Werkwoordstijden aantekeningen
Aantekeningen over werkwoordstijden voor de onderbouw. Leer hoe je werkwoorden correct gebruikt in verschillende tijden.
Quiz(14 preguntas)
1. Wat is de tegenwoordige tijd?
Términos en este set(18)
Wat is de tegenwoordige tijd?
De tegenwoordige tijd beschrijft iets dat nu gebeurt. Bijvoorbeeld: 'Ik loop naar school.'
Wat is de verleden tijd?
De verleden tijd beschrijft iets dat al gebeurd is. Bijvoorbeeld: 'Ik liep naar school.'
Wat is de toekomsttijd?
De toekomsttijd beschrijft iets dat nog gaat gebeuren. Bijvoorbeeld: 'Ik zal naar school lopen.'
Vul in: Ik _____ (lopen) naar de winkel.
Ik loop naar de winkel.
Vul in: Gisteren _____ (gaan) wij naar het park.
Gisteren gingen wij naar het park.
Wat is een voorbeeld van de toekomende tijd?
Een voorbeeld is: 'Zij zal morgen komen.'
Waar gebruik je de verleden tijd voor?
Je gebruikt de verleden tijd voor dingen die al gebeurd zijn.
Is de zin 'Hij leest een boek' in de tegenwoordige tijd?
Ja, die zin is in de tegenwoordige tijd.
Wanneer gebruik je de verleden tijd?
Je gebruikt de verleden tijd voor verhalen of gebeurtenissen uit het verleden.
Vul in: Morgen _____ (fietsen) wij naar het strand.
Morgen fietsen wij naar het strand.
Wat is de vorm van 'lopen' in de verleden tijd?
'Lopen' wordt 'liep' in de verleden tijd.
Zin: 'Zij hebben rijst gekookt.' is welke tijd?
Dit is de verleden tijd.
Vul in: Ik _____ (zien) de film vorige week.
Ik zag de film vorige week.
Waar kun je de toekomsttijd aan herkennen?
Je kunt het herkennen aan woorden zoals 'zal' of 'gaan'.
Is de zin 'Wij spelen in de tuin' verleden tijd?
Nee, deze zin is in de tegenwoordige tijd.
Wat betekent 'futurum'?
Het betekent de tijd die nog komt, ook wel de toekomsttijd.
Vergelijk: 'Ik eet' en 'Ik at'.
'Ik eet' is tegenwoordige tijd en 'Ik at' is verleden tijd.
Vul in: Volgende week _____ (komen) er nieuwe leerlingen.
Volgende week komen er nieuwe leerlingen.
Preguntas en este set(14)
1. Wat is de tegenwoordige tijd?
2. Welke tijd gebruik je voor 'ik liep gisteren naar school'?
3. Vul in: 'Zij _____ (spelen) in de tuin.' met de juiste tijd.
4. Is 'Wij zullen morgen gaan fietsen' een toekomsttijd?
5. Wat is de verleden tijd van 'zien'?
6. Vul in: 'Hij _____ (gaan) naar de winkel.' met de verleden tijd.
7. Wat is de juiste vorm van 'lopen' in de toekomsttijd?
8. Is 'Zij hebben gegeten' verleden tijd?
9. Wat is de betekenis van 'toekomende tijd'?
10. Vergelijk: 'Ik opende het boek' en 'Ik open het boek'.
11. Is 'Wij gaan dit weekend naar het strand' toekomsttijd?
12. Welke tijd geeft een actie aan die reeds voltooid is?
13. Wat is de verleden tijd van 'fietsen'?
14. Wat is de juiste vorm van de toekomsttijd voor 'komen'?
Sets relacionados
Adjektive steigern Karteikarten
Feldermodell Satzklammer Schritt für Schritt
Relativsätze Notizen
Wiederholung: Kausal Final Konzessiv
Konjunktiv II höflich Notizen
Test: Infinitiv mit zu
Pronomen es das Karteikarten
Wiederholung: Modalverben
Crea tu propio set de estudio
Sube un PDF, pega tus notas o describe un tema – la IA genera tarjetas, quizzes y más en segundos.

