Vocabulaire: Frans deelwoord

Dit is een set van vocabulaire flashcards voor het Frans deelwoord, gericht op bovenbouw leerlingen in Nederland. Deze kaarten helpen bij het leren van belangrijke Franse woorden en zinnen, samen met hun vertalingen in het Nederlands.

LucasVanDijk·33 fiches·18 questions
bovenbouwlanguagesfrench
0
Je sais
1 / 33
0
J'apprends
Recto

manger

Appuyez pour retourner
Verso

eten

Appuyez pour retourner
Je sais
J'apprends

Quiz(18 questions)

Question 1 sur 18

1. Wat betekent 'manger'?

Termes dans ce set(33)

manger

eten

parler

spreken

aller

gaan

avoir

hebben

être

zijn

finir

beëindigen

choisir

kiezen

lire

lezen

écrire

schrijven

prendre

nemen

voir

zien

écouter

luisteren

demander

vragen

répondre

antwoorden

travailler

werken

jouer

spelen

trouver

vinden

croire

geloven

savoir

weten

pouvoir

kunnen

vouloir

willen

demain

morgen

aujourd'hui

vandaag

hier

gisteren

beau

mooi

grand

groot

petit

klein

rapide

snel

lent

traag

chaud

heet

froid

koud

facile

gemakkelijk

difficile

moeilijk

Questions dans ce set(18)

1. Wat betekent 'manger'?

A.eten
B.drinken
C.leiden
D.spelen

2. Welk woord betekent 'gaan'?

A.aller
B.venir
C.parler
D.écouter

3. Wat betekent 'être'?

A.zijn
B.hebben
C.kunnen
D.willen

4. Welk woord betekent 'lezen'?

A.écrire
B.lire
C.parler
D.entendre

5. Wat betekent 'croire'?

A.geloven
B.zien
C.vinden
D.vragen

6. Welk woord betekent 'werken'?

A.jouer
B.travailler
C.finir
D.choisir

7. Wat betekent 'rapide'?

A.groot
B.mooi
C.snel
D.traag

8. Welk woord betekent 'koud'?

A.chaud
B.froid
C.beau
D.petit

9. Wat betekent 'vouloir'?

A.kunnen
B.willen
C.weten
D.zien

10. Welk woord betekent 'vragen'?

A.répondre
B.demander
C.trouver
D.choisir

11. Wat betekent 'difficile'?

A.moeilijk
B.gemakkelijk
C.snel
D.traag

12. Welk woord betekent 'drinken'?

A.manger
B.boire
C.lire
D.demander

13. Wat betekent 'petit'?

A.klein
B.groot
C.mooi
D.snel

14. Welk woord betekent 'spelen'?

A.travailler
B.jouer
C.aller
D.choisir

15. Wat betekent 'aujourd'hui'?

A.morgen
B.vandaag
C.gisteren
D.snel

16. Welk woord betekent 'mooi'?

A.beau
B.petit
C.grand
D.difficile

17. Wat betekent 'facile'?

A.gemakkelijk
B.moeilijk
C.snel
D.traag

18. Welk woord betekent 'zien'?

A.écouter
B.voir
C.parler
D.demander

Sets associés

Créez votre propre set d'étude

Téléchargez un PDF, collez vos notes ou décrivez un sujet – l'IA génère des fiches, des quiz et plus en quelques secondes.

Mis en avant sur