Eindexamen virus en bacterie examen

Eindexamenherhaling over virussen en bacteriën, gericht op belangrijke feiten en verschillen.

DaanDeBoerdl·18 schede·16 domande
eindexamenbiologymicrobiology
0
Lo so
1 / 18
0
Sto imparando
Fronte

Wat zijn bacteriën?

Tocca per girare
Retro

Eencellige micro-organismen die zich kunnen vermenigvuldigen door deling.

Tocca per girare
Lo so
Sto imparando

Quiz(16 domande)

Domanda 1 di 16

1. Wat is het belangrijkste verschil tussen bacteriën en virussen?

Termini in questo set(18)

Wat zijn bacteriën?

Eencellige micro-organismen die zich kunnen vermenigvuldigen door deling.

Wat zijn virussen?

Infectieuze agentia die alleen kunnen repliceren binnen een gastheercel.

Bacteriën zijn...

Prokaryoten zonder kern, terwijl virussen geen cellen zijn.

Hoe vermenigvuldigen bacteriën zich?

Door binaire deling, waarbij één bacterie zich in twee splitst.

Hoe vermenigvuldigen virussen zich?

Door het injecteren van hun genetisch materiaal in een gastheercel.

Gram-positieve bacteriën...

Bevatten een dikke peptidoglycaanlaag en kleuren paars in de Gram-kleurtest.

Gram-negatieve bacteriën...

Hebben een dunne peptidoglycaanlaag en kleuren roze in de Gram-kleurtest.

Geef een voorbeeld van een bacteriële infectie.

Longontsteking veroorzaakt door Streptococcus pneumoniae.

Geef een voorbeeld van een virale infectie.

Griep veroorzaakt door het influenzavirus.

Wat is een bacteriofaag?

Een virus dat specifiek bacteriën infecteert.

Wat is de rol van bacteriën in de natuur?

Bacteriën helpen bij de afbraak van organisch materiaal en stikstofbinding.

Wat is een antibiotica?

Geneesmiddel dat bacteriële infecties bestrijdt door groei of reproductie te remmen.

Wat veroorzaakt antibioticaresistentie?

Overmatig en onjuist gebruik van antibiotica leidt tot resistente bacteriestammen.

Wat is de incubatietijd?

De tijd tussen infectie en het verschijnen van symptomen.

Virussen hebben geen...

Cellulaire structuur en zijn afhankelijk van gastheercellen voor replicatie.

Wat is een vaccin?

Een preparaat dat immuniteit opwekt tegen een ziekte door het immuunsysteem te stimuleren.

Wat zijn prionen?

Abnormaal gevouwen eiwitten die infectieziekten veroorzaken, zoals de ziekte van Kreutzfeldt-Jakob.

Wat is de rol van virussen in ecologie?

Virussen kunnen de populatiedynamiek van bacteriën en andere organismen beïnvloeden.

Domande in questo set(16)

1. Wat is het belangrijkste verschil tussen bacteriën en virussen?

A.Bacteriën zijn eencellig, virussen niet.
B.Virussen hebben een celwand, bacteriën niet.
C.Bacteriën kunnen niet groeien, virussen wel.
D.Virussen zijn groter dan bacteriën.

2. Wat zijn de effecten van antibiotica op virussen?

A.Ze doden virussen.
B.Ze remmen de virusreplicatie.
C.Ze hebben geen effect.
D.Ze versnellen de virusinfectie.

3. Wat is een kenmerk van virussen?

A.Ze kunnen zichzelf voortplanten.
B.Ze hebben DNA of RNA.
C.Ze hebben een celwand.
D.Ze zijn altijd schadelijk.

4. Wat is de functie van een vaccin?

A.Bacteriën doden.
B.Immuniteit opbouwen.
C.Ziektes genezen.
D.Symptomen verlichten.

5. Wat is een bacteriofaag?

A.Een bacteriële ziekte.
B.Een type vaccin.
C.Een virus dat bacteriën infecteert.
D.Een soort antibioticum.

6. Wat is de incubatietijd voor griep?

A.1-3 dagen.
B.5-7 dagen.
C.10-14 dagen.
D.2 weken.

7. Wat zijn de gevolgen van antibioticagebruik?

A.Versterking van het immuunsysteem.
B.Bacteriële resistentie.
C.Snellere genezing van infecties.
D.Geen effect op het lichaam.

8. Wat doet een prion?

A.Versterkt cellen.
B.Veroorzaakt infectieziekten.
C.Is een type virus.
D.Is een bacterie.

9. Wat is een voorbeeld van een virale infectie?

A.Tuberculose.
B.HIV.
C.Kinkhoest.
D.Botulisme.

10. Wat is de functie van bacteriën in de darmflora?

A.Zij zijn schadelijk voor de gezondheid.
B.Zij helpen bij de spijsvertering.
C.Zij veroorzaken ziekten.
D.Zij produceren antibiotica.

11. Wat is een typische werking van virussen?

A.Ze maken spieren sterk.
B.Ze zetten DNA om in RNA.
C.Ze doden bacteriën.
D.Ze infecteren gastheercellen.

12. Wat is een gevaar van virussen?

A.Ze zijn altijd onschadelijk.
B.Ze kunnen leiden tot pandemieën.
C.Ze genezen ziekten.
D.Ze hebben geen invloed op de mens.

13. Wat is het primaire doel van een vaccin?

A.Immuniteit creëren.
B.Ziekten genezen.
C.Bacteriën doden.
D.Virussen verzwakken.

14. Wat is de rol van antibiotica?

A.Vermenigvuldigen bacteriën.
B.Bacteriën doden of remmen.
C.Virusinfecties behandelen.
D.Ongedierte bestrijden.

15. Wat is een belangrijke eigenschap van bacteriën?

A.Ze hebben een celkern.
B.Ze zijn eencellig.
C.Ze hebben geen DNA.
D.Ze zijn altijd pathogeen.

16. Wat gebeurt er bij een bacteriële infectie?

A.De bacteriën sterven af.
B.De bacteriën vermenigvuldigen zich.
C.Er ontstaat een vaccin.
D.De infectie geneest vanzelf.

Set correlati

Crea il tuo set di studio

Carica un PDF, incolla le tue note o descrivi un argomento – l'IA genera schede, quiz e altro in pochi secondi.