Woordjes: Engels past continuous
Deze flashcards helpen je de verleden tijd van de continue vorm in het Engels te begrijpen en te oefenen. Dit is vooral handig voor bovenbouwleerlingen die hun vocabulaire willen uitbreiden.
Quiz(10 questions)
1. Wat betekent 'was walking'?
Termes dans ce set(21)
was walking
aan het lopen
were playing
aan het spelen
was cooking
aan het koken
were reading
aan het lezen
was studying
aan het studeren
were watching
aan het kijken
was writing
aan het schrijven
were drawing
aan het tekenen
was listening
aan het luisteren
were talking
aan het praten
was driving
aan het rijden
were running
aan het rennen
was sleeping
aan het slapen
were shopping
aan het winkelen
was thinking
aan het denken
were building
aan het bouwen
was painting
aan het schilderen
were swimming
aan het zwemmen
was cleaning
aan het schoonmaken
were exercising
aan het sporten
was traveling
aan het reizen
Questions dans ce set(10)
1. Wat betekent 'was walking'?
2. Wat betekent 'were reading'?
3. Wat betekent 'was cooking'?
4. Wat betekent 'were playing'?
5. Wat betekent 'was driving'?
6. Wat betekent 'were watching'?
7. Wat betekent 'was sleeping'?
8. Wat betekent 'were drawing'?
9. Wat betekent 'was cleaning'?
10. Wat betekent 'were exercising'?
Sets associés
Angielski A2 – Słówka: dom i rodzina
Englisch Relativsätze Karteikarten
Englisch Abitur analysis verbs Karteikarten
Vokabeln: Englisch Adjektivsteigerung
Englisch technology words Karteikarten
Wörter: Englisch household chores
Englisch Abitur Mediation
Wörter: Englisch some any much many
Créez votre propre set d'étude
Téléchargez un PDF, collez vos notes ou décrivez un sujet – l'IA génère des fiches, des quiz et plus en quelques secondes.

