Evolutie van de mens begrippenlijst

Deze begrippenlijst behandelt de evolutie van de mens, met focus op belangrijke termen, processen en theorieën die relevant zijn voor het eindexamen biologie.

Emma88·64 flashcards·64 vragen
eindexamenbiologyevolution
0
Ken ik
1 / 64
0
Aan het leren
Voorkant

Wat is evolutie?

Tik om om te draaien
Achterkant

Evolutie is het proces waarbij organismen zich aanpassen aan hun omgeving gedurende lange tijd, vaak via natuurlijke selectie.

Tik om om te draaien
Ken ik
Aan het leren

Quiz(64 vragen)

Vraag 1 van 64

1. Wat beschrijft het concept van natuurlijke selectie?

Termen in deze set(64)

Basisbegrippen van Evolutie(16)

Wat is evolutie?

Evolutie is het proces waarbij organismen zich aanpassen aan hun omgeving gedurende lange tijd, vaak via natuurlijke selectie.

Natuurlijke selectie → ...

Natuurlijke selectie is het proces waarbij organismen met gunstige eigenschappen meer kans hebben om te overleven en zich voort te planten.

Definitie van soort

Een soort is een groep organismen die zich onderling kunnen voortplanten en vruchtbare nakomelingen kunnen krijgen.

Wat is adaptatie?

Adaptatie is het proces waarbij een soort zich ontwikkelt om beter te overleven in zijn omgeving.

Waar staat DNA voor?

DNA staat voor Deoxyribonucleïnezuur, het genetisch materiaal dat erfelijke informatie bevat.

Evolutietheorie → ...

De evolutietheorie beschrijft de ontwikkeling van het leven op aarde door variaties en natuurlijke selectie.

Fill in the blank: Genetische variatie is ...

Genetische variatie is essentieel voor evolutie, omdat het de basis biedt voor natuurlijke selectie.

Is 'evolutie een feit' waar of niet?

Waar: Evolutie is een feit, bewezen door fossiele gegevens en genetisch bewijs.

Vergelijk 'evolutie' en 'creatie':

- Evolutie: wetenschappelijk proces - Creatie: religieuze verklaring

Wat zijn fossielen?

Fossielen zijn overblijfselen of afdrukken van organismen die miljoenen jaren geleden leefden en bieden inzicht in de evolutie.

Genetische drift → ...

Genetische drift is een willekeurige verandering in de frequentie van genen in een populatie, vaak in kleine groepen.

Wat zijn homologe structuren?

Homologe structuren zijn lichaamsdelen die vergelijkbaar zijn door gemeenschappelijke afstamming, ondanks verschillende functies.

Oorsprong van soorten → ...

De oorsprong van soorten is het boek van Charles Darwin dat de principes van de evolutietheorie uiteenzet.

Wat is kunstmatige selectie?

Kunstmatige selectie is het proces waarbij mensen selectief fokken voor specifieke eigenschappen in organismen.

Cause → Effect: Milieuverandering...

Milieuverandering kan leiden tot evolutie door druk uit te oefenen op soorten om zich aan te passen.

Wat zijn mutaties?

Mutaties zijn veranderingen in het DNA van een organisme en kunnen leiden tot nieuwe eigenschappen of ziekten.

Menselijke Evolutie(16)

Wat is de eerste bekende soort mens?

De eerste bekende soort mens is de Australopithecus afarensis, die ongeveer 3,9 tot 2,9 miljoen jaar geleden leefde.

Homo habilis →

Homo habilis is bekend als de 'handige mens', leefde ongeveer 2,4 tot 1,4 miljoen jaar geleden. - Eerste gebruik van gereedschappen.

Waarvoor staat de naam Homo erectus?

Homo erectus betekent 'oprechte mens'. Deze soort leefde van 1,9 miljoen tot 110.000 jaar geleden.

Waar leefde de Neanderthaler?

De Neanderthaler (Homo neanderthalensis) leefde in Europa en delen van Azië, van ongeveer 400.000 tot 40.000 jaar geleden.

Homo sapiens →

Homo sapiens, de moderne mens, verschijnt ongeveer 300.000 jaar geleden. - Kenmerken: complex taalgebruik, creatief denken.

Vergeleken met Homo erectus, Homo sapiens:

Homo sapiens heeft een kleinere kaak en grotere hersenen. - Meer geavanceerde cultuur.

Wat is de relatie tussen Australopithecus en Homo?

Australopithecus is een voorouder van het geslacht Homo, wat wijst op een belangrijke evolutietrap.

Wat zijn de kenmerken van Homo habilis?

Kenmerken zijn: - Kleinere kaak - Gebruik van stenen gereedschappen - Rechtop lopen.

True or False: Neanderthalers waren de eerste moderne mensen.

False. Neanderthalers zijn een aparte soort, Homo sapiens zijn de eerste moderne mensen.

Homo erectus → kenmerken:

Kenmerken van Homo erectus: - Gebruikte vuur - Verhuisde uit Afrika - Ontwikkelde stenen gereedschappen.

Vul de lege plek in: Homo sapiens ontwikkelde zich in ...

... Afrika, en verspreidde zich later over de hele wereld.

Wat is de betekenis van de term 'tool use'?

Tool use verwijst naar het gebruik van gereedschappen door vroege mensen, wat essentieel was voor hun overleving.

Vergelijk Australopithecus en Homo sapiens:

Australopithecus was meer aapachtig en kleiner, terwijl Homo sapiens meer ontwikkeld en groter was.

Wat is de tijdspanne van de Homo neanderthalensis?

Homo neanderthalensis leefde van ongeveer 400.000 tot 40.000 jaar geleden. - Overleefden de ijstijd.

Oorzaak van de evolutie naar Homo sapiens:

De ontwikkeling van complexere sociale structuren en communicatie leidde tot de evolutie naar Homo sapiens.

Welke soort volgde Homo erectus op?

Homo neanderthalensis. - Belangrijkste kenmerken: - Sterker gebouwd - Grotere herseninhoud - Leefde in koude klimaten.

Genetica en Evolutie(16)

Wat is genetica?

Genetica is de studie van genen, erfelijkheid en variatie in organismen.

Erfelijkheid → evolutie

Erfelijkheid zorgt voor variatie, wat essentieel is voor natuurlijke selectie.

Waar zijn genen van gemaakt?

Genen zijn segmenten van DNA dat informatie bevat voor eiwitsynthese.

Valse uitspraak: Genetica heeft geen invloed op evolutie.

Onjuist, genetica is cruciaal voor de evolutie van soorten.

Wat zijn mutaties?

Mutaties zijn veranderingen in DNA-sequenties die nieuwe varianten creëren.

Verschil: gen- en fenotype

Genotype: genetische samenstelling. Fenotype: uitdrukking van genen.

Fill in the blank: natuurlijke selectie werkt op __________.

fenotypische variatie binnen een populatie.

Wat zijn homologe structuren?

Homologe structuren zijn anatomische delen die een gemeenschappelijke oorsprong hebben.

Genetische diversiteit → evolutie

Hogere genetische diversiteit verhoogt de kans op aanpassing aan veranderende omgevingen.

Wat is een allel?

Een allel is een variant van een gen die een specifieke eigenschap codeert.

True or False: Genen kunnen niet worden doorgegeven aan nakomelingen.

False. Genen worden via de geslachtscellen doorgegeven aan nakomelingen.

Wat is de rol van seksuele selectie?

Seksuele selectie bevordert eigenschappen die de kans op voortplanting vergroten.

Voorbeeld: natuurlijke selectie

De kleur van een vlinderpopulatie kan evolueren door predatie op bepaalde kleuren.

Wat zijn recessieve en dominante allelen?

Dominante allelen drukken recessieve allelen uit in het fenotype.

Wat gebeurt er bij isolatie?

Isolatie kan leiden tot nieuwe soorten door genetische verschillen.

Genetische drift → gevolg

Genetische drift kan kleine populaties permanent veranderen door toeval.

Evolutie en Milieu(16)

Wat is natuurlijke selectie?

Een proces waarbij organismen met gunstige kenmerken beter overleven en zich voortplanten.

Invloed van klimaat op menselijk gedrag?

Veranderingen in klimaat beïnvloeden: - Voedselbeschikbaarheid - Migratiepatronen - Sociale structuren

Waarvoor zijn aanpassingen nodig?

Aanpassingen zijn nodig om te overleven in veranderende omgevingen, zoals: - Voeding - Bescherming - Temperatuur

Waarin verschillen Homo sapiens van Neanderthalers?

Homo sapiens: - Meer geavanceerde gereedschappen - Complexe sociale structuren - Kunst en taal

Wat zijn hominiden?

Hominiden zijn de familie van primaten die mensen en hun voorouders omvat, zoals: - Homo - Australopithecus - Ardipithecus

Waar komt de term 'survival of the fittest' vandaan?

Het is een samenvatting van natuurlijke selectie en werd gepopulariseerd door Charles Darwin.

Invloed van voedsel op evolutie?

Voedselbronnen beïnvloeden: - Tandstructuur - Spijsverteringssysteem - Gedrag

Verschil tussen genetische drift en natuurlijke selectie?

Genetische drift is willekeurig, terwijl natuurlijke selectie resultaat is van aanpassing aan de omgeving.

Wat zijn de gevolgen van milieuverandering?

Milieuveranderingen kunnen leiden tot: - Verlies van biodiversiteit - Migratie - Evolutie van nieuwe soorten

Invloed van zee- en landklimaat?

Zee: - Aanpassing aan zoutwater. Land: - Aanpassing aan temperatuur en vochtigheid.

Wat is speciatietheorie?

Het proces waarbij nieuwe soorten ontstaan door isolatie en verschillende selectiedrukken.

Wat veroorzaakt een ecosysteemverandering?

Oorzaken van ecosysteemveranderingen zijn onder andere: - Klimaatverandering - Menselijke activiteit - Natuurlijke rampen

Invloed van sociale structuren op mensen?

Sociale structuren beïnvloeden: - Samenwerking - Communicatie - Overleving

Wat is een fenotype?

Fenotype is de waarneembare eigenschap van een organisme, beïnvloed door genen en omgeving.

Wat zijn aanpassingen aan temperatuur?

Aanpassingen kunnen zijn: - Huidkleur - Lichaamsvorm - Activiteitspatronen

Geef een voorbeeld van co-evolutie.

Voorbeeld: Bloemen en hun bestuivers, waarbij beide soorten elkaar beïnvloeden en aanpassen.

Vragen in deze set(64)

1. Wat beschrijft het concept van natuurlijke selectie?

A.Een proces waarbij organismen met gunstige kenmerken beter overleven.
B.Een methode om de levenscyclus van planten te begrijpen.
C.Een theorie die alleen betrekking heeft op dieren.
D.Een manier om fossielen te dateren.

2. Wat is de belangrijkste motor achter evolutie?

A.Natuurlijke selectie
B.Kunstmatige selectie
C.Genetische drift
D.Mutatie

3. Wat beschrijft het begrip 'genetica' het beste?

A.De studie van erfelijkheid en genen.
B.De studie van cellulaire processen.
C.De studie van ecosysteeminteracties.
D.De studie van fossielen.

4. Wat is de bekendste soort die wordt aangeduid als de 'handige mens'?

A.Homo habilis
B.Homo erectus
C.Australopithecus afarensis
D.Homo neanderthalensis

5. Hoe kan klimaatverandering het gedrag van mensen beïnvloeden?

A.Het heeft geen invloed op menselijk gedrag.
B.Het kan leiden tot veranderende voedselbeschikbaarheid.
C.Klimaatverandering beïnvloedt alleen dieren.
D.Het zorgt ervoor dat mensen minder gaan migreren.

6. Welke van de volgende stellingen over een soort is niet juist?

A.Een soort is een groep die vruchtbare nakomelingen kan voortbrengen.
B.Soorten kunnen zich niet onderling voortplanten.
C.Een soort deelt een gemeenschappelijke genetische basis.
D.Soorten zijn vaak aangepast aan een specifieke omgeving.

7. Wat is een belangrijke rol van erfelijkheid in evolutie?

A.Het creëert variatie binnen een soort.
B.Het beperkt de variatie binnen een soort.
C.Het heeft geen invloed op soorten.
D.Het veroorzaakt ziekte bij organismen.

8. Welke soort mens leefde het laatst?

A.Homo sapiens
B.Homo neanderthalensis
C.Homo habilis
D.Homo erectus

9. Waarom zijn aanpassingen belangrijk voor organismen?

A.Om te overleven in stabiele omgevingen.
B.Om zich voort te planten met andere soorten.
C.Om te overleven in veranderende omgevingen.
D.Om zich aan te passen aan menselijke beschaving.

10. Wat beschrijft de evolutietheorie?

A.De ontwikkeling van leven door creatie
B.De ontwikkeling van leven door variaties en natuurlijke selectie
C.De ontwikkeling van leven door mutaties alleen
D.De ontwikkeling van leven door kunstmatige selectie

11. Waaruit zijn genen opgebouwd?

A.DNA-segmenten.
B.Eiwitten.
C.Celmembranen.
D.Ribosomen.

12. Wat betekent de term 'Homo erectus'?

A.Oprechte mens
B.Handige mens
C.Mens van de toekomst
D.Aapachtige mens

13. Wat is een belangrijk kenmerk dat Homo sapiens onderscheidt van Neanderthalers?

A.Hun gebruik van vuur.
B.Hun meer geavanceerde gereedschappen.
C.Hun grotere lichaamsgrootte.
D.Hun dieet van uitsluitend vlees.

14. Wat zijn fossielen?

A.Overblijfselen van levende organismen
B.Afdrukken van organismen die nu bestaan
C.Overblijfselen of afdrukken van organismen die miljoenen jaren geleden leefden
D.Enkele genen van hedendaagse soorten

15. Welke uitspraak is onjuist over genetica?

A.Genetica speelt een rol in de evolutie.
B.Genen worden niet doorgegeven aan nakomelingen.
C.Genetica beïnvloedt fenotypes.
D.Genetische variatie is belangrijk voor natuurlijke selectie.

16. Wat kenmerkt de ontwikkeling van Homo sapiens?

A.Gebruik van vuur
B.Complex taalgebruik
C.Grotere kaak
D.Eenvoudige gereedschappen

17. Wat zijn hominiden?

A.Een groep van herbivoren.
B.Familie van primaten die mensen en hun voorouders omvat.
C.Een soort reptielen.
D.Een term voor alle zoogdieren.

18. Wat is een voorbeeld van kunstmatige selectie?

A.De evolutie van bacteriën
B.Het fokken van honden voor specifieke eigenschappen
C.Natuurlijke selectie in het wild
D.De ontwikkeling van antibioticumresistentie

19. Wat zijn mutaties?

A.Veranderingen in DNA-sequenties.
B.Veranderingen in eiwitstructuren.
C.Veranderingen in fenotypes.
D.Veranderingen in de omgeving.

20. Welke soort had een grotere herseninhoud in vergelijking met Homo habilis?

A.Homo sapiens
B.Australopithecus afarensis
C.Homo erectus
D.Homo neanderthalensis

21. Waar komt de term 'survival of the fittest' oorspronkelijk vandaan?

A.Van de theorie van Lamarck.
B.Van Charles Darwin's werk over natuurlijke selectie.
C.Van moderne evolutietheorieën.
D.Van de studie van gedragsbiologie.

22. Wat is genetic drift?

A.Veranderingen door natuurlijke selectie
B.Willekeurige veranderingen in genfrequenties
C.De aanpassing van een soort aan zijn omgeving
D.Een proces van evolutie door mutaties

23. Wat is het verschil tussen genotype en fenotype?

A.Genotype is de genetische samenstelling, fenotype is de uitdrukking ervan.
B.Genotype is de uitdrukking van genen, fenotype is de genetische samenstelling.
C.Genotype verwijst naar allelen, fenotype naar mutaties.
D.Genotype is zichtbaar, fenotype is niet zichtbaar.

24. Waar leefde de Neanderthaler voornamelijk?

A.Afrika
B.Europa en delen van Azië
C.Zuid-Amerika
D.Australië

25. Hoe beïnvloedt voedsel de evolutie van een soort?

A.Het heeft geen invloed op de evolutie.
B.Het bepaalt de grootte van het ecosysteem.
C.Het beïnvloedt de tandstructuur en het spijsverteringssysteem.
D.Het zorgt ervoor dat soorten uitsterven.

26. Welke van de volgende structuren is een voorbeeld van homologe structuren?

A.Vleugels van een vogel en een insect
B.Onderarm van een mens en een vin van een walvis
C.Staart van een aap en een staart van een vis
D.Ogen van een insect en een mens

27. Natuurlijke selectie werkt op __________.

A.fenotypische variatie binnen een populatie.
B.genetische drift.
C.evolutionaire isolatie.
D.allelen binnen een gen.

28. Welke van de onderstaande soorten is GEEN voorouder van de moderne mens?

A.Homo sapiens
B.Australopithecus afarensis
C.Homo erectus
D.Pan troglodytes

29. Wat is een belangrijk verschil tussen genetische drift en natuurlijke selectie?

A.Genetische drift is een gericht proces, natuurlijke selectie niet.
B.Genetische drift is willekeurig, natuurlijke selectie is gebaseerd op aanpassing.
C.Genetische drift komt alleen voor in kleine populaties.
D.Natuurlijke selectie vindt nooit plaats in een ecosysteem.

30. Wat is een mutatie?

A.Een aanpassing aan de omgeving
B.Een verandering in het DNA
C.Een vorm van natuurlijke selectie
D.Een type fossiel

31. Wat zijn homologe structuren?

A.Anatomische delen met een gemeenschappelijke oorsprong.
B.Structuren die dezelfde functie hebben maar verschillende oorsprong.
C.Structuren die door mutaties zijn veranderd.
D.Structuren die niet meer functioneren.

32. Wat is een belangrijk kenmerk van Homo erectus?

A.Gebruik van vuur
B.Hunters-gatherers
C.Kunstzinnige expressie
D.Eenvoudige gereedschappen

33. Wat zijn mogelijke gevolgen van milieuverandering?

A.Verlies van biodiversiteit en migratie.
B.Altijd toename van de bevolking.
C.Verandering van seizoenen.
D.Verandering in de bodemstructuur.

34. Wat gebeurt er bij een milieuverandering?

A.Er is geen effect op evolutie
B.Het kan leiden tot evolutie door druk uit te oefenen op soorten
C.Alle soorten zullen uitsterven
D.Het leidt altijd tot kunstmatige selectie

35. Hoe beïnvloedt genetische diversiteit de evolutie?

A.Het vergroot de kans op aanpassing aan veranderende omgevingen.
B.Het vermindert de kans op voortplanting.
C.Het verlaagt de overlevingskans van een soort.
D.Het heeft geen effect op evolutie.

36. Wat was de belangrijkste reden voor de evolutie naar Homo sapiens?

A.Grotere lichaamsgrootte
B.Complexere sociale structuren
C.Gebruik van jachttechnieken
D.Minder afhankelijk van voedselbronnen

37. Wat is een voorbeeld van aanpassing aan zee- en landklimaat?

A.Zeezoogdieren ontwikkelen longen.
B.Vogels ontwikkelen een snavel.
C.Vissen ontwikkelen kieuwen.
D.Dieren ontwikkelen huidbedekking voor temperatuurregulatie.

38. Wat betekent de term 'adaptatie'?

A.Een soort die nooit verandert
B.Een proces van aanpassing aan de omgeving
C.Het creëren van nieuwe soorten
D.Een soort die uitsterft

39. Wat is een allel?

A.Een variant van een gen.
B.Een type fenotype.
C.Een chromosoomstructuur.
D.Een structuurelement van DNA.

40. Wat is de tijdspanne waarin Homo neanderthalensis leefde?

A.300.000 tot 200.000 jaar geleden
B.1 miljoen tot 400.000 jaar geleden
C.400.000 tot 40.000 jaar geleden
D.150.000 tot 50.000 jaar geleden

41. Wat houdt de speciatietheorie in?

A.Het ontstaan van nieuwe soorten door genetische mutaties.
B.Het proces waarbij nieuwe soorten ontstaan door isolatie.
C.Een theorie die alleen op planten van toepassing is.
D.Een verklaring voor het uitsterven van soorten.

42. Wat is er niet waar over evolutionaire veranderingen?

A.Ze kunnen plaatsvinden over miljoenen jaren
B.Ze zijn altijd geleidelijk
C.Ze kunnen door natuurlijke selectie worden aangedreven
D.Ze zijn afhankelijk van genetische variatie

43. Waar of niet waar: Genen kunnen niet worden doorgegeven aan nakomelingen.

A.Niet waar.
B.Waar.
C.Soms waar.
D.Altijd waar.

44. Wat zijn enkele kenmerken van Homo habilis?

A.Rechtop lopen en gebruik van stenen gereedschappen
B.Vuur gebruiken en migreren
C.Jagen en verzamelen
D.Kunst maken

45. Wat veroorzaakt meestal een verandering in een ecosysteem?

A.Stabiele milieufactoren.
B.Klimaatverandering en menselijke activiteit.
C.Toename van biodiversiteit.
D.Natuurlijke vervuiling.

46. Wat is een belangrijke bron van genetische variatie?

A.Afscheiding van organismen
B.Mutaties
C.Dood van zwakke individuen
D.Kunstmatige selectie

47. Wat is de rol van seksuele selectie?

A.Het bevorderen van eigenschappen die de kans op voortplanting vergroten.
B.Het verminderen van genetische diversiteit.
C.Het creëren van mutaties.
D.Het versnellen van natuurlijke selectie.

48. Wat is de relatie tussen Australopithecus en Homo?

A.Australopithecus is een voorouder van Homo
B.Homo is een voorouder van Australopithecus
C.Ze hebben geen relatie
D.Ze leefden op dezelfde tijd

49. Hoe beïnvloeden sociale structuren het gedrag van mensen?

A.Ze hebben geen invloed op dieren.
B.Ze bevorderen samenwerking en communicatie.
C.Ze verminderen voedselbeschikbaarheid.
D.Ze maken migratie moeilijker.

50. Wat is het doel van natuurlijke selectie?

A.Het verbeteren van alle soorten
B.Het selecteren van de sterkste individuen
C.Het bevorderen van soorten die beter zijn aangepast aan hun omgeving
D.Het creëren van nieuwe soorten

51. Geef een voorbeeld van natuurlijke selectie.

A.Kleurvariatie in een vlinderpopulatie door predatie.
B.Verandering in temperatuur van een ecosysteem.
C.Migratie van een soort naar een nieuw gebied.
D.Verlies van een soort door ziekte.

52. Welke van de volgende beweringen is juist over Homo sapiens?

A.Ze zijn gelijk aan Homo neanderthalensis
B.Ze hebben een grotere herseninhoud
C.Ze leven nog steeds in Afrika
D.Ze gebruikten geen gereedschappen

53. Wat is een fenotype?

A.De genetische samenstelling van een organisme.
B.De waarneembare eigenschappen van een organisme.
C.Een soort in de evolutietheorie.
D.Een classificatie van genetische mutaties.

54. Wat is het belangrijkste kenmerk van homologe structuren?

A.Ze hebben dezelfde functie
B.Ze zijn onafhankelijk van evolutie ontstaan
C.Ze zijn vergelijkbaar door gemeenschappelijke afstamming
D.Ze zijn altijd zichtbaar in fossielen

55. Wat zijn recessieve en dominante allelen?

A.Dominante allelen drukken recessieve allelen uit in het fenotype.
B.Recessieve allelen zijn altijd zichtbaar.
C.Allelen hebben geen invloed op het fenotype.
D.Allelen zijn altijd gelijkwaardig.

56. Welke aanpassing maakt Homo sapiens beter in het overleven in verschillende omgevingen?

A.Kleinere kaak
B.Groot sociaal netwerk
C.Directe voedselbron
D.Minder behoefte aan communicatie

57. Welke van de volgende opties is GEEN aanpassing aan temperatuur?

A.Huidkleur.
B.Lichaamsvorm.
C.Activiteitspatronen.
D.Verandering in eetgewoonten.

58. Wat is een voorbeeld van een soort die door kunstmatige selectie is ontwikkeld?

A.Wilde planten
B.Diverse hondenrassen
C.Bacteriën in het wild
D.Fossielen

59. Wat gebeurt er bij isolatie?

A.Het kan leiden tot nieuwe soorten door genetische verschillen.
B.Het zorgt voor genetische homogeniteit.
C.Het heeft geen effect op evolutie.
D.Het versterkt de populatiegrootte.

60. Vul de lege plek in: Homo sapiens ontwikkelde zich in ...

A.Zuid-Afrika
B.Afrika
C.Europa
D.Azië

61. Wat is een voorbeeld van co-evolutie?

A.De evolutie van antibiotica-resistente bacteriën.
B.Bloemen en hun bestuivers die elkaar beïnvloeden.
C.De ontwikkeling van kampeervissen in zoetwater.
D.De vorming van nieuwe eilanden door vulkaanuitbarstingen.

62. Wat beschrijft het proces van natuurlijke selectie?

A.Organismen met gunstige eigenschappen overleven en planten zich voort
B.Alle organismen hebben een gelijke kans om te overleven
C.Natuurlijke omgeving heeft geen invloed op de voortplanting
D.Natuurlijke selectie is een willekeurig proces

63. Wat is genetische drift?

A.Een willekeurige verandering in allelfrequenties in een populatie.
B.Een proces dat altijd natuurlijke selectie omvat.
C.Een type mutatie.
D.Een manier om genen over te dragen.

64. Welke van de volgende soorten leefde het eerst?

A.Australopithecus afarensis
B.Homo neanderthalensis
C.Homo sapiens
D.Homo habilis

Gerelateerde sets

Maak je eigen studieset

Upload een PDF, plak je notities of beschrijf een onderwerp – AI genereert flashcards, quizzen en meer in seconden.