Werkloosheid flashcards

Flashcards over werkloosheid en gerelateerde economische termen voor de bovenbouw.

SemHeron·15 schede·10 domande·1 visualizzazioni
bovenbouweconomicsmacro
0
Lo so
1 / 15
0
Sto imparando
Fronte

Wat is werkloosheid?

Tocca per girare
Retro

Werkloosheid is de situatie waarin mensen die willen werken geen baan kunnen vinden.

Tocca per girare
Lo so
Sto imparando

Quiz(10 domande)

Domanda 1 di 10

1. Wat is een voorbeeld van structurele werkloosheid?

Termini in questo set(15)

Wat is werkloosheid?

Werkloosheid is de situatie waarin mensen die willen werken geen baan kunnen vinden.

Soorten werkloosheid

Er zijn verschillende soorten werkloosheid: structurele, conjuncturele, frictionele en seizoensgebonden werkloosheid.

Wat is structurele werkloosheid?

Structurele werkloosheid ontstaat door veranderingen in de economie, zoals technologie of verschuivingen in sectoren.

Verschil tussen werkloosheid en onderemployment

Onderemployment betekent dat iemand wel een baan heeft, maar niet genoeg uren werkt of niet de juiste kwalificaties gebruikt.

Wat meet de werkloosheidsrate?

De werkloosheidsrate meet het percentage werkloze mensen in verhouding tot de beroepsbevolking.

Wat is conjuncturele werkloosheid?

Conjuncturele werkloosheid ontstaat door economische schommelingen, zoals recessies waarbij bedrijven minder personeel nodig hebben.

Wat zijn gevolgen van werkloosheid?

Gevolgen zijn onder andere financiële problemen, sociale isolatie en verminderde economische groei.

Wat is frictionele werkloosheid?

Frictionele werkloosheid is tijdelijk en ontstaat als mensen van baan veranderen of net de arbeidsmarkt betreden.

Wat is seizoensgebonden werkloosheid?

Seizoensgebonden werkloosheid gebeurt wanneer banen tijdelijk zijn, zoals in de landbouw of toerisme.

Wat zijn werkloosheidsuitkeringen?

Werkloosheidsuitkeringen zijn financiële steun voor mensen die tijdelijk zonder werk zitten.

Wat is de arbeidsproductiviteit?

Arbeidsproductiviteit is de hoeveelheid goederen of diensten die een werknemer in een bepaalde tijd kan produceren.

Wat is het arbeidsaanbod?

Het arbeidsaanbod is het totaal aantal mensen dat beschikbaar is om te werken.

Invloed van onderwijs op werkloosheid?

Hoger onderwijs kan de kans op werkloosheid verkleinen, omdat het kwalificaties en vaardigheden verhoogt.

Wat is de beroepsbevolking?

De beroepsbevolking bestaat uit alle werkenden en werklozen die actief op zoek zijn naar werk.

Wat betekent 'volledige werkgelegenheid'?

Volledige werkgelegenheid is een situatie waarin alle mensen die willen werken, een baan hebben, behalve frictionele werkloosheid.

Domande in questo set(10)

1. Wat is een voorbeeld van structurele werkloosheid?

A.A: Een bouwvakker die geen werk vindt na de bouwcrisis.
B.B: Iemand die tijdelijk zijn baan verliest.
C.C: Een student die net is afgestudeerd.
D.D: Een seizoenarbeider in de winter.

2. Wat is het doel van werkloosheidsuitkeringen?

A.A: Mensen stimuleren om niet te werken.
B.B: Financiële steun bieden aan werkzoekenden.
C.C: Werkgevers meer geld geven.
D.D: De arbeidsmarkt reguleren.

3. Welke soort werkloosheid is tijdelijk?

A.A: Structurele werkloosheid.
B.B: Frictionele werkloosheid.
C.C: Conjuncturele werkloosheid.
D.D: Seizoensgebonden werkloosheid.

4. Is seizoensgebonden werkloosheid permanent?

A.A: Ja.
B.B: Nee.
C.C: Soms.
D.D: Alleen in de landbouw.

5. Wat is een kenmerk van conjuncturele werkloosheid?

A.A: Het is altijd de hoogste vorm van werkloosheid.
B.B: Het is gerelateerd aan economische cycli.
C.C: Het komt nooit voor in een groeiende economie.
D.D: Het is altijd tijdelijk.

6. Wat is een gevolg van hoge werkloosheid?

A.A: Lagere sociale uitkeringen.
B.B: Meer economische groei.
C.C: Verhoogde sociale spanning.
D.D: Minder beschikbare banen.

7. Wat is de werkloosheidsrate?

A.A: Het aantal mensen met een baan.
B.B: Het percentage van de bevolking dat werkloos is.
C.C: Het aantal vacatures in een land.
D.D: Het percentage werkenden in een bedrijf.

8. Is onderemployment hetzelfde als werkloosheid?

A.A: Ja.
B.B: Nee, het is anders.
C.C: Alleen in bepaalde sectoren.
D.D: Alleen voor studenten.

9. Wat is de beroepsbevolking?

A.A: Alleen werkenden.
B.B: Werkenden en werklozen die actief zoeken.
C.C: Iedereen in een land.
D.D: Alleen mensen die in loondienst zijn.

10. Veroorzaakt meer onderwijs altijd minder werkloosheid?

A.A: Ja, dat is altijd het geval.
B.B: Nee, niet altijd.
C.C: Alleen in technologische sectoren.
D.D: Ja, maar alleen voor hoger opgeleiden.

Set correlati

Crea il tuo set di studio

Carica un PDF, incolla le tue note o descrivi un argomento – l'IA genera schede, quiz e altro in pochi secondi.