Demografische transitie examentraining

Deze flashcards helpen bij het begrijpen van de demografische transitie, een belangrijk onderwerp in de aardrijkskunde voor het eindexamen. Leer de verschillende fasen, kenmerken en gevolgen van deze transitie.

Lucas2006·24 flashcards·24 vragen
eindexamengeographyhuman
0
Ken ik
1 / 24
0
Aan het leren
Voorkant

Fase 1 van demografische transitie?

Tik om om te draaien
Achterkant

Kenmerken: hoge geboortecijfers, hoge sterftecijfers. Voorbeeld: pre-industriële samenlevingen.

Tik om om te draaien
Ken ik
Aan het leren

Quiz(24 vragen)

Vraag 1 van 24

1. Wat zijn de kenmerken van fase 1 van de demografische transitie?

Termen in deze set(24)

Fasen van de demografische transitie(12)

Fase 1 van demografische transitie?

Kenmerken: hoge geboortecijfers, hoge sterftecijfers. Voorbeeld: pre-industriële samenlevingen.

Wat gebeurt er in fase 2?

Sterftecijfers dalen door betere gezondheidszorg. Geboortecijfers blijven hoog.

Kenmerken fase 3?

Geboortecijfers nemen af. Verstedelijking en toegang tot voorlichting over gezinsplanning.

Fase 4: wat is er aan de hand?

Geboortecijfers en sterftecijfers zijn laag. Voorbeeld: Nederland, stabilisatie van bevolking.

Fase 5: waar gaat het heen?

Bovendien, sterftecijfers onder geboortecijfers. Vergrijzing en daling van bevolking in veel landen.

Waarvoor staat de term 'vergrijzing'?

Een toenemende verhouding van ouderen in de bevolking door lage geboortecijfers.

Wat is een belangrijk gevolg van fase 2?

Snelle bevolkingsgroei door dalende sterfte. Voorbeeld: Afrika en delen van Azië.

Fase 3 vs fase 4?

Fase 3: daling geboorten. Fase 4: stabilisatie bevolking. - Verschillende demografische trends.

Vul in: Fase 1 heeft hoge ______ en hoge ______.

geboortecijfers; sterftecijfers.

Waar zijn landen in fase 5 vaak mee bezig?

Maatregelen voor vergrijzing. Voorbeelden: pensioenhervormingen, gezondheidszorg.

Wat is een kenmerk van fase 2?

Snelle afname van sterfte door verbeterde hygiëne en voeding.

Waarin verschilt fase 1 van fase 3?

Fase 1: hoge sterfte en geboorte. Fase 3: lage sterfte, dalende geboortes.

Gevolgen en impact(12)

Gevolg van demografische transitie?

Verandering in bevolkingsgroei. - Grotere vergrijzing. - Meer druk op sociale voorzieningen.

Wat zijn sociale gevolgen?

Veranderende gezinsstructuren. - Verhoogde behoefte aan jeugdzorg. - Meer alleenstaande ouderen.

Waar leidt urbanisatie toe?

Grotere concentratie van bevolking in steden. - Verbeterde infrastructuur. - Vervuiling en woningtekort.

Wat is een ecologisch gevolg?

Verlies van biodiversiteit. - Meer vervuiling. - Toenemende druk op natuurlijke hulpbronnen.

Welke economische impact heeft vergrijzing?

Hogere kosten zorg en pensioenen. - Minder arbeidskrachten. - Verandering in consumptiepatronen.

Demografische transitie → ...

...toename van levensverwachting. - Grotere bevolking. - Veranderende arbeidsparticipatie.

Waar leidt daling van de geboortecijfers toe?

Verminderde druk op onderwijs. - Vergrijzing van de bevolking. - Economische stagnatie.

Waaruit bestaat de sociale structuur?

Ouderen, kinderen, werkenden. - Verhouding verandert door demografische transitie.

Klopt: Vergrijzing beïnvloedt pensioenstelsels?

Waar. Minder werkenden betalen voor meer gepensioneerden.

Wat zijn gevolgen voor de arbeidsmarkt?

Tekort aan personeel. - Verhoogde vraag naar specifieke vaardigheden. - Aanpassing van werkstructuren.

Wat is een voorbeeld van ecologische druk?

Stijgende huizenprijzen door bevolkingsgroei. - Meer energieverbruik. - Verhoogde CO2-uitstoot.

Gevolgen demografische transitie → ...

...schommelingen in woningvraag. - Verandering in infrastructuurbehoefte.

Vragen in deze set(24)

1. Wat zijn de kenmerken van fase 1 van de demografische transitie?

A.Hoge geboortecijfers en hoge sterftecijfers
B.Lage geboortecijfers en lage sterftecijfers
C.Geleidelijke daling van geboortecijfers
D.Stabilisatie van de bevolking

2. Wat is een gevolg van demografische transitie op het gebied van vergrijzing?

A.Toename van het aantal alleenstaande ouderen.
B.Afname van het aantal jongeren.
C.Verhoogde geboortecijfers.
D.Vermindering van de levensverwachting.

3. Wat gebeurt er in fase 2 van de demografische transitie?

A.Sterftecijfers stijgen door oorlog
B.Geboortecijfers blijven hoog terwijl sterftecijfers dalen
C.Bevolking stabiliseert
D.Geboortecijfers dalen dramatisch

4. Welke sociale verandering kan optreden door een vergrijzende bevolking?

A.Verminderde vraag naar jeugdzorg.
B.Toename van mantelzorg.
C.Minder alleenstaande ouderen.
D.Verandering in de verhouding van werkenden tot gepensioneerden.

5. Welke van de volgende kenmerken is typisch voor fase 3?

A.Hoge sterfte en hoge geboorte
B.Afname van geboortecijfers door gezinsplanning
C.Stabiele bevolkingsgroei
D.Grote verhoging van sterftecijfers

6. Wat is een ecologisch gevolg van urbanisatie?

A.Stijging van de biodiversiteit.
B.Verlies van groenvoorzieningen.
C.Afname van CO2-uitstoot.
D.Betere waterkwaliteit.

7. Wat is een belangrijke eigenschap van fase 4?

A.Hoge bevolkingsgroei
B.Lagere sterftecijfers dan geboortecijfers
C.Hoge geboortecijfers
D.Stabilisatie van geboortecijfers en sterftecijfers

8. Wat is een kenmerk van de economische impact van een vergrijzende bevolking?

A.Verschuiving van de arbeidskrachten naar jongeren.
B.Toename van de arbeidsproductiviteit.
C.Hogere zorgkosten en pensioenen.
D.Afname van de huizenprijzen.

9. Wat betekent vergrijzing in de context van demografische transitie?

A.Toename van jongeren in de bevolking
B.Toename van ouderen door lage geboortecijfers
C.Gelijke verdeling van leeftijden
D.Verlies van bevolking door migratie

10. Wat is een sociaal gevolg van dalende geboortecijfers?

A.Verhoogde druk op onderwijs.
B.Verandering in gezinsstructuren.
C.Afname van de ouderenpopulatie.
D.Toename van de jeugdwerkloosheid.

11. Wat is een gevolg van fase 2?

A.Snelle bevolkingsgroei door dalende sterfte
B.Verhoogde sterfte door epidemieën
C.Daling van geboortecijfers
D.Vergrijzing van de bevolking

12. Wat is een voorbeeld van economische gevolgen van demografische transitie?

A.Toenemende vraag naar sociale woningbouw.
B.Hogere jeugdwerkloosheid.
C.Stijgende huizenprijzen door afname van de bevolking.
D.Minder vraag naar gezondheidszorg.

13. Hoe verschilt fase 3 van fase 4?

A.Fase 3 heeft hogere geboortecijfers dan fase 4
B.Fase 4 heeft hogere sterftecijfers
C.Fase 3 heeft lage sterftecijfers
D.Fase 4 heeft hoge geboortecijfers

14. Wat gebeurt er met de arbeidsmarkt door demografische transitie?

A.Afname van het aantal werkenden.
B.Meer werkgelegenheid voor jongeren.
C.Hogere pensioenleeftijd.
D.Geen invloed op de werkstructuren.

15. Wat is een veelvoorkomend probleem in landen in fase 5?

A.Hoge geboortecijfers
B.Afname van de oudere bevolking
C.Maatregelen tegen vergrijzing
D.Toename van de bevolking

16. Welke van de volgende opties is GEEN gevolg van de demografische transitie?

A.Veranderende arbeidsparticipatie.
B.Afname van de levensverwachting.
C.Verandering in gezinsstructuren.
D.Toename van alleenstaande ouderen.

17. In fase 1 zijn zowel geboortecijfers als sterftecijfers:

A.Hoog
B.Laag
C.Gestabiliseerd
D.Afwisselend

18. Hoe kan urbanisatie de sociale structuur beïnvloeden?

A.Veranderende verhouding tussen jongeren en ouderen.
B.Toename van het aantal gezinnen met kinderen.
C.Afname van het aantal stedelijke gebieden.
D.Stijgende arbeidskrachten in plattelandsgebieden.

19. Wat is een kenmerk van fase 2?

A.Snelle toename van geboortecijfers
B.Daling van sterfte door verbeterde hygiëne
C.Grote stabilisatie van de bevolking
D.Verhoogde immigratie

20. Wat is een ecologisch effect van een groeiende bevolking?

A.Verbeterde luchtkwaliteit.
B.Verlies van biodiversiteit.
C.Toename van groene ruimtes.
D.Afname van energieverbruik.

21. Welke van de volgende beweringen klopt niet over fase 1 en fase 3?

A.Fase 1 heeft hoge sterfte en geboorte
B.Fase 1 heeft lage sterfte en hoge geboorte
C.Fase 3 heeft lage sterfte
D.Fase 3 heeft dalende geboortes

22. Wat is een gevolg van de vergrijzing voor sociale voorzieningen?

A.Minder druk op gezondheidszorg.
B.Hogere kosten voor zorg en ondersteuning.
C.Meer beschikbare arbeidskrachten.
D.Afname van het aantal ouderen.

23. Welke van de volgende beweringen is kenmerkend voor fase 5 van de demografische transitie?

A.De bevolkingsgroei neemt af door lagere geboortecijfers.
B.Sterftecijfers zijn hoger dan geboortecijfers.
C.Er is een snelle stijging van de jonge bevolking.
D.Er is een hoge migratie naar stedelijke gebieden.

24. Wat is een mogelijk gevolg van de demografische transitie voor de woningmarkt?

A.Verminderde vraag naar huurwoningen.
B.Schommelingen in woningvraag.
C.Toename van het aantal beschikbare woningen.
D.Minder vraag naar sociale woningen.

Gerelateerde sets

Maak je eigen studieset

Upload een PDF, plak je notities of beschrijf een onderwerp – AI genereert flashcards, quizzen en meer in seconden.