Vocabulaire: Duits dagen

Vocabulaire van de Duitse dagen voor onderbouw leerlingen. Deze woordenlijst bevat basiswoorden, nuttige zinnen en betekenisvolle vertalingen.

FinnB8·52 fiches·14 questions
onderbouwlanguagesgerman
0
Je sais
1 / 52
0
J'apprends
Recto

Montag

Appuyez pour retourner
Verso

Maandag

Appuyez pour retourner
Je sais
J'apprends

Quiz(14 questions)

Question 1 sur 14

1. Wat betekent Montag?

Termes dans ce set(52)

Duitse Dagen 1(26)

Montag

Maandag

Dienstag

Dinsdag

Mittwoch

Woensdag

Donnerstag

Donderdag

Freitag

Vrijdag

Samstag

Zaterdag

Sonntag

Zondag

Woche

Week

Tag

Dag

Jahr

Jaar

Wochenende

Weekend

Frühstück

Ontbijt

Mittagessen

Lunch

Abendessen

Diner

Uhr

Uur

Viertel

Kwartier

halb

half

morgen

ochtend

abends

’s avonds

gestern

gisteren

heute

vandaag

morgen

morgen

schlafen

slapen

lernen

leren

spielen

spelen

arbeiten

werken

Duitse Dagen 2(26)

kaufen

kopen

fahren

rijden

sehen

zien

essen

eten

trinken

drinken

laufen

lopen

reden

praten

lesen

lezen

schreiben

schrijven

feiern

feesten

spielen

spelen

singen

zingen

tanzen

dansen

reisen

reizen

besuchen

bezoeken

verstehen

begrijpen

vergessen

vergeten

denken

denken

fühlen

voelen

hören

horen

laufen

rennen

zeigen

tonen

fragen

vragen

antworten

antwoorden

suchen

zoeken

finden

vinden

Questions dans ce set(14)

1. Wat betekent Montag?

A.Maandag
B.Dinsdag
C.Woensdag
D.Vrijdag

2. Welk woord betekent vrijdag?

A.Sonntag
B.Freitag
C.Samstag
D.Donnerstag

3. Wat betekent Dienstag?

A.Donderdag
B.Zaterdag
C.Dinsdag
D.Woensdag

4. Welk woord betekent diner?

A.Abendessen
B.Frühstück
C.Mittagessen
D.Feier

5. Wat betekent Sonntag?

A.Zaterdag
B.Zondag
C.Maandag
D.Vrijdag

6. Welk woord betekent leren?

A.lesen
B.lernen
C.sehen
D.verstehen

7. Wat betekent gestern?

A.Vandaag
B.Morgen
C.Gisteren
D.Vrijdag

8. Welk woord betekent vragen?

A.antworten
B.fragen
C.reden
D.denken

9. Wat betekent Jahr?

A.Maand
B.Jaar
C.Week
D.Dag

10. Welk woord betekent feest?

A.feiern
B.essen
C.trinken
D.laufen

11. Wat betekent lernen?

A.Speel
B.Leren
C.Eten
D.Slapen

12. Welk woord betekent slapen?

A.schlafen
B.singen
C.fragen
D.verstehen

13. Wat betekent abends?

A.'s Ochtends
B.'s Avonds
C.Vandaag
D.Gisteren

14. Welk woord betekent spelen?

A.spielen
B.sehen
C.lesen
D.reisen

Sets associés

Créez votre propre set d'étude

Téléchargez un PDF, collez vos notes ou décrivez un sujet – l'IA génère des fiches, des quiz et plus en quelques secondes.

Mis en avant sur