Engels onregelmatige werkwoorden woordjes

Deze flashcards zijn gericht op onregelmatige werkwoorden in het Engels voor leerlingen in de bovenbouw. Ze bevatten zowel de Engelse woorden als hun Nederlandse vertalingen en voorbeelden. De quiz stelt vragen over de betekenis van deze woorden.

Mighty58·43 fiches·20 questions·1 vues
bovenbouwlanguagesenglish
0
Je sais
1 / 43
0
J'apprends
Recto

be

Appuyez pour retourner
Verso

zijn

Appuyez pour retourner
Je sais
J'apprends

Quiz(20 questions)

Question 1 sur 20

1. Wat betekent 'be'?

Termes dans ce set(43)

Engelse onregelmatige werkwoorden(26)

be

zijn

become

worden

begin

beginnen

choose

kiezen

come

komen

do

doen

drink

drinken

eat

eten

go

gaan

have

hebben

know

weten

make

maken

say

zeggen

see

zien

take

nemen

think

denken

write

schrijven

fly

vliegen

swim

zwemmen

give

geven

find

vinden

tell

vertellen

feel

voelen

leave

verlaten

meet

ontmoeten

build

bouwen

Engelse onregelmatige werkwoorden vervolg(17)

begin

beginnen

bring

brengen

catch

vangen

choose

kiezen

feel

voelen

hit

slaan

hold

houden

keep

houden

lead

leiden

pay

betalen

ring

bellen

send

sturen

speak

spreken

spend

uitgeven

stand

staan

teach

onderwijzen

understand

begrijpen

Questions dans ce set(20)

1. Wat betekent 'be'?

A.zijn
B.doen
C.gaan
D.komen

2. Welk woord betekent 'worden'?

A.become
B.begin
C.make
D.have

3. Wat betekent 'begin'?

A.starten
B.verlassen
C.voelen
D.zeggen

4. Welk woord betekent 'komen'?

A.come
B.go
C.bring
D.take

5. Wat betekent 'drink'?

A.drinken
B.leiden
C.houden
D.geven

6. Welk woord betekent 'zien'?

A.see
B.look
C.find
D.hear

7. Wat betekent 'go'?

A.gaan
B.komen
C.doen
D.maken

8. Welk woord betekent 'geven'?

A.give
B.bring
C.take
D.tell

9. Wat betekent 'choose'?

A.kiezen
B.beginnen
C.zien
D.houden

10. Welk woord betekent 'maken'?

A.make
B.do
C.find
D.take

11. Wat betekent 'think'?

A.denken
B.vergeten
C.weten
D.spreken

12. Welk woord betekent 'vertellen'?

A.tell
B.speak
C.say
D.hear

13. Wat betekent 'leave'?

A.verlaten
B.komen
C.blijven
D.liggen

14. Welk woord betekent 'voelen'?

A.feel
B.hear
C.see
D.think

15. Wat betekent 'meet'?

A.ontmoeten
B.zien
C.taken
D.geven

16. Welk woord betekent 'drinken'?

A.drink
B.eat
C.speak
D.say

17. Wat betekent 'swim'?

A.zwemmen
B.vliegen
C.lopen
D.rijden

18. Welk woord betekent 'vliegen'?

A.fly
B.take
C.come
D.go

19. Wat betekent 'build'?

A.bouwen
B.maken
C.verbouwen
D.veranderen

20. Welk woord betekent 'leiden'?

A.lead
B.hold
C.give
D.take

Sets associés

Créez votre propre set d'étude

Téléchargez un PDF, collez vos notes ou décrivez un sujet – l'IA génère des fiches, des quiz et plus en quelques secondes.

Mis en avant sur