Eindexamen celmembraan examen

Studie materiaal over de celmembraan voor het eindexamen biologie. Focus op belangrijke begrippen en formules.

Llama51·20 schede·17 domande
eindexamenbiologycell_biology
0
Lo so
1 / 20
0
Sto imparando
Fronte

Wat is de functie van de celmembraan?

Tocca per girare
Retro

De celmembraan reguleert de uitwisseling van stoffen tussen de cel en zijn omgeving.

Tocca per girare
Lo so
Sto imparando

Quiz(17 domande)

Domanda 1 di 17

1. Wat reguleert de celmembraan?

Termini in questo set(20)

Wat is de functie van de celmembraan?

De celmembraan reguleert de uitwisseling van stoffen tussen de cel en zijn omgeving.

Wat zijn fosfolipiden?

Fosfolipiden zijn moleculen die uit een hydrofiele kop en twee hydrofobe staarten bestaan, cruciaal voor de celmembraanstructuur.

Verschil tussen passieve en actieve transport?

Passief transport vereist geen energie, terwijl actief transport energie (ATP) nodig heeft.

Wat is osmotische druk?

Osmotische druk is de druk die nodig is om osmose te stoppen, afhankelijk van de concentratie van opgeloste stoffen.

Wat is selectieve permeabiliteit?

Selectieve permeabiliteit betekent dat de celmembraan alleen bepaalde stoffen laat passeren.

Wat zijn eiwitten in de celmembraan?

Eiwitten in de celmembraan functioneren als transporteiwitten, receptoren en enzymen.

Wat is difusie?

Diffusie is het proces waarbij stoffen zich verplaatsen van een gebied met hoge concentratie naar een gebied met lage concentratie.

Wat is een concentratiegradiënt?

Een concentratiegradiënt is een verschil in concentratie van een stof tussen twee gebieden.

Wat doet een transporteiwit?

Een transporteiwit helpt bij het verplaatsen van stoffen door de celmembraan.

Wat is endocytose?

Endocytose is het proces waarbij cellen stoffen opnemen door de celmembraan in te vouwen.

Wat is exocytose?

Exocytose is het proces waarbij cellen stoffen afgeven door vesikels samen te voegen met de celmembraan.

Vul de lege ruimte in: 'De celmembraan bestaat voornamelijk uit ____ en ____.'

Fosfolipiden en eiwitten.

Wat is de rol van cholesterol in de celmembraan?

Cholesterol zorgt voor stabiliteit en vloeibaarheid van de celmembraan.

Wat zijn glycoproteïnen?

Glycoproteïnen zijn eiwitten met suikergroepen die betrokken zijn bij celherkenning en communicatie.

Wat is permeabiliteit?

Permeabiliteit verwijst naar de mate waarin een membraan doorlaatbaar is voor verschillende stoffen.

Wat is aquaporine?

Aquaporines zijn speciale eiwitten die de doorlaatbaarheid van water door de celmembraan verhogen.

Wat is een isotone oplossing?

Een isotone oplossing heeft een gelijke concentratie van opgeloste stoffen als de cel, waardoor er geen netto waterbeweging is.

Wat is een hypertonische oplossing?

Een hypertonische oplossing heeft een hogere concentratie opgeloste stoffen dan de cel, wat leidt tot celkrimp.

Wat is een hypotonische oplossing?

Een hypotonische oplossing heeft een lagere concentratie opgeloste stoffen dan de cel, wat leidt tot celzwelling.

Wat zijn receptoren?

Receptoren zijn eiwitten op de celmembraan die binden aan signalen van buiten de cel.

Domande in questo set(17)

1. Wat reguleert de celmembraan?

A.Stofuitwisseling
B.Energieproductie
C.DNA-synthese
D.Eiwitsynthese

2. Wat gebeurt er met een cel in een hypertonische oplossing?

A.Cel zwelt op
B.Cel krimpt
C.Geen verandering
D.Cel breekt af

3. Wat is de functie van aquaporines?

A.Vetten transporteren
B.Water transporteren
C.Zouten transporteren
D.Suikers transporteren

4. Wat is een voorbeeld van passief transport?

A.Faciliteerde diffusie
B.Actief transport
C.Endocytose
D.Exocytose

5. Wat is de rol van cholesterol in de celmembraan?

A.Energieproductie
B.Stabiliteit en vloeibaarheid
C.Celgroei stimuleren
D.Zuurstoftransport

6. Wat doet endocytose?

A.Afgeven van stoffen
B.Opnemen van stoffen
C.Transport van water
D.Reguleren van ionen

7. Wat is een glycoproteïne?

A.Een soort vet
B.Een eiwit met suikers
C.Een koolhydraat
D.Een type zout

8. Wat gebeurt er tijdens exocytose?

A.Stoffen worden opgenomen
B.Stoffen worden afgegeven
C.Celmembranen breken
D.Eiwitsynthese stopt

9. Wat betekent selectieve permeabiliteit?

A.Volledige doorlaatbaarheid
B.Geen doorlaatbaarheid
C.Selectieve doorlaatbaarheid
D.Transport van alleen water

10. Wat doet een transporteiwit?

A.Vormt de celmembraan
B.Reguleert de eiwitsynthese
C.Helpt bij het transport van stoffen
D.Produceert energie

11. Wat zijn fosfolipiden?

A.Bouwstenen van DNA
B.Eiwitten
C.Moleculen die celmembranen vormen
D.Energiebronnen

12. Wat is osmotische druk?

A.Druk van een gas
B.Druk door een vloeistof
C.Druk die nodig is om osmose te stoppen
D.Druk in een cel

13. Wat is het effect van een hypotonische oplossing op een cel?

A.Cel krimpt
B.Cel zwelt op
C.Geen effect
D.Cel sterft

14. Wat regelt de celmembraan?

A.Voeding
B.Genezing
C.Stofuitwisseling
D.Groei

15. Wat is een concentratiegradiënt?

A.Verschil in temperatuur
B.Verschil in elektrische lading
C.Verschil in stofconcentratie
D.Verschil in druk

16. Wat is de rol van receptoren in de celmembraan?

A.Transport van water
B.Communicatie en signaalontvangst
C.Energieproductie
D.Celgroei

17. Wat is het effect van een isotone oplossing?

A.Cel krimpt
B.Cel zwelt op
C.Geen netto waterbeweging
D.Cel sterft

Set correlati

Crea il tuo set di studio

Carica un PDF, incolla le tue note o descrivi un argomento – l'IA genera schede, quiz e altro in pochi secondi.