Zeestromingen en klimaat examentraining

Dit is een spiekbrief voor de toets over zeestromingen en het klimaat, met belangrijke begrippen, data en formules die je moet kennen voor het eindexamen aardrijkskunde.

Otter53·64 flashcards·64 vragen
eindexamengeographyphysical
0
Ken ik
1 / 64
0
Aan het leren
Voorkant

Wat zijn zeestromingen?

Tik om om te draaien
Achterkant

Bewegingen van water in de oceanen. Gevolgen voor klimaat en ecosystemen.

Tik om om te draaien
Ken ik
Aan het leren

Quiz(64 vragen)

Vraag 1 van 64

1. Wat is de gemiddelde temperatuur in de tropen?

Termen in deze set(64)

Basisbegrippen(16)

Wat zijn zeestromingen?

Bewegingen van water in de oceanen. Gevolgen voor klimaat en ecosystemen.

Wat beïnvloedt zeestromingen?

Winden, temperatuurverschillen, zoutgehalte, de Corioliskracht.

Wat is de Golfstroom?

Een warme zeestroom die van de Golf van Mexico naar Europa stroomt. Verhoogt temperaturen in West-Europa.

Waarmee meten we temperatuur?

Met een thermometer. Eenheden: graden Celsius (°C).

Wat is het effect van el Niño?

Veranderingen in zeestromingen en weerpatronen. Kan leiden tot droogte en overstromingen.

Vul de lege plek in: De oceanen absorberen ... % van CO2.

ongeveer 30%.

Vergelijk de Noord- en Zuidelijke keerkring.

Beide zijn de breedtegraden 23,5°N en 23,5°S. Ze markeren de grenzen van tropische gebieden.

Waarvoor staat de term 'thermohaliene circulatie'?

De grote oceaanstromingen die worden aangedreven door temperatuur- en zoutverschillen.

Wat is de gemiddelde temperatuur op aarde?

Ongeveer 15°C. Varieert afhankelijk van locatie en seizoen.

Wat zijn de gevolgen van klimaatverandering voor zeestromingen?

Verandering in sterkte en richting, impact op weerpatronen, stijging van de zeespiegel.

Waaruit bestaat de lucht?

Hoofdzakelijk uit stikstof (78%) en zuurstof (21%). Kleine hoeveelheden andere gassen.

Wat zijn de belangrijkste klimaatzones?

Tropisch, gematigd, polair. Elk heeft unieke weersomstandigheden.

Wat is de rol van de oceaan bij het klimaat?

Absorbeert warmte, reguleert temperatuur, beïnvloedt weerpatronen.

Is het waar dat zeestromingen alleen horizontaal bewegen?

Onwaar. Ze bewegen zowel horizontaal als verticaal, beïnvloed door temperatuur en zoutgehalte.

Geef een voorbeeld van een koude zeestroom.

De California Current. Koelt de westkust van Noord-Amerika.

Wat is het effect van de Zuidelijk Oscillatie?

Veranderingen in lucht- en zeewaterdruk, beïnvloedt weer wereldwijd.

Zeestromingen(16)

Wat zijn de Golfstroom en zijn invloed?

De Golfstroom is een warme zeestroom die het klimaat van West-Europa milder maakt.

Koude zeestromen zijn...

Ze koelen de lucht af, wat leidt tot lagere temperaturen in aangrenzende gebieden.

Wat doet de Humboldtstroom?

De Humboldtstroom brengt koude wateren naar de kust van Zuid-Amerika, wat invloed heeft op de lokale klimaatcondities.

Waar bevindt de Kuroshio-stroom zich?

Bij de kust van Japan en draagt bij aan een warmer klimaat in het gebied.

Waarvoor staat de term 'upwelling'?

De opkomst van koud, voedingrijk water van dezeebodem naar het oppervlak.

Wat is de invloed van de zeestromingen op de biodiversiteit?

Zeestromingen verspreiden voedingsstoffen en organismen, wat de biodiversiteit bevordert.

Wat is de relatie tussen zeestromingen en El Niño?

El Niño veroorzaakt veranderingen in zeestromingen, wat leidt tot wereldwijd afwijkende weersomstandigheden.

Vul in: De ________ is een belangrijke koude zeestroom in de Atlantische Oceaan.

Labradorstroom.

Waar komt de Agulhas-stroom voor?

Bij de zuidkust van Afrika, beïnvloedt het lokale klimaat en zeeflora.

Waar of niet waar: Zeestromingen beïnvloeden enkel de temperatuur.

Niet waar: Ze beïnvloeden ook neerslag en ecosystemen.

Wat zijn de effecten van de warme Mozambique-stroom?

Verhoogde temperaturen, grotere stormactiviteit en veranderingen in lokale zee-ecosystemen.

Vergelijk de Golfstroom en de Labradorstroom.

Golfstroom: warm, mild klimaat. Labradorstroom: koud, koelt het klimaat af.

Noem twee effecten van zeestromingen op het klimaat.

Temperatuurregulatie, neerslagpatronen.

Wat veroorzaakt een versterking van de zeestromingen?

Veranderingen in de windpatronen en temperatuurverschillen.

Bepaal de formule voor energie in beweging:

E=mc2\displaystyle E = mc^2 (massa en snelheid).

Hoe beïnvloedt de zeestroom het weer in Europa?

Door de warme Golfstroom is het weer milder en natter in West-Europa.

Klimaatzones(16)

Wat zijn de kenmerken van de tropen?

Hoge temperaturen, veel neerslag, constante daglengte. Kenmerken: - Gemiddeld boven de 25°C. - 2000-3000 mm neerslag per jaar.

Wat zijn de kenmerken van een gematigd klimaat?

Seizoensgebonden temperatuurverschillen, neerslag het hele jaar door. Kenmerken: - Temperaturen tussen -5°C en 25°C. - Neerslag 800-1500 mm per jaar.

Wat is een koud klimaat?

Koude winters en koele zomers. Kenmerken: - Gemiddeld onder de 10°C. - Neerslag voornamelijk sneeuw.

Tropisch klimaat → Wat is de neerslag?

Zeer hoog, gemiddeld 2000-3000 mm per jaar.

Verschil tussen tropisch en gematigd klimaat?

Tropisch: warm en vochtig. Gematigd: seizoensgebonden met temperatuurverschillen.

Wat zijn de subtypes van een gematigd klimaat?

Maritiem en continentaal. - Maritiem: milde winters, koele zomers. - Continentaal: koude winters, warme zomers.

Wat is een woestijnklimaat?

Zeer weinig neerslag, hoge temperaturen. - Minder dan 250 mm neerslag per jaar. - Grote temperatuurverschillen tussen dag en nacht.

Wat zijn de kenmerken van een mediterraan klimaat?

Warme, droge zomers en milde, natte winters. - Gemiddelde temperatuur in de zomer 25°C. - Neerslag rond 500-800 mm.

Verschil tussen een tundra- en een poolklimaat?

Tundra: korte groeiseizoenen, Pool: permanent bevroren grond, weinig vegetatie.

Kenmerken van een subtropisch klimaat?

Warm, vaak vochtig. - Temperaturen: 10°C tot 30°C. - Neerslag: 800-1500 mm, vaak in de zomer.

Wat zijn de temperatuurkenmerken van een polair klimaat?

Zeer koud, gemiddelde temperatuur onder -10°C. - IJsbedekking en sneeuw het hele jaar door.

Wat is het effect van zeestromen op het klimaat?

Zeestromen beïnvloeden temperatuur en neerslagpatronen. - Warmere stromingen: hogere temperaturen. - Koudere stromingen: lagere temperaturen.

Wat zijn de kenmerken van een hooggebergteklimaat?

Koude temperaturen, vooral in de hoge gebieden. - Neerslag: afhankelijk van hoogte, vaak sneeuw.

Vul in: In de tropen is de gemiddelde temperatuur boven ______ graden Celsius.

25

Wat zijn de subcategorieën van een tropisch klimaat?

Tropisch nat, tropisch savanne. - Nat: constant hoge neerslag. - Savanne: seizoensgebonden neerslag.

Is de gematigde zone altijd koeler dan de tropen?

Waar. De gematigde zone heeft lagere gemiddelde temperaturen door seizoensgebonden veranderingen.

Gevolgen van klimaatverandering(16)

Gevolgen van smeltend ijskappen?

Stijging zeespiegel en verlies habitat voor dieren.

Klimaatverandering → wat gebeurt met zeewater?

Opwarming leidt tot zuurstofafname en verstoring van ecosystemen.

Is de temperatuur van de oceanen gestegen?

Waar. Gemiddeld met 0,2 °C in de afgelopen 50 jaar.

Invloed op mariene biodiversiteit?

Verandering in soorten samenstelling en afname van bepaalde vissoorten.

Wat zijn gevolgen van verzuring van oceanen?

Afname calciumcarbonaat, verstoring koraalriffen en schelpdieren.

Biodiversiteit → Wat is de impact van klimaatverandering?

Verlies van soorten en verminderde veerkracht van ecosystemen.

Wat gebeurt er met zeestromingen door smelting van Groenland?

Verstoorde circulatie, wat leidt tot klimaatverandering in Europa.

Wat is de rol van de thermohaliene circulatie?

Reguleert wereldwijde klimaatsystemen en warmteverdeling.

Invloed van verzilting op zoetwaterecosystemen?

Afname biodiversiteit en verstoring van het ecosysteem.

Hoe beïnvloedt klimaatverandering het voedselweb?

Verstoring van relaties tussen soorten, met gevolgen voor vissen.

Klimaatverandering → migratie van zeeleven?

Soorten verplaatsen zich naar koelere gebieden.

Gevolgen van veranderingen in neerslagpatronen?

Verandering in zoetwatervoorziening en beïnvloeding van ecosystemen.

Wat zijn de effecten op koraalriffen?

Bleken door warm water, afname biodiversiteit.

Wat is het effect van zeespiegelstijging op kustgebieden?

Verlies van land, erosie, en verhoogde overstromingsrisico's.

Wat zijn de gevolgen van een toename van extreme weersomstandigheden?

Ecosystemen kunnen moeilijk herstellen, schade aan habitat.

Vul de lege plek in: Veranderingen in zeestromingen beïnvloeden ________.

het lokale klimaat en vispopulaties.

Vragen in deze set(64)

1. Wat is de gemiddelde temperatuur in de tropen?

A.Boven 25 graden Celsius
B.Tussen 10 en 25 graden Celsius
C.Onder 10 graden Celsius
D.Tussen 0 en 10 graden Celsius

2. Wat is de invloed van de Kuroshio-stroom op het klimaat van Japan?

A.Het maakt het klimaat warmer en zachter.
B.Het koelt de lucht sterk af.
C.Het heeft geen invloed op het klimaat.
D.Het zorgt voor meer neerslag in droge gebieden.

3. Wat beschrijft het begrip 'zeestromingen' het beste?

A.Bewegingen van water in de oceanen.
B.De temperatuur van het zeewater.
C.De zoutgehaltes van verschillende zeeën.
D.De windpatronen boven de oceaan.

4. Wat zijn de gevolgen van smeltend ijs op de poolkappen?

A.Stijging zeespiegel en verlies van habitat voor dieren.
B.Toename van biodiversiteit in de oceanen.
C.Versterking van de thermohaliene circulatie.
D.Dalende temperaturen in de tropen.

5. Wat is het neerslagniveau van een woestijnklimaat?

A.Meer dan 500 mm per jaar
B.Tussen 250 en 500 mm per jaar
C.Minder dan 250 mm per jaar
D.Tussen 100 en 150 mm per jaar

6. Wat zijn typische kenmerken van koude zeestromingen?

A.Ze verhogen de watertemperatuur.
B.Ze verlagen de luchttemperatuur in aangrenzende gebieden.
C.Ze zijn altijd dichtbij de kust.
D.Ze hebben geen invloed op het weer.

7. Welke factor beïnvloedt zeestromingen NIET?

A.Winden
B.Zoutgehalte
C.Temperatuurverschillen
D.Maanfasen

8. Wat gebeurt er met de zuurstofniveaus in de oceanen door klimaatverandering?

A.Zuurstofniveaus nemen af, wat ecosystemen verstoort.
B.Zuurstofniveaus blijven constant.
C.Zuurstofniveaus stijgen door verhoogde fotosynthese.
D.Zuurstofniveaus fluctueren zonder impact.

9. Wat is een kenmerk van een gematigd klimaat?

A.Geen seizoensgebonden temperatuurveranderingen
B.Constant hoge neerslag
C.Zeer koude winters
D.Seizoensgebonden temperatuurverschillen

10. Welke zeestroom is bekend om zijn koude wateren die naar de westkust van Zuid-Amerika stromen?

A.Humboldtstroom
B.Golfstroom
C.Agulhas-stroom
D.Kuroshio-stroom

11. Wat is een kenmerk van de Golfstroom?

A.Het is een koude zeestroom.
B.Het warmt de temperaturen in West-Europa op.
C.Het stroomt van Europa naar Afrika.
D.Het heeft geen invloed op het klimaat.

12. Hoeveel is de gemiddelde temperatuur van de oceanen gestegen in de afgelopen 50 jaar?

A.Gemiddeld met 0,2 °C.
B.Gemiddeld met 1,5 °C.
C.Gemiddeld met 0,5 °C.
D.Gemiddeld met 2 °C.

13. Welke van de volgende klimaten heeft de hoogste gemiddelde neerslag?

A.Mediterraan klimaat
B.Tropisch klimaat
C.Woestijnklimaat
D.Gematigd klimaat

14. Wat is de functie van opwelling in de oceanen?

A.Het brengt warm water naar de oppervlakte.
B.Het veroorzaakt stijging van koud, voedingrijk water.
C.Het vermindert de biodiversiteit.
D.Het voorkomt stormen.

15. Welk apparaat gebruiken we om de temperatuur van zeewater te meten?

A.Thermometer
B.Barometer
C.Anemometer
D.Hydrometer

16. Wat is een gevolg van verzuring van de oceanen?

A.Afname van calciumcarbonaat, wat koraalriffen en schelpdieren verstoort.
B.Toename van koraalgroei.
C.Versterking van mariene biodiversiteit.
D.Geen invloed op zeeleven.

17. Wat zijn de subcategorieën van een tropisch klimaat?

A.Gematigd en koud
B.Tropisch nat en tropisch savanne
C.Subtropisch en woestijn
D.Maritiem en continentaal

18. Welke zeestroom is verantwoordelijk voor het milder maken van het klimaat in West-Europa?

A.Labradorstroom
B.Agulhas-stroom
C.Golfstroom
D.Benguelastroom

19. Wat is het gevolg van el Niño?

A.Verhoogde zeespiegel wereldwijd.
B.Veranderingen in zeestromingen en weerpatronen.
C.Verminderde temperatuur in de tropen.
D.Constante regenval in Zuid-Amerika.

20. Wat is een directe impact van klimaatverandering op biodiversiteit?

A.Verlies van soorten en verminderde veerkracht van ecosystemen.
B.Toename van nieuwe soorten.
C.Geen feitelijke impact op biodiversiteit.
D.Versterking van voedselketens.

21. Wat is een kenmerk van een poolklimaat?

A.Hoge gemiddelde temperatuur
B.Gemiddelde temperatuur onder -10 graden Celsius
C.Zeer veel neerslag
D.Grote temperatuurverschillen tussen zomer en winter

22. Wat is één van de effecten van de Mozambique-stroom?

A.Verhoogde zeewater temperatuur.
B.Verminderde stormactiviteit.
C.Afname van vispopulaties.
D.Koelere watertemperaturen.

23. Wat absorberen de oceanen voor een percentage van CO2?

A.30%
B.50%
C.10%
D.75%

24. Wat gebeurt er met de zeestromingen door smelting van Groenland?

A.Verstoorde circulatie, wat leidt tot klimaatverandering in Europa.
B.Verbeterde stromingen en warmer water.
C.Geen effect op zeestromingen.
D.Versterking van de golfstroom.

25. Wat is de belangrijkste oorzaak voor de temperatuurverschillen in een gematigd klimaat?

A.Zee-invloed
B.Seizoenen
C.Hoogteverschillen
D.Vegetatie

26. Waar bevindt de Labradorstroom zich?

A.Bij de oostkust van Canada.
B.Bij de kust van Japan.
C.Tussen Zuid-Afrika en Zuid-Amerika.
D.Bij de kust van Australië.

27. Wat is het verschil tussen de Noordelijke en Zuidelijke keerkring?

A.Beide markeren de breedtegraden 0°.
B.Beide zijn 23,5° van de evenaar.
C.Ze zijn evenwijdig maar op verschillende hoogtes.
D.Beide zijn 23,5°N en 23,5°S.

28. Wat is de rol van de thermohaliene circulatie?

A.Reguleert wereldwijde klimaatsystemen en warmteverdeling.
B.Verhoogt de temperatuur van de oceanen.
C.Vermindert de zeespiegel.
D.Heeft geen effect op het klimaat.

29. Wat is een belangrijk kenmerk van een mediterraan klimaat?

A.Koude, droge zomers
B.Warme, droge zomers
C.Zeer hoge neerslag in de winter
D.Koude winters en koele zomers

30. Wat is een gevolg van de zeestromingen op de biodiversiteit?

A.Ze verminderen het aantal soorten in de oceaan.
B.Ze verspreiden voedingsstoffen en organismen.
C.Ze hebben geen effect op de biodiversiteit.
D.Ze verhogen de vervuiling in zee.

31. Wat betekent 'thermohaliene circulatie'?

A.Beweging van lucht in de atmosfeer.
B.Veranderingen in stromingen door temperatuur- en zoutverschillen.
C.De circulatie van zoet water in rivieren.
D.Een type oceaanbodem.

32. Wat is een gevolg van verzilting op zoetwaterecosystemen?

A.Afname van biodiversiteit en verstoring van het ecosysteem.
B.Toename van zoetwatervissen.
C.Improving growth conditions for plants.
D.Geen invloed op zoetwaterecosystemen.

33. Welke van de volgende klimaten heeft de grootste temperatuurverschillen tussen dag en nacht?

A.Tropisch klimaat
B.Gematigd klimaat
C.Woestijnklimaat
D.Subtropisch klimaat

34. Welke zeestroom is een belangrijke koude stroom in de Atlantische Oceaan?

A.Golfstroom
B.Labradorstroom
C.Kuroshio-stroom
D.Agulhas-stroom

35. Wat is de gemiddelde temperatuur op aarde?

A.15°C
B.20°C
C.10°C
D.25°C

36. Hoe beïnvloedt klimaatverandering het voedselweb in de oceanen?

A.Verstoring van relaties tussen soorten, met gevolgen voor vissen.
B.Versterking van het voedselweb.
C.Geen impact op het voedselweb.
D.Verandering in planktonsoorten.

37. Wat is het effect van zeestromen op het klimaat?

A.Geen effect
B.Veranderen de neerslagpatronen
C.Alleen effect op temperatuur
D.Zorgen voor constante temperatuur

38. Wat is de relatie tussen zeestromingen en El Niño?

A.El Niño heeft geen effect op zeestromingen.
B.El Niño veroorzaakt veranderingen in zeestromingen.
C.Zeestromingen zijn altijd constant tijdens El Niño.
D.El Niño maakt zeestromingen zwakker.

39. Wat gebeurt er met zeestromingen door klimaatverandering?

A.Ze blijven altijd hetzelfde.
B.Ze veranderen in sterkte en richting.
C.Ze stromen alleen horizontaal.
D.Ze hebben geen effect op het weer.

40. Wat is een gevolg van de migratie van zeeleven door klimaatverandering?

A.Soorten verplaatsen zich naar koelere gebieden.
B.Toename van vispopulaties in warme gebieden.
C.Geen migratie van soorten.
D.Verlies van zeeleven.

41. Wat is de gemiddelde neerslag in een gematigd klimaat?

A.Onder 500 mm
B.Tussen 800 en 1500 mm
C.Meer dan 2000 mm
D.Tussen 300 en 800 mm

42. Welke van de volgende is geen effect van zeestromingen op het klimaat?

A.Temperatuurregulatie
B.Verandering in neerslagpatronen
C.Verhoogde luchtvochtigheid
D.Afname van de luchtkwaliteit

43. Uit welke gassen bestaat de lucht voornamelijk?

A.Zuurstof en argon.
B.Stikstof en zuurstof.
C.Kooldioxide en waterdamp.
D.Helium en neon.

44. Wat zijn de gevolgen van veranderingen in neerslagpatronen?

A.Verandering in zoetwatervoorziening en beïnvloeding van ecosystemen.
B.Toename van zoetwatervoorziening.
C.Geen impact op ecosystemen.
D.Verbeterde irrigatie voor landbouw.

45. Wat is een kenmerk van het tundraklimaat?

A.Warm en vochtig
B.Korte groeiseizoenen
C.Zeer hoge temperaturen
D.Constant bevroren grond

46. Wat veroorzaakt vaak een versterking van de zeestromingen?

A.Veranderingen in de zeewatercirculatie.
B.Constante temperatuur van zeewater.
C.Veranderingen in de windpatronen.
D.Stijging van de zeespiegel.

47. Welke van de volgende klimaatzones is NIET een van de belangrijkste?

A.Tropisch
B.Gematigd
C.Polair
D.Woestijn

48. Wat zijn de effecten van opwarming op koraalriffen?

A.Bleken door warm water en afname van biodiversiteit.
B.Verhoging van koraalgroei.
C.Geen effect op koraalriffen.
D.Versterking van koraalkolonies.

49. Wat is het temperatuurkenmerk van een subtropisch klimaat?

A.Gemiddeld boven de 30 graden Celsius
B.Tussen de 10 en 30 graden Celsius
C.Onder de 10 graden Celsius
D.Constant koud

50. Wat is de impact van de zeestromingen op het weer in Europa?

A.Ze maken het weer kouder en droger.
B.Ze hebben geen invloed op het weer.
C.Ze zorgen voor een milder en natter klimaat.
D.Ze verminderen de neerslag.

51. Wat is de rol van de oceaan in klimaatregulatie?

A.Het absorbeert alleen vervuiling.
B.Het reguleert temperatuur en beïnvloedt weerpatronen.
C.Het produceert zuurstof.
D.Het heeft geen invloed op het klimaat.

52. Wat is het effect van zeespiegelstijging op kustgebieden?

A.Verlies van land, erosie, en verhoogde overstromingsrisico's.
B.Verbetering van kustecosystemen.
C.Toename van landoppervlak.
D.Geen effect op kustgebieden.

53. Wat is het belangrijkste verschil tussen een maritiem en continentaal klimaat?

A.Maritiem heeft koele zomers
B.Continentaal heeft meer neerslag
C.Maritiem heeft zeer koude winters
D.Continentaal is altijd warmer

54. Vergelijk de Golfstroom en de Labradorstroom.

A.Golfstroom is koud, Labradorstroom is warm.
B.Golfstroom is warm, Labradorstroom is koud.
C.Beide zijn warm.
D.Beide zijn koud.

55. Is het waar dat zeestromingen alleen horizontaal bewegen?

A.Ja, ze bewegen alleen horizontaal.
B.Nee, ze bewegen zowel horizontaal als verticaal.
C.Ze bewegen alleen verticaal.
D.Ze bewegen niet echt.

56. Wat zijn de gevolgen van een toename van extreme weersomstandigheden?

A.Ecosystemen kunnen moeilijk herstellen, schade aan habitat.
B.Herstel van ecosystemen wordt versneld.
C.Geen effect op biodiversiteit.
D.Versterking van ecosystemen.

57. Is de gematigde zone altijd warmer dan de poolzone?

A.Ja, altijd
B.Nee, soms niet
C.Ja, maar alleen in de zomer
D.Nee, altijd kouder

58. Wat doet de Humboldtstroom voor de biodiversiteit?

A.Het bevordert de groei van mariene organismen.
B.Het vermindert de beschikbaarheid van voedingsstoffen.
C.Het heeft geen effect op de biodiversiteit.
D.Het maakt het water warmer.

59. Noem een voorbeeld van een koude zeestroom.

A.De Golfstroom.
B.De California Current.
C.De Agulhas Current.
D.De Noord-Atlantische Drift.

60. Vul de lege plek in: Veranderingen in zeestromingen beïnvloeden ________.

A.het lokale klimaat en vispopulaties.
B.alleen de temperatuur van het water.
C.geen enkele ecologische factor.
D.de voeding van zeeleven.

61. Wat is een kenmerk van een hooggebergteklimaat?

A.Koude temperaturen met veel sneeuw
B.Zeer hoge gemiddelde temperaturen
C.Seizoensgebonden neerslag met milde winters
D.Constant warme zomers

62. Welke zeestroom staat bekend om zijn warme wateren die de oostkust van de VS beïnvloeden?

A.Golfstroom
B.Labradorstroom
C.Humboldtstroom
D.Agulhas-stroom

63. Wat is het effect van de Zuidelijke Oscillatie?

A.Verandering van zeewaterdruk en temperatuur.
B.Verhoogde temperatuur in de oceanen.
C.Stabiele weersomstandigheden wereldwijd.
D.Verminderde luchtvochtigheid.

64. Wat is een gevolg van de afname van het zee-ijs op de oceaanstromingen?

A.Verandering in de temperatuurverdeling van oceanen
B.Toename van biodiversiteit in de oceanen
C.Vermindering van het zoutgehalte in het water
D.Verhoogde stabiliteit van het ecosysteem

Gerelateerde sets

Maak je eigen studieset

Upload een PDF, plak je notities of beschrijf een onderwerp – AI genereert flashcards, quizzen en meer in seconden.