Biotische en abiotische factoren eindexamen oefenen

Oefenmateriaal voor het eindexamen biologie over biotische en abiotische factoren, met belangrijke begrippen en formules.

LynxTess4·76 flashcards·76 vragen
eindexamenbiologyecology
0
Ken ik
1 / 76
0
Aan het leren
Voorkant

Wat zijn biotische factoren?

Tik om om te draaien
Achterkant

Levende componenten in een ecosysteem die de omgeving beïnvloeden, zoals dieren, planten, schimmels en bacteriën.

Tik om om te draaien
Ken ik
Aan het leren

Quiz(76 vragen)

Vraag 1 van 76

1. Wat beschrijft de term 'predatie' het beste?

Termen in deze set(76)

Biotische factoren(16)

Wat zijn biotische factoren?

Levende componenten in een ecosysteem die de omgeving beïnvloeden, zoals dieren, planten, schimmels en bacteriën.

Voorbeeld van een producent.

Planten zijn producenten omdat ze fotosynthese gebruiken om energie uit zonlicht om te zetten.

Wat zijn consumenten?

Organismen die andere organismen eten. Ze worden onderverdeeld in primaire, secundaire en tertiaire consumenten.

Voorbeeld van een herbivoor.

Konijnen, die voornamelijk gras en bladeren eten.

Wat zijn carnivoren?

Dieren die zich voeden met andere dieren. Voorbeeld: leeuwen en wolven.

Invloed van schimmels op ecosystemen.

Schimmels breken organisch materiaal af en recyclen voedingsstoffen in de bodem.

Wat zijn detritivoren?

Organismen die zich voeden met dood organisch materiaal, zoals aardwormen en schimmels.

Vul de lege ruimte in: Bijen zijn _______.

bestuivers die bijdragen aan de voortplanting van planten.

Wat zijn symbiotische relaties?

Relaties tussen twee verschillende soorten die elkaar ten goede komen, zoals bloemen en hun bestuivers.

Wat zijn parasieten?

Organismen die leven op of in een ander organisme en daar schade aanrichten. Voorbeeld: teken.

Wat zijn invasieve soorten?

Soorten die niet van nature in een gebied voorkomen en daar schade kunnen toebrengen aan inheemse soorten.

Gebruik van een ecosysteemkaart.

Helpt bij het identificeren van biotische factoren en hun interacties in een ecosysteem.

Waar zijn predatoren goed voor?

Ze reguleren de populaties van andere dieren en houden het ecosysteem in balans.

Waarvoor zijn bacteriën belangrijk?

Ze helpen bij de afbraak van organisch materiaal en spelen een rol in de stikstofcyclus.

Wat zijn voedselwebben?

Complexe netwerken van voedselrelaties tussen verschillende soorten in een ecosysteem.

Wat is het verschil tussen autotroof en heterotroof?

Autotroof: maakt eigen voedsel. Heterotroof: eet andere organismen.

Abiotische factoren(16)

Wat zijn abiotische factoren?

Niet-levende componenten in ecosystemen, zoals temperatuur, water, licht, bodem, en lucht.

Vul de lege ruimte in: Lichtsterkte beïnvloedt de ________ van planten.

groei en fotosynthese.

Noem drie voorbeelden van temperatuur als abiotische factor.

1. Seizoensgebonden temperatuurvariaties 2. Schommelingen in dag- en nachttemperatuur 3. Temperatuurgradienten in waterlichamen.

Hoe beïnvloedt water de ecosystemen?

Waterregime bepaalt de soort biodiversiteit, schaduw, en invloed op fotosynthese.

Waaruit bestaat de bodem als abiotische factor?

Mineralen, organisch materiaal, water, lucht en levende organismen.

Waar is luchtvochtigheid belangrijk voor?

Voor de waterhuishouding van planten en dieren.

Is zonne-energie een abiotische factor?

Waar, het beïnvloedt fotosynthese en klimaat.

Vergelijk de invloed van temperatuur op zoetwater- en zoutwaterecosystemen.

Zoetwater: temperatuur fluctueert sterker. Zoutwater: stabielere temperaturen door diepte.

Vul de lege ruimte in: pH beïnvloedt de ________ van de bodem.

beschikbaarheid van voedingsstoffen.

Hoe wordt luchtvervuiling een abiotische factor?

Het vermindert de luchtkwaliteit en beïnvloedt het milieu en gezondheid van organismen.

Wat is de rol van licht in een ecosysteem?

Essentieel voor fotosynthese, energietoevoer en beïnvloedt temperatuur.

Noem twee manieren waarop bodemtype ecosystemen beïnvloedt.

1. Waterretentiecapaciteit 2. Voedingsstoffen beschikbaar voor planten.

Waar of niet waar: Bodemvochtigheid heeft geen invloed op plantengroei.

Niet waar, het beïnvloedt groei en ontwikkeling van planten.

Wat zijn voorbeelden van menselijke invloed op abiotische factoren?

1. Verstedelijking 2. Landbouw 3. Verbranding van fossiele brandstoffen.

Wat meet je met de lichtmeter?

De hoeveelheid licht (in lux) die beschikbaar is voor fotosynthese.

Noem drie belangrijke abiotische factoren in een woestijn.

1. Weinig neerslag 2. Hoge temperaturen 3. Grote temperatuurschommelingen.

Interacties in ecosystemen(20)

Wat zijn biotische interacties?

Interactie tussen levende organismen, zoals predatie, competitie, symbiose.

Verschil tussen predatie en parasitisme?

Predatie: aanval op een prooi. Parasitisme: leeft ten koste van een gastheer.

Wat is symbiose?

Samenlevingsvorm tussen verschillende soorten, zoals mutualisme en commensalisme.

Invloed van temperatuur op organismen?

Temperatuur beïnvloedt metabolisme, groei en verspreiding van soorten.

Vul in: bij hoge _______ kunnen plantengroei en biodiversiteit toenemen.

neerslag

Hoe beïnvloedt pH de waterkwaliteit?

pH beïnvloedt de oplosbaarheid van voedingsstoffen en de gezondheid van organismen.

Wat is het effect van competitie?

Beperking van resources, leidt tot aanpassing of afname van populaties.

Wat betekent nichevervulling?

Wanneer een soort een rol of functie in een ecosysteem vervult.

Waaruit bestaat een voedselweb?

Netwerk van voedselrelaties tussen verschillende soorten in een ecosysteem.

Wat is de rol van producenten?

Producers zetten zonlicht om in energie via fotosynthese.

Waar staat de term 'ecologische schommelingen' voor?

Variaties in populatiegrootte door veranderingen in biotische en abiotische factoren.

Vul in: ________ zijn belangrijk voor de energiehuishouding in een ecosysteem.

Decomposers

Verschil tussen autotrofen en heterotrofen?

Autotrofen: maken eigen voedsel. Heterotrofen: consumeren andere organismen.

Oorzaak: verhoogde koolstofdioxide. Gevolg?

Klimaatverandering en verandering inecosystemen.

Wat is een invasieve soort?

Een soort die zich snel verspreidt en inheemse soorten bedreigt.

Wat zijn de effecten van vervuiling op ecosystemen?

Afname biodiversiteit, verstoring van voedselketens, gezondheidsproblemen voor organismen.

Wat is de relatie tussen biodiversiteit en ecosysteemdiensten?

Hogere biodiversiteit leidt tot betere ecosysteemdiensten zoals voedselproductie.

Vul in: een ecosysteem is dynamisch en verandert door biotische en ________ factoren.

abiotische

Wat zijn keystone species?

Soorten die een cruciale rol spelen in het handhaven van de structuur van een ecosysteem.

Invloed van abiotische factoren op biotische interacties?

Abiotische factoren zoals licht, temperatuur en water beïnvloeden: - Groei van planten - Voeding van herbivoren - Voortplantingsgedrag van dieren Bijvoorbeeld: meer licht leidt tot hogere plantengroei, waardoor meer herbivoren kunnen overleven.

Ecologische principes(24)

Energietransformatie in ecosystemen

De omzetting van zonlicht in chemische energie door fotosynthese.

Wat is de rol van producenten?

Producenten zetten zonlicht om in energie, basis van voedselketens.

Wat zijn consumenten?

Organismen die energie halen uit andere organismen, zoals herbivoren en carnivoren.

Kringloop van koolstof

Koolstofdioxide → Fotosynthese → Organische stoffen → Verbranding → Terug naar de atmosfeer.

Wat is een voedselweb?

Een netwerk van onderling verbonden voedselketens in een ecosysteem.

Wat zijn detrivoren?

Organismen die organisch afval afbreken, zoals wormen en schimmels.

Functie van herbivoren

Zij consumeren plantaardig materiaal en zijn een voedselbron voor carnivoren.

Wat is de energiepiramide?

Een grafische weergave van de energieverdeling over de niveaus van een voedselketen.

Energieverlies in voedselketens

Gemiddeld 90% van de energie gaat verloren als warmte, tijdens metabolisme.

Wat zijn trophische niveaus?

De verschillende niveaus in een voedselketen: producenten, consumenten, en afvaleters.

Wat is de stikstofcyclus?

De cyclus waarbij stikstof uit de lucht wordt omgezet naar voedingsstoffen voor planten.

Wat is biodiversiteit?

De variëteit aan leven in een ecosysteem, inclusief soortenrijkdom en genetische diversiteit.

Invloed van temperatuur op ecosysteem

Hogere temperatuur kan fotosynthese versnellen, maar ook watertekort veroorzaken.

Wat is eutrofiëring?

Overmatige voedingsstoffen leiden tot algengroei en verstoring van het ecosysteem.

Wat is een voedselketen?

Een lineaire volgorde van organismen die elkaar voeden, beginnend bij producenten.

Wat is energiestroom?

De beweging van energie door een ecosysteem, van producenten naar consumenten.

Wat zijn abiogene factoren?

Factoren zoals temperatuur, water, en licht die invloed hebben op ecosystemen.

Voorbeeld van biotische factor

Planten, dieren, schimmels, en bacteriën in een ecosysteem.

Wat zijn carnivoren?

Dieren die zich voeden met andere dieren, zoals leeuwen en wolven.

Invloed van bodemkwaliteit

Goede bodemkwaliteit bevordert plantengroei, wat de voedselketen ondersteunt.

Formule voor fotosynthese

6 CO₂ + 6 H₂O + licht → C₆H₁₂O₆ + 6 O₂.

Wat zijn symbiotische relaties?

Samenlevingen tussen soorten die voordelen bieden, zoals mutualisme en commensalisme.

Wat is de rol van schimmels?

Schimmels breken organisch materiaal af en recyclen voedingsstoffen in ecosystemen.

Wat zijn invasieve soorten?

Soorten die een nieuw ecosysteem binnenkomen en daar schade aanrichten.

Vragen in deze set(76)

1. Wat beschrijft de term 'predatie' het beste?

A.Een organisme dat een ander organisme vangt en consumeert.
B.Een soort die samenleeft met een andere soort zonder schade.
C.Een competitie tussen twee soorten om beperkte middelen.
D.Een organisme dat leeft van de resten van andere organismen.

2. Wat zijn biotische factoren in een ecosysteem?

A.Levende componenten die de omgeving beïnvloeden.
B.Niet-levende componenten zoals water en lucht.
C.Fysische eigenschappen zoals temperatuur.
D.Geografische ligging van een gebied.

3. Wat is de belangrijkste functie van producenten in een ecosysteem?

A.Ze zetten zonlicht om in chemische energie.
B.Ze breken organisch materiaal af.
C.Ze voeden zich met herbivoren.
D.Ze reguleren de temperatuur.

4. Wat zijn abiotische factoren?

A.Levende organismen in een ecosysteem.
B.Niet-levende componenten in ecosystemen.
C.De interacties tussen verschillende soorten.
D.De invloed van het weer op organismen.

5. Wat is een voorbeeld van symbiose?

A.Een vogel die in een boom nestelt.
B.Een bacterie die in de darmen van een mens leeft en helpt met vertering.
C.Een plant die groeit in de schaduw van een grotere plant.
D.Een roofdier dat een prooi achtervolgt.

6. Welke van de volgende is een voorbeeld van een producent?

A.Een eik
B.Een vos
C.Een schimmel
D.Een kikker

7. Welke van de volgende organismen is een herbivoor?

A.Een koe
B.Een wolf
C.Een rat
D.Een schimmel

8. Welke van de volgende factoren beïnvloedt de groei van planten het meest direct?

A.Bodemstructuur
B.Lichtsterkte
C.Soortelijk gewicht
D.Aantalkleur

9. Wat is het effect van competitie op een ecosysteem?

A.Verhoogt de biodiversiteit.
B.Beperkt de populatiegrootte van soorten.
C.Versterkt de voedselketen.
D.Verhoogt de fotosynthese.

10. Wat zijn primaire consumenten?

A.Dieren die planten eten.
B.Dieren die andere dieren eten.
C.Dieren die zich voeden met dode organismen.
D.Planten die de voedselketen starten.

11. Wat is de stikstofcyclus?

A.De cyclus van stikstofverliezen uit de bodem.
B.De omzetting van stikstof uit de lucht in voedingsstoffen voor planten.
C.De circulatie van stikstof in oceanen.
D.De afbraak van organisch materiaal door bacteriën.

12. Vul de lege ruimte in: Temperatuur heeft invloed op de ________ van een ecosysteem.

A.voortplanting
B.verbranding
C.afbraak
D.opslag

13. Wat betekent nichevervulling?

A.Wanneer een soort zich aanpast aan een nieuwe omgeving.
B.Wanneer een soort zijn rol in het ecosysteem vervult.
C.Wanneer twee soorten dezelfde niche bezetten.
D.Wanneer een soort zich verspreidt in een nieuw gebied.

14. Wat is een voorbeeld van een herbivoor?

A.Koe
B.Tijger
C.Arend
D.Schorpioen

15. Wat is de functie van detritivoren in een ecosysteem?

A.Ze zetten zonlicht om in energie.
B.Ze consumeren organisch afval.
C.Ze zijn de top van de voedselketen.
D.Ze zorgen voor fotosynthese.

16. Wat is een effect van hoge luchtvochtigheid op een ecosysteem?

A.Verhoogt de fotosynthese.
B.Vermindert de hoeveelheid neerslag.
C.Verhoogt de luchtvervuiling.
D.Vermindert de plantengroei.

17. Wat is de rol van producenten in een ecosysteem?

A.Zij maken hun eigen voedsel via fotosynthese.
B.Zij consumeren andere organismen.
C.Zij breken organisch materiaal af.
D.Zij zorgen voor de watercyclus.

18. Wat zijn carnivoren?

A.Dieren die zich voeden met andere dieren.
B.Dieren die voornamelijk planten eten.
C.Dieren die zich voeden met schimmels.
D.Dieren die dode organismen opeten.

19. Wat beschrijft het begrip 'biodiversiteit' het beste?

A.De variëteit aan voedingsstoffen in een ecosysteem.
B.De verscheidenheid aan levensvormen en genetische diversiteit.
C.De hoeveelheid water in een ecosysteem.
D.De temperatuurvariaties in een ecosysteem.

20. Wat is de belangrijkste reden dat de pH van de bodem belangrijk is?

A.Het beïnvloedt de temperatuur.
B.Het beïnvloedt de luchtvochtigheid.
C.Het beïnvloedt de beschikbaarheid van voedingsstoffen.
D.Het beïnvloedt de lichtintensiteit.

21. Wat is een invasieve soort?

A.Een inheemse soort die bedreigd wordt.
B.Een soort die zich snel verspreidt en inheemse soorten bedreigt.
C.Een soort die zich aanpast aan verschillende klimaten.
D.Een soort die niet in een ecosysteem kan overleven.

22. Wat is de rol van schimmels in een ecosysteem?

A.Ze breken organisch materiaal af.
B.Ze zijn altijd schadelijk.
C.Ze produceren zuurstof.
D.Ze zijn altijd herbivoren.

23. Wat is een voedselweb?

A.Een netwerk van voedselketens die met elkaar verbonden zijn.
B.Een enkele keten van producenten en consumenten.
C.Een diagram van abiogene factoren.
D.Een lijst van alle organisme in een ecosysteem.

24. Welke van de volgende is GEEN abiotische factor?

A.Temperatuur
B.Licht
C.Bodembacteriën
D.Luchtvochtigheid

25. Hoe beïnvloedt temperatuur het metabolisme van organismen?

A.Het heeft geen invloed op het metabolisme.
B.Het vertraagt het metabolisme bij lagere temperaturen.
C.Het versnelt het metabolisme bij lagere temperaturen.
D.Het heeft alleen invloed op planten.

26. Wat zijn detritivoren?

A.Organismen die zich voeden met dood organisch materiaal.
B.Dieren die in water leven.
C.Planten die zich voortplanten door zaad.
D.Organismen die alleen fotosynthese gebruiken.

27. Wat is de belangrijkste oorzaak van eutrofiëring in waterlichamen?

A.Overmatige regenval.
B.Overmatige voedingsstoffen in het water.
C.Verlies van biodiversiteit.
D.Verhoogde zuurstofniveaus.

28. Hoe beïnvloedt een hoge temperatuur in een ecosysteem de biodiversiteit?

A.Verhoogt het aantal soorten.
B.Vermindert het aantal soorten.
C.Heeft geen effect op soorten.
D.Verhoogt de waterkwaliteit.

29. Wat zijn de gevolgen van vervuiling voor ecosystemen?

A.Verhoogde biodiversiteit.
B.Afname van de gezondheid van organismen.
C.Versterking van voedselketens.
D.Verhoogde fotosynthese.

30. Vul de lege ruimte in: Bijen zijn _______.

A.bestuivers die bijdragen aan de voortplanting van planten.
B.predatoren die andere insecten doden.
C.herbivoren die nectar eten.
D.parasieten die schade aanrichten.

31. Wat gebeurt er met energie in een voedselketen?

A.Het wordt volledig opgeslagen bij elk trofisch niveau.
B.Er gaat gemiddeld 90% verloren als warmte.
C.Er wordt geen energie verloren.
D.Het wordt alleen door producenten vastgelegd.

32. Wat meet je met een thermometer in een ecosysteem?

A.De hoeveelheid water.
B.De temperatuur.
C.De luchtvervuiling.
D.De lichtsterkte.

33. Wat is de betekenis van abiotische factoren in een ecosysteem?

A.Levende componenten die interacties aangaan.
B.Niet-levende elementen zoals temperatuur en licht.
C.De relatie tussen verschillende soorten.
D.De dynamiek van predatie en competitie.

34. Wat zijn symbiotische relaties?

A.Relaties tussen verschillende soorten die elkaar ten goede komen.
B.Relaties tussen dezelfde soorten.
C.Relaties waar één soort altijd wint.
D.Relaties die alleen schadelijk zijn.

35. Wat zijn abiotische factoren?

A.Levende organismen in een ecosysteem.
B.De niet-levende delen van het milieu, zoals temperatuur en water.
C.De relaties tussen verschillende soorten.
D.De genetische diversiteit binnen een soort.

36. Noem een voorbeeld van een menselijke activiteit die de temperatuur in een ecosysteem beïnvloedt.

A.Houtkap.
B.Zaaien van gewassen.
C.Afvalverwerking.
D.Verandering van landbouwmethoden.

37. Vul in: Een ecosysteem is dynamisch en verandert door biotische en ________ factoren.

A.fysische
B.abiotische
C.chemische
D.psychologische

38. Wat zijn parasieten?

A.Organismen die leven op of in een ander organisme.
B.Dieren die zich voeden met planten.
C.Organismen die zichzelf afbreken.
D.Dieren die zich voeden met afval.

39. Wat is de rol van carnivoren in een ecosysteem?

A.Ze zetten zonlicht om in energie.
B.Ze consumeren andere dieren voor energie.
C.Ze breken organisch afval af.
D.Ze zijn verantwoordelijk voor fotosynthese.

40. Wat is een gevolg van een hoge zoutconcentratie in water?

A.Verhoogt de biodiversiteit.
B.Vermindert de zuurstofoplossing.
C.Verhoogt de temperatuur.
D.Vermindert de pH.

41. Wat beschrijft een voedselweb het beste?

A.Een netwerk van voedselrelaties tussen verschillende organismen.
B.De groei van planten in een ecosysteem.
C.De verspreiding van een soort over een gebied.
D.De concurrentie tussen verschillende soorten.

42. Wat zijn invasieve soorten?

A.Soorten die niet van nature in een gebied voorkomen.
B.Inheemse soorten die goed gedijen.
C.Soorten die uitgestorven zijn.
D.Dieren die in water leven.

43. Wat is een voorbeeld van een symbiotische relatie?

A.Een plant die groeit zonder water.
B.Een bloem die bestoven wordt door een bij.
C.Een schimmel die afbreekt in de bodem.
D.Een vis die alleen leeft in het open water.

44. Welke abiotische factor heeft de grootste invloed op woestijnecosystemen?

A.Hoge vochtigheid.
B.Extreme temperaturen.
C.Bodemstructuur.
D.Zure regen.

45. Wat zijn keystone species?

A.Soorten met een grote populatie.
B.Soorten die een cruciale rol spelen in de structuur van een ecosysteem.
C.Soorten die alleen in specifieke habitats leven.
D.Soorten die in gevaar zijn van uitsterven.

46. Wat helpt een ecosysteemkaart?

A.Identificeren van biotische factoren en hun interacties.
B.Bepalen van de temperatuur.
C.Meten van de luchtvochtigheid.
D.Voorspellen van het weer.

47. Wat zijn trophische niveaus?

A.De verschillende habitats in een ecosysteem.
B.De verschillende niveaus in een voedselketen.
C.De soorten die in een ecosysteem leven.
D.De verschillende seizoenen van een ecosysteem.

48. Welk effect heeft bodemtype op plantengroei?

A.Beïnvloedt alleen de kleur van de bladeren.
B.Beïnvloedt de waterretentiecapaciteit.
C.Heeft geen invloed op de groei.
D.Beïnvloedt alleen de aanwezigheid van dieren.

49. Wat is het effect van hoge pH-waarden in water?

A.Verhoogt de oplosbaarheid van voedingsstoffen.
B.Kan schadelijk zijn voor veel organismen.
C.Verhoogt de biodiversiteit.
D.Heeft geen effect op de waterkwaliteit.

50. Wat is de functie van predatoren in een ecosysteem?

A.Reguleren van populaties van andere dieren.
B.Zorgen voor een hogere plantengroei.
C.Afbreken van dode organismen.
D.Voeden met nectar.

51. Welke van de volgende uitspraken is ONJUIST over fotosynthese?

A.Het proces vindt plaats in de mitochondriën.
B.Het verbruikt koolstofdioxide en water.
C.Het produceert glucose en zuurstof.
D.Het vereist lichtenergie.

52. Wat is de belangrijkste reden dat zonlicht essentieel is voor ecosystemen?

A.Het beïnvloedt de pH-waarde.
B.Het stimuleert de fotosynthese.
C.Het bevordert de afbraak van organisch materiaal.
D.Het verhoogt de luchtvochtigheid.

53. Vul in: Decomposers zijn belangrijk voor de ________ in een ecosysteem.

A.voedselproductie
B.energiehuishouding
C.watercyclus
D.groei van planten

54. Waarom zijn bacteriën belangrijk in een ecosysteem?

A.Ze helpen bij de afbraak van organisch materiaal.
B.Ze zijn altijd schadelijk voor andere organismen.
C.Ze zijn de grootste organismen op aarde.
D.Ze produceren geen energie.

55. Wat zijn invasieve soorten?

A.Soorten die zijn uitgestorven in hun natuurlijke habitat.
B.Soorten die schade aanrichten in een nieuw ecosysteem.
C.Natuurlijke vijanden van inheemse soorten.
D.Soorten die zich alleen voortplanten in gecontroleerde omgevingen.

56. Wat meet je met een hygrometer?

A.De temperatuur van de lucht.
B.De luchtvochtigheid.
C.De snelheid van de wind.
D.De hoeveelheid neerslag.

57. Wat is de relatie tussen biodiversiteit en ecosysteemdiensten?

A.Hogere biodiversiteit vermindert ecosysteemdiensten.
B.Er is geen relatie tussen de twee.
C.Hogere biodiversiteit leidt tot betere ecosysteemdiensten.
D.Ecosysteemdiensten zijn onafhankelijk van biodiversiteit.

58. Wat zijn voedselwebben?

A.Complexe netwerken van voedselrelaties tussen soorten.
B.Een enkele voedselketen.
C.Relaties tussen lucht en water.
D.Voedselvoorzieningen voor mensen.

59. Wat is de energiepiramide?

A.Een visueel schema van de energiestromen in een ecosysteem.
B.Een diagram van de chemische reacties van fotosynthese.
C.Een lijst van alle soorten in een ecosysteem.
D.Een kaart van de verschillende habitats.

60. Noem een abiotische factor die de fotosynthese van planten beïnvloedt.

A.Water.
B.Insecten.
C.Bodemstructuur.
D.Minderjarige dieren.

61. Wat is het verschil tussen autotrofen en heterotrofen?

A.Autotrofen maken hun eigen voedsel, heterotrofen niet.
B.Heterotrofen zijn altijd groter dan autotrofen.
C.Autotrofen kunnen niet overleven zonder licht.
D.Heterotrofen produceren zuurstof tijdens fotosynthese.

62. Wat is het verschil tussen autotroof en heterotroof?

A.Autotroof maakt eigen voedsel; heterotroof eet andere organismen.
B.Autotroof eet alleen planten; heterotroof eet alleen dieren.
C.Autotroof leeft alleen in water; heterotroof leeft alleen op land.
D.Autotroof is altijd een herbivoor; heterotroof is altijd een carnivoor.

63. Welke factor heeft de grootste invloed op de fotosynthese?

A.De aanwezigheid van andere herbivoren.
B.De hoeveelheid licht die beschikbaar is.
C.De temperatuur van de lucht.
D.De samenstelling van de bodem.

64. Wat is het effect van een hoge luchtvochtigheid op de fotosynthese van planten?

A.Het versnelt de fotosynthese.
B.Het vertraagt de fotosynthese.
C.Het heeft geen effect op fotosynthese.
D.Het vermindert de zuurstofproductie.

65. Wat zijn ecologische schommelingen?

A.Variaties in temperatuur en neerslag.
B.Veranderingen in populatiegrootte door biotische en abiotische factoren.
C.De jaarlijkse migratie van dieren.
D.De hoeveelheid zonlicht in een ecosysteem.

66. Wat is de formule voor fotosynthese?

A.6 CO₂ + 6 H₂O + licht → C₆H₁₂O₆ + 6 O₂
B.C₆H₁₂O₆ + O₂ → 6 CO₂ + 6 H₂O + energie
C.H₂O + CO₂ → O₂ + glucose
D.6 O₂ + 6 H₂O → 6 CO₂ + C₆H₁₂O₆

67. Wat is de invloed van neerslag op plantengroei?

A.Hogere neerslag leidt tot minder plantengroei.
B.Neerslag heeft geen effect op plantengroei.
C.Hogere neerslag kan de plantengroei en biodiversiteit bevorderen.
D.Neerslag is alleen belangrijk voor dieren.

68. Wat is de invloed van temperatuur op de planten groei?

A.Hogere temperaturen verhogen de fotosynthese.
B.Temperatuur heeft geen invloed op groei.
C.Lagere temperaturen verhogen de plantengroei.
D.Alle planten groeien het beste bij dezelfde temperatuur.

69. Wat zijn de effecten van hoge temperaturen op herbivoren in een ecosysteem?

A.Verhoogde voortplantingssnelheid
B.Afname van voedselbeschikbaarheid
C.Verandering in migratiepatronen
D.Verhoogde concurrentie tussen soorten

70. Wat is een voorbeeld van een biotische factor?

A.Temperatuur
B.Luchtvochtigheid
C.Planten in een ecosysteem
D.Zuurstofniveaus

71. Welke van de volgende is GEEN biotische factor in een ecosysteem?

A.Concurrentie tussen planten
B.Predatie door roofdieren
C.Neerslag
D.Symbiose tussen soorten

72. Wat is de rol van schimmels in de natuur?

A.Ze zijn producenten.
B.Ze breken organisch materiaal af en recyclen voedingsstoffen.
C.Ze veroorzaken eutrofiëring.
D.Ze zijn alleen parasitair.

73. Wat is het effect van een hoge biodiversiteit in een ecosysteem?

A.Het vermindert de stabiliteit van het ecosysteem.
B.Het verhoogt de kans op ziekten.
C.Het maakt het ecosysteem veerkrachtiger tegen verstoringen.
D.Het leidt tot meer concurrentie.

74. Wat beschrijft het begrip 'energiepiramide' het beste?

A.Een grafische weergave van de energieverdeling over de niveaus van een voedselketen.
B.Een schematische weergave van de stikstofcyclus.
C.Een model dat de groei van populaties in een ecosysteem illustreert.
D.Een diagram dat de soortenrijkdom in een ecosysteem toont.

75. Wat is een gevolg van overmatige algengroei door eutrofiëring?

A.Verhoogde biodiversiteit in het ecosysteem.
B.Afname van zuurstof in het water, wat vissen kan doden.
C.Toename van energie in het ecosysteem.
D.Verbetering van de waterkwaliteit.

76. Welke van de volgende organismen is GEEN consument?

A.Een koe die gras eet.
B.Een schimmel die organisch materiaal afbreekt.
C.Een roofvogel die muizen vangt.
D.Een plant die fotosynthese uitvoert.

Gerelateerde sets

Maak je eigen studieset

Upload een PDF, plak je notities of beschrijf een onderwerp – AI genereert flashcards, quizzen en meer in seconden.