?

De interactie tussen bloemplanten en hun bestuivers, waarbij beide zich aan elkaar aanpassen.

Wat zijn adaptaties?

Adaptaties zijn eigenschappen of gedragingen die een organisme helpen om beter te overleven in zijn omgeving.

Vragen in deze set(16)

1. Wat is de rol van variatie in natuurlijke selectie?

A.Het creëert competitie tussen organismen.
B.Het zorgt ervoor dat alle organismen gelijk zijn.
C.Het biedt een basis voor overleving.
D.Het vermindert de kans op aanpassing.

2. Wat betekent 'survival of the fittest'?

A.De sterkste overleeft altijd.
B.De meest zwakke sterven snel.
C.De best aangepaste organismen overleven.
D.Alle organismen hebben gelijke kansen.

3. Wat is een aanpassing?

A.Een gedragsverandering.
B.Een erfelijke eigenschap die de overlevingskans verhoogt.
C.Een willekeurig proces.
D.Een tijdelijke verandering.

4. Wat is een voorbeeld van seksuele selectie?

A.De kleur van de vacht bij een dier.
B.De grootte van de vijand.
C.De beschikbaarheid van voedsel.
D.De mate van schuilplaats.

5. Veroorzaakt natuurlijke selectie altijd positieve veranderingen?

A.Ja, altijd.
B.Nee, het kan neutrale of zelfs schadelijke veranderingen veroorzaken.
C.Het hangt af van de soort.
D.Het is altijd negatief.

6. Wat is genetische drift?

A.Het is een vorm van natuurlijke selectie.
B.Het is een willekeurig proces van verandering van genfrequenties.
C.Het heeft altijd een positieve uitkomst.
D.Het komt alleen voor in grote populaties.

7. Wat doet de theorie van evolutie?

A.Legt alleen uit hoe soorten sterven.
B.Biedt een verklaring voor de afwisseling van soorten.
C.Verklaart hoe nieuwe soorten ontstaan.
D.Bevestigt het bestaan van één soort.

8. Wat is co-evolutie?

A.De evolutie van een soort alleen.
B.De interactie tussen verschillende soorten die elkaar beïnvloeden.
C.Evolutie door kunstmatige selectie.
D.Evolutie zonder concurrentie.

9. Wat is de functie van DNA?

A.Het zorgt voor de voeding van cellen.
B.Het draagt genetische informatie.
C.Het beïnvloedt de temperatuur van organismen.
D.Het is een vorm van energie.

10. Wat is het belang van fossielen in de evolutietheorie?

A.Ze zijn alleen maar resten van dode organismen.
B.Ze bieden bewijs voor de geschiedenis van leven op aarde.
C.Ze zijn irrelevant voor evolutie.
D.Ze tonen alleen recente soorten.

11. Wat is kunstmatige selectie?

A.Natuur selecteert de sterksten.
B.Menselijke selectie van organismen met specifieke eigenschappen.
C.Een willekeurig proces.
D.Selectie door natuurlijke vijanden.

12. Wat betekent het als een soort is uitgestorven?

A.Het heeft zich verder ontwikkeld.
B.Er zijn geen levende leden van die soort meer.
C.Het is een fictieve soort.
D.Het heeft zich aangepast aan zijn omgeving.

13. Wat is het effect van overbevolking op natuurlijke selectie?

A.Het vermindert competitie.
B.Het verhoogt de kans op overleving.
C.Het leidt tot meer variatie.
D.Het vergroot de druk op bronnen.

14. Wat is het gevolg van een geslaagde aanpassing?

A.Verlies van genen.
B.Toename van de kans op voortplanting.
C.Afname van variatie.
D.Verandering van het ecosysteem.

15. Wat is de eigenschap van een populatie onder natuurlijke selectie?

A.Alle individuen zijn identiek.
B.Er is een hoog niveau van genetische variatie.
C.Er is geen competitie.
D.Alle individuen overleven.

16. Waar komt het begrip 'natuurlijke selectie' vandaan?

A.Van de biologie.
B.Van de landbouw.
C.Van de natuurwetenschappen.
D.Van Charles Darwin.

Gerelateerde sets

Maak je eigen studieset

Upload een PDF, plak je notities of beschrijf een onderwerp – AI genereert flashcards, quizzen en meer in seconden.